(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Oud-Nederlandsche steden in haar ontstaan, groei en ontwikkeling"

OUD-NEDERLANDSCHE STEDEN. 



OUD-NEDERLANDSCHE STEDEN 



IN HAAR 



ONTSTAAN, GROEI EN ONTWIKKELING 



DOOR 



Dr. H. BRUGMANS, en C. H. PETERS, 

Hoogleeraar te Amsterdam, Rijks-Bouwmeester te 's-Gravenhage 




LEIDEN. 
A. W. SIJTHOFPs UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ. 



DE 



NEDERLANDSCHE STEDENBOUW. 



DE STAD ALS VESTE, WOON- EN HANDELSPLAATS 



DOOR 



C. H. PETERS. 




LEIDEN. 

A. W. SIJTHOFFS UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ. 




KAART VAN NEDERLAND. 

S0§> 

Overzicht van de jaren waarin de steden stadsrecht hebben gekregen, of dit blijkens de oudst overgebleven 

oorkonden reeds bezaten. 

Saamgesteld door wijlen Mr. A. Telting. 



FRIESLAND 



Afbeelding N°. i. 







W^^Ê 


^^s^^^s 


wsSfe 




E%KN f 




^«KL^^s-^^? 












Ê==ÖP 





VOORWOORD. 



„De Steden waren de ontwikkelings-factoren, de centra 
onzer Middeneeuwsche beschaving en kunst." — 

Het onderwerp dezer studie, een blik in de wording en ont- 
wikkeling, in het geheele verleden onzer steden, biedt zoovele 
uiteenloopende gezichtspunten aan, eischt in tal van opzichten een 
zoodanig meeleven in en met dat verleden, en wekt onwillekeurig 
zoovele vragen, wier beantwoording dan telkens weer eene nieuwe 
vragenreeks uitlokt, dat men bijna aarzelt om het eindelooze terrein 
van onderzoek te verlaten en de pen op te vatten om dat verleden 
te gaan beschrijven. 

Feitelijk komt men met zijn onderzoek in dezen nooit klaar, 
zóó groot, zóó uitgestrekt, zóó diep is het te onderzoeken terrein, 
waarvan bovendien tal van gedeelten zich feitelijk nog aan elk 
onderzoek onttrekken. Het is inderdaad niet mogelijk meer, het ver- 
leden onzer steden, in elk opzicht, in vollen omvang, thans nog te 
leeren kennen, eene geheel nieuwe maatschappij toch, heeft die 
vroegere, voorlang reeds vervangen. De maatschappij, tijdens 
welke onze steden zijn ontstaan, zijn gebouwd en uitgelegd, zijn 
ommuurd en met openbare gebouwen van allerlei aard voorzien, die 
maatschappij, zij bestaat niet meer, en van onze meest belangrijke 
bestaans-periode, van af het jaar 1000 tot aan het jaar 1500, van 
ons middeleeuwsch verleden, rest er in onze steden bijna niets 
meer dan enkele kerkgebouwen, al het overige, uitgenomen hier of 
daar een raadhuis, een stuk kasteel, eene poort of brok muurs, al 
het overige van dat verleden is gesloopt, is thans voor goed 
verdwenen. 

Wij bezitten te onzent helaas geen enkele stad, die ons als 
Brugge, als Carcassonne, als Cluny, als Lübeck of als 



VOORWOORD. 



Rothenburg aan den Tauber, in volle werkelijkheid nog in tal 
van opzichten, een duidelijk beeld geeft van heur vroeger, van heur 
middeleeuwsch verleden. Wij hebben overal bijna alles onmeedoogend 
gesloopt of vernieuwd, vaak zelfs zonder eenig doel of nut, puur uit 
sloopingszin en dat wat nog niet gesloopt is, is meestal tot onher- 
kenbaar wordens toe verbouwd en veranderd en bijna waardeloos 
gemaakt. Hij, die zich nu nog een beeld wil vormen van eene 
Middeleeuwsche stad te onzent, die wil weten, hoe eene stad er 
toen uitzag, mag nu Nederland gaan rondreizen, om te gaan 
zien: hier een intakt overgebleven kerkgebouw, elders een raadhuis- 
gevel of een raadhuis-hal, eenige uren verder een brok van een 
kloosterpand, of een woonhuisgevel, of een gedeelte van een gasthuis 
en weder in andere provinciën eene stadspoort, of eene stadsbrug 
of een brok stadsmuur of een vergeten oud straatje of hoekje of slop, 
en in gedachte mag hij dan a 1 die resten , al die brokken gaan 
samenvoegen tot een Middeleeuwsch stadsgeheel. 

En wat er in schrifture van rest, is mede al heel weinig. 

Ge vindt eenige doozen met charters, enkele rekeningen, 
doch van deze laatste bijna geen enkele uit de XIII de , het meerendeel 
eerst uit de XV de eeuw, voorts eenige keuren, enkele vonnissen, 
testamenten en inventarissen, te zamen nog geen duizendste 
van hetgeen er geweest is; zietdaar, al uw studie-materiaal. Er is, 
zooveel ik weet, niet ééne stad, niet ééne middeleeuwsche stichting 
of inrichting, die te onzent een archief bezit, waarin men, van af haar 
ontstaan tot nu toe, geen enkel besluit, geen enkele rekening, geen 
enkele aanvaarding of overdracht of andere stukken haar zakelijk 
verleden betreffende, mist. 

En wat er van dat verleden in afbeeldinge rest, dat is nog 
veel minder. 

De overgebleven tee keningen en schilderstukken met 
afbeeldingen onzer steden uit de jaren 1000 tot 1500, zij zijn 
op tien vingers ruimschoots te tellen, gravures uit dien tijd bezitten 
wij niet en de enkele houtsneden uit de laatste helft der XV de eeuw, 
zoo zij al eenig stadsbeeld geven, doen dit dan meestal nog zóó 
kinderlijk naïef, dat zij voor deze studie geen waarde hebben. 

En onze oude zegels, munten en penningen, hoezeer in 
ruimen getale nog aanwezig, zij geven slechts bij toeval het beeld 
van eene bepaalde plaats, van een vroeger bestaanden burcht, of 
kerk, of poort. 



VOORWOORD. 



Bij bijna volstrekt gemis aan middeleeuwsche plattegronden en 
aan middeleeuwsche afbeeldingen onzer steden en stede-toestanden, 
moeten wij ons dus tevredenstellen met plattegronden en afbeeldingen 
uit de tweede helft der XVI dc eeuw, met de topografische stede - 
kaarten van Jacobus van Deventer (± 1550) en met de in 
vogelperspectief voorgestelde plattegronden en met de prospecten of 
aanzichten onzer steden, voorkomende in den beroemden atlas van 
Georg Braun: „Urbium praecipuarum totius Mundi" in de jaren 
1572—1618 bij gedeelten achtereenvolgens te Keulen uitgegeven, 
te zamen een 376 platen bevattende. 

Eerst tegen het einde dier XVI de eeuw komt Petrus Bast (zijn 
beste graveerwerk is van de jaren 1590 — 1605) en levert ons enkele 
zijner nauwgezet opgenomen en geteekende en met vaste hand gegra- 
veerde stedeplattegronden en aspecten ') ; had hij dit twee eeuwen 
vroeger kunnen doen, de kennis van ons middeleeuwsche stedeleven 
ware daarmede ten zeerste gebaat geworden. 

Slechts van ééne stad, van Amsterdam, bezitten wij een 
grooten plattegrond, uit de eerste helft der XVI de eeuw, het is de 
plattegrond in vogelvlucht dier stad, in c ) bladen, te zamen groot 
0.78 bij 1.09 M., door den schilder Co melis Anthoniszoon 
geteekend en in 1544, als gekleurde houtsnede uitgegeven en aan 
Keizer Karel V opgedragen. 

Van dienzelfden schilder bezit het Museum Fodor te Amsterdam 
nog een plattegrond of „Caert" der stad (N'. 8 van den Catalogus), 
met de pen in bruinen inkt in omtrekken geteekend in het jaar 1536, 
groot 34 bij 55 cM., van welke penteekening afbeelding N°. 21 eene 
verkleinde reproductie is, terwijl het Stedelijk Archief een naar die 
schets door hem geschilderd vogelvluchtplan dier stad bezit, groot 
1.13 bij 1.59 M., dat op het sprekendst, dat in alle details, die stad 
met al haar toenmalige eigenaardigheden voorstelt. 



1 ) Van Petrus Bast bezitten wij nog, voor zooveel mij bekend, plattegronden 
in gravure van de volgende steden: van Amsterdam van A°. 1597, een platte- 
grond later door All art, en omstreeks 1612 door C. J. Visscher opnieuw en 
bijgewerkt uitgegeven; van Dordrecht van A°. 1596; van Emden van A°. 1599; 
van Franeker van A°. 1598; van 's-Gravenhage van A°. 1598; van Hoorn 
(volgens Bodel Nijenhuis); van Leeuwarden van A°. 1603; van Leiden 
van A°. 1600; van Middelburg van A°. 1594; en van Nijmegen. 

Voorts prospecten van Amsterdam, Dordrecht, Franeker, Leeuw- 
arden, Leiden, Middelburg en Utrecht. 



VOORWOORD. 



Ook de stad Gent is in het bezit van een geschilderden platte- 
grond uit haar verleden : „La Grande Vue Panoramique de la Ville 
de Gand en 1534", groot 1.78 bij 1.33 M., met welk opschrift dit plan 
eenige jaren geleden door Arm and Heins te Gent, in negen bladen 
chromolithographisch in facsimile is uitgegeven. De stad Brugge 
bezit mede een hoogst waardevol plan in vogelvlucht door Mare 
Gheeraets geteekend en mede door Heins in facsimile uitgegeven. 

Doch zoo gelukkig als Amsterdam, Brugge en Gent zijn 
er slechts enkele steden, van daar, dat door het weinige, dat er, 
behalve de kerken, nog overig is uit ons Middeleeuwsch stede-leven 
en van het maatschappelijk zijn in die dagen, het nu, zooveel eeuwen 
na dien, hoogst moeielijk is, een in elk opzicht betrouwbaar beeld 
onzer steden uit haar toenmalig verleden te geven. Deze studie is 
dan ook slechts een eerste, slechts een hoogst bescheiden stap, op dit 
groote, nog onontgonnen terrein en niemand beter dan ondergeteekende 
beseft, hoeveel daaraan nog in bijna elk opzicht te kort komt. 

Achtereenvolgens zal nu, door tal van afbeeldingen toegelicht, 
worden behandeld : 

1. De Stad, als veilige, ommuurde Woonplaats, als Veste. 
II. De Stad, als Woon- en Handelsplaats in haar aan- en uitleg. 

III. De Stad met haar Kerkgebouwen, haar Kloosters en Godshuizen. 

IV. De Stad met haar Openbare Gebouwen. 

V. De Stad met haar Woon- en Bedrij fshuizen. 

VI. De Stad tijdens de XIII de , de XIV de , de XV de , de XVI de , de 
XVII de en de XVIII de eeuw, kortelijk vergelijkenderwijs beschouwd, 
gevolgd door een Chronologisch register, een algemeen overzicht 
gevend over enkele belangrijke data uit het leven onzer steden. 



's-Gravenhage. i=>^ ■,„„,, C. H. PETERS. 




Afb. N u . 2. 




Frontispice I. 



Poort met muurtoren te Kuilenburg. 

[Naar eene schets van C. Springer van 1864] 



INLEIDING. 



„De Handel is nog iets meer dan koopcn en verkoopen, 
hij brengt menschen en volken zaam, hij verandert de 
eentra zijner beweging tot middelpunten van verkeer, 
van ontwikkeling en beschaving, hij brengt welvaart, 
en met die welvaart nieuwe bedrijven en kunst" 

Onder de vele factoren , die hebben meegewerkt tot het ontstaan 
onzer steden, was de Handel de belangrijkste. 

Aan den Handel hebben inderdaad het meerendeel onzer steden 
zoowel haar opkomst als haar ontwikkeling, zoowel haar groei als 
haar bloei te danken. Onze oudste steden, zij lagen dan ook 
alle aan eene bevaarbare rivier, aan of bij de zeekust of aan een 
ouden heerweg. 

Onze oudste steden van eenige beteekenis, zij waren alle, 
bijna zonder uitzondering, handels-steden, die met de verplaatsing 
van haren handel, soms haar geheele beteekenis en waarde ver- 
loren en weer dorpen of buurten zijn geworden, zooals Stavoren, 
of in stille land-stadjes zijn veranderd, zooals Dockum voorheen 
aan de Middel-zee gelegen en zooals Wijk -bij -Duurstede, en 
ten blijke van heur vroegere beteekenis, u nu wijzen op haar groote 
kerkgebouwen en haar raadhuis, u wijzen op haar vroegeren omtrek, 
waarbinnen geheele straten met haar huizenblokken weer in moes- 
tuinen of in akkers zijn teruggegaan, zooals in Ar nem uiden, 
Enkhuizen, Veere, enz. Het was de handel inderdaad, die 
de daartoe gunstig gelegen dorpsbuurten, veranderde in markt- 
plaatsen, en die marktplaatsen in steden. 

Juist al de eigenschappen, welke eene stad onderscheiden van 

i. i 



2 INLEIDING. (bETEEKENIS VAX DEN HANDEL.) 

eene dorpsbuurt, van een dorp, zij ontstonden door en waren het 
gevolg van de behoeften van den handel. 

De handel, zich in 't verre verleden meestal op bepaalde 
dorpsplaatsen op bepaalde tijden concentreerend, deed aldaar zoo- 
doende vaste markten ontstaan, waarop dan tal van gewestelijke 
en vreemde kooplieden , zoowel mercatores als negociatores 
samenkwamen met hun ruilwaren, tot wier op- en uitstalling in kramen 
of tenten, ruimte, een marktplein noodig was, rond hetwelk men nu 
bij voorkeur ging wonen. 

En de kooplieden, die niet met lastdieren en hesse wagens, maar 
met hun schuiten of smakken of hoe die vaartuigen toen heeten 
mochten, ter markt kwamen, vroegen eene veilige ligplaats voor 
die schepen, en zóó ontstonden er havens tevens. 

De handel vraagt zekerheid van, toezicht op maat en gewicht, 
en zoodoende kwam de waag of het w r eeghuis en werd voor de 
lengte- en voor de inhoudsmaat eene eenheid vastgesteld, en die 
eenheid nu voor allen zicht- en meetbaar, vastgehecht aan kerk of 
toren of raadhuis. 

De handel vraagt spoedige oplossing en onpartijdige afdoening- 
van opkomende geschillen en verschillen ter markt ontstaan, en zoo 
doende kwam er een M a r k t-r e c h t en een Gerechts- of Ding-huis tevens. 
De handel vraagt een ter plaatse of gewestelijk erkend , in 
waarde zoo mogelijk vaststaand, gemakkelijk ruilmiddel, en zoo kwam 
met het geld ook de Munt, het Munt-gebouw. 

De handel vraagt veiligheid voor zijn goederen, zijn voorraden, 
en de stad omwalt èn omgracht, bepoort èn bebrugt zich, zij ver- 
andert zich in eene veste. 

De handel, bevreesd voor brand, verlaat zijn houten huizen 
met stroo of riet gedekt en bouwt zich nu steenen huizen, stinsen 
zelfs, met hard dak gedekt. 

De vreemde koopman heeft met zijn bedienden huisvesting noodig 
en verpleging, ingeval van ziekte en het Gasthuis ontstaat. De 
handel eischt voor verschillende zijner waren speciaal toezicht, een 
keur en eigen opslag- en verkoop-plaatsen tevens en zoodoende 
ontstaan de Hallen, de boter-hal, de la ken -hal, de vi sch- 
il al, de vleesch-hal, enz. 

De vreemde koopman heeft herstel noodig van zijn hessewagen of 
van zijn schuit of schip, van zijn tuigage of van zijn wapens, van zijn 
kleeding of schoeisel, en ziet, in de drukke marktplaatsen ontwikkelen 



INLEIDING. (BETEEKENIS VAN DEN HANDEL.) 



zich dientengevolge nu tal van speciale bedrijven, en uit hareland- 
bouw drijvende bevolking scheidt zich nu allengs af een kring van 
n ij v e r e n , evenals zich daaruit ook reeds de koopman had af- 
gescheiden. 

De eigenaardige behoeften aan verschillende bedrijven eigen en de 
gevaren aan andere verbonden, doen nu in die steden bepaalde 
bedrij fsbuurten of bedrij fswijken ontstaan, alwaar de volders en de 
kuipers, de smeden en de wagenmakers wonen en werken, alwaar 
wij de schuitemakerijen vinden, alsmede de leerlooierijen, de teer- en 
solt-siederijen, de zeil-makerijen en ook de drogerijen van allerlei aard. 

En die kooplieden, maar al te dikwerf, op hun vaak weken lange 
tochten van marktplaats naar marktplaats of van daar naar huis, 
blootgesteld aan afpersingen van allerlei aard en niet zelden verplicht 
om met levensgevaar hun goed te verdedigen , sluiten zich daarom 
bij elkander aan, en gaan nu samen op reis, samen al de gevaren en 
lasten deelend en elkaar helpend en steunend. Zoodoende verbonden zij 
zich tot broederschappen , tot gilden, die , zoodra zij de kracht 
van hun gezamenlijk kunnen begrepen, en over de noodige middelen 
beschikten, tal van belemmeringen wisten op te heffen of als 't moest 
vrij te koopen, en zich allerlei privilegiën wisten te verzekeren. 

De handel overschrijdt de plaatselijke en gewestelijke grenzen, 
opent ze, brengt de bewoners van verschillende steden, gewesten en 
landen tot elkaar, leert ze andere behoeften, andere zeden en andere 
wetten kennen en verspreidt tevens de kennis, de ontwikkeling en de 
beschaving elders reeds bereikt. 

De handel bracht allengs welvaart, en onder den invloed dier 
welvaart ontwikkelt zich nu de kunst, ontwikkelen zich nu tal van 
nieuwe behoeften, van nieuw^e bedrijven, die ten doel hebben het 
leven te veraangenamen en te vergemakkelijken tevens. 

Zóó, dank zij den handel, zijn tal onzer daartoe gunstig gelegene 
dorpsbuurten marktplaatsen geworden en hebben die markt- 
plaatsen zich ontwikkeld tot steden. 

Behalve de handel, waren er natuurlijk ook nog andere factoren, die 
tot het ontstaan onzer steden hebben geleid, doch geen dezer had d i e n 
invloed, die beteekenis, die blijvende w r aarde, gaf die groeikracht; 
het geheele stadsbegrip trouwens, was zakelijk grootendeels ontstaan 
door en met den handel. Één dier factoren was de behoefte aan 
bescherming. 

In dien tijd van het recht van den sterkste, zocht een elk, die 



INLEIDING. (BETEEKENIS VAN DEN HANDEL.) 



geen hoorige was, zich een beschermer en stelde zich onder de hoede 
van eene kerk, van een klooster of abdij, doch liefst van een burchtheer, 
op wiens kasteel men in tijden van gevaar met zijn gezin en vee een 
toevlucht had. Zoo zien wij rond tal van burchten in de X de , de 
XI de en de XII de eeuw, met toestemming van den burchtheer en 
op diens grond, zich allengs eene buurt vormen, die aangegroeid 
tot een dorp, of zelve eene marktplaats werd of, in navolging van deze, 
stad recht tracht en weet te verwerven , en zich dan omwald 
en bepoort en een Raadhuis gaat bouwen. 

Behalve Susteren, alwaar zich rond de omstreeks het jaar 714 
door Willebrordus gestichte abdij, en behalve Monnikendam, dat 
zich ontwikkelde rond het in het jaar + 1232 aldaar door de Premon- 
stratensers gestichte klooster, zijn mij geen steden bekend, die te 
onzent bepaaldelijk aan eene abdij of klooster haar oorsprong te 
danken hebben. 

Wij hebben geen steden, zooals Cluny in Frankrijk, zooals Peter- 
borough in Engeland, die beide, feitelijk eeuwen aaneen door èn 
van èn met de abdij, rond welke zij gebouwd waren, leefden en be- 
stonden, en evenmin kunnen wij wijzen op eene stad als Gent, die 
zich ontwikkelde tusschen en uit de beide dorpsbuurten, welke zich 
rond de oude abdijen van Sint Pieter en van Sint Bavo hadden ge- 
vormd, of op eene Stad als Cambrai, die rond den ringmuur, welke 
de cathedraal, het bisschoppelijk paleis en het Auberts-klooster omsloot, 
geleidelijk was ontstaan. 

Daar, waar reeds om of bij het Romeinsche kamp eene blijvende 
woonbuurt was ontstaan, zooals te Maastricht en misschien ook 
te Nijmegen, of waar reeds vóór of in den Carolingischen tijd een 
burcht of een kasteel bestond, zooals te Utrecht, daar vormde zich 
na de verwoesting dier vroegste woonbuurten rond dien burcht weder 
eene nieuwe woonbuurt, die op grond harer voor den handel gunstige 
ligging zich reeds spoedig tot eene marktplaats verder ontwikkelde. 

En ook daar, waar eerst in de IX de of in de X de eeuw, ter be- 
veiliging tegen de Noormannen, een burcht werd gebouwd, zooals 
in Antwerpen, Leyden, Middelburg, enz. , ook daar zien wij 
rond dien burcht zich al spoedig eene buurt vormen en ontwikkelen 
tot een dorp, en dat dorp, dank zijn handel en bedrijf, zich ontwik- 
kelen tot eene marktplaats, tot eene stad. 

En ook daar, waar, weer later, de Heer van een Gewest, 't zij 
Bisschop, Graaf of Hertog zich een kasteel liet bouwen tot verdediging 



INLEIDING. (BETEEKENIS VAN DEN HANDEL.) 5 



der grenzen of tot bescherming van zijn tol of tot een veilig verblijf, 
ook daar, zooals in Alkmaar, Delft, Dordrecht, 's G r a- 
venhage, Haarlem, Hardenberg, Medemblik, Montfoort, 
Muiden, Roermond, Vollenhove, enz. enz., ook daar, werd dat 
kasteel reeds binnenkort de kern eener woonbuurt, en wist die woon- 
buurt vroeger of later stadsrecht te verkrijgen en zich tot eene stad 
te ontwikkelen, 'sGravenhage alléén uitgezonderd, dat feitelijk 
steeds een open dorp is gebleven. 

En hetzelfde zien wij ook gebeuren waar een groot grond- 
bezitter, een Heer van A m . s t e 1 , een Heer van A r k e 1 of van Gouda, 
een Heer van Heukelum of van Heus den, een Heer van Kuilen- 
burg, Maten esse of Montfoort, een Heer van Valkenburg 
of van Woerden, zich op zijn goed een kasteel bouwde. Ook rond 
of bij die kasteelen vormde zich eene woonbuurt, die zich van een 
dorp tot eene stad wist te ontwikkelen. 

De arme visschershutten, die in de XIII de eeuw eene schuilplaats 
hadden gezocht en gevonden aan de oevers van den Amstel en van 
de Rotte, onder de muren der aldaar gelegen kasteelen, maakten 
plaats voor woningen van kooplieden en van nijveren, woningen, 
welke dat kasteel met zijn boomgaarden vervingen, en die beide, in 
hun aanvang arme visscherswijken, waren vier eeuwen later reeds 
handelssteden van den eersten rang. 

Inderdaad, hoe uiteenloopend van aard en aantal ook de factoren 
geweest zijn, die oudtijds aanleiding gaven tot de wording onzer 
steden, het was de Handel, met de bedrijvigheid van allerlei aard 
en met de welvaart, welke hij te voorschijn riep, die onze steden 
bij heur wording en ontwikkeling moest steunen. Waar die steun 
uitbleef of zich terugtrok, daar hield ook de verdere ontwikkeling 
van dat stedeleven op, en zien wij die steden allengs weer afnemen in 
macht, invloed en beteekenis en feitelijk weer eene dorpsbuurt 
worden, tot zij opnieuw verkeers-centra geworden of door de vestiging 
van een tot bloei komenden nijverheidstak herlevend, eene nieuwe 
bloeiperiode doormaken, opnieuw beteekenis en invloed krijgen. 



HOOFDSTUK I. 

De Stad in hare wording, als veilige, ommuurde 
Woonplaats, als Veste. 



S 



„Veiligheid, was eertijds de eerste levensvoor 
waarde voor het bestaan eener Stad.'' 



alig is de Stadt en seer gepresen, 

Die peist om Oorlog in tijdt van Vrede. 



Dit zijn de woorden, welke de stad Enkhuizen ten jarc 1540 
op hare toen nieuw gemaakte Suider-Poorte deed beitelen, hetzelfde, 
wat te Emmerik op hare karakteristieke doch oudere Water-poort 
stond: „Felix Civitas . quae Tempore Pacis.de Bello cogitat". 

„Die prijsstelt op zijn veiligheid, wapenc zich ten oorlog." 

Dit was inderdaad, van af de alleroudste tijden reeds, het wachtwoord 
van bijna elke Stad. Babyion en Niniveh, zij waren een 2000 jaar 
vóór Christus reeds beroemd door haar sterke ommuringen , evenals het 
oude Ilium of Troje reeds een 1500 vóór Christus, evenals de steden van 
Etruscic, als oud-R o m e en als oud-A t h e n e. Ook in Gallië, vond J u lius 
Ce sar, toen hij dit in de jaren 58—50 vóór Christus met zijn legioenen 
kwam onderwerpen, reeds tal van met zorg omwalde goed verdedigbare 
steden, waarvan hij enkele, zooals de stad Alesia, bezuiden Besancon, 
slechts na eene moeitevolle en langdurige belegering kon innemen. 

De Germanen, onze voorouders, hadden en kenden echter geen 
steden. Nadat zij hun zwervend leven, met hun groote kudden 
telkens andere weideplaatsen opzoekend, verwisseld hadden tegen 
vaste woonplaatsen en van een herders-volk langzamerhand een 
1 andbouw-volk geworden waren, woonden zij bij voorkeur op 
uiteengelegen hoeven, om welke zich soms in verloop van tijd 



HET GERMAANSCHE TIJDVAK. — ROM. PERIODE. - - OUD-MAASTRICHT. 7 



woonbuurten vormden, hoeven en buurten, niet zelden tot bijeen- 
houding- van het vee of tot bescherming tegen wilde dieren omwald 
of met dicht geboomte omhaagd of met een vlechtwerk van rijs- of 
twijghout omteend of omtuind. In tijden van oorlogsgevaar, trokken 
zij met hun vee binnen het dichtst hunner bosschen of binnen hunne 
door moerassen gedekte wijkplaatsen of wel binnen hunne daartoe 
omwalde en omgrachte vluchtheuvels, hun z. g. n. hunneschansen. 
Steden, in den zin eener groote woonbuurt, door eene palissadeering 
of omwalling en omgrachting ter verdediging omsloten, kenden of 
hadden zij, vóór de komst der Romeinen hier te lande nog niet. 
Wel meent de archivaris van Nijmegen, H. D. J. van Sche- 
v ie ha ven, dat aldaar reeds tijdens de Kelten, minstens vier 
eeuwen vóór Christus, eene verdedigbare, eene omheinde woonbuurt, 
eene stad zou zijn ontstaan, door hen Noviomagum genoemd, 
waarin zich later de Batavieren vestigden. Dat echter dit Oppidum 
Batavodorum door Civilis, wijkend voor de Romeinsche overmacht, 
verbrand, inderdaad eene versterkte, eene verdedigbare woon- 
buurt is geweest, blijkt uit geen enkel zakelijk gegeven, en meen ik 
daarom vooralsnog niet te mogen aannemen. 



De Romeinsehe periode. 

Eerst tijdens de Romeinsche overheersching, van af + 15 vóór 
tot ± 350 na Christus, leerden onze voorouders de gesloten, de 
ommuurde Romeinsche vaste kampen of legerplaatsen, de c as tra 
kennen, zagen zij bij of rond enkele dier castra eene woonbuurt 
ontstaan, die marktplaats geworden, zich veiligheidshalve mede 
ommuurde of omwalde of ompalissadeerde of omhaagde. Zóó kregen 
zij het eerste begrip eener om veste woonstede, tenzij zij, als krijgs- 
lieden opgenomen in de Romeinsche legioenen, of deze als hulptroepen 
begeleidend op hun tochten door Gallië en naar Italië ommuurde steden 
hadden leeren kennen , hadden helpen belegeren of verdedigen zelfs. 

Oud-Maastricht. 

Het waarschijnlijk eenigste castrum dat te onzent tijdens de 
Romeinen tot eene ommuurde en verdedigbare stad aangroeide, was 
dat te Maastricht, was T r a j e c t u m in M o s a m. In den grooten 
heirweg van Lyon over Parijs naar Tongeren en van daar naar 



8 DE ROMEINSCHE PERIODE. — OUD-MAASTRICHT. 



Keulen, het Romeinsche Colonia Agrippina, lag ter plaatse waar 
het riviertje de Jeker in de Maas viel, over die Maas eene vaste brug, 
de Pons Mosae, door een vast kamp, een castrum bezuiden en een 
verdedigbaar bruggehoofd benoorden beschermd. Buiten dat kamp nu 
vormde zich eene woonbuurt bestaande uit de canabae van nering- 
doenden en uitgedienden *), eene woonbuurt die zich reeds vroegtijdig 
ontwikkelde tot een Municipium en later tot de stad Maastricht, 
terwijl zich rond het bruggehoofd een kleinere woonbuurt, een vicus 
of wijk vormde. 

Op nevenstaand historisch plan dier stad, afbeelding N°. 3, 
een plan door Jhr. Mr. V. de Stuers ontworpen, geeft de gearceerde 
vierkante binnenruimte van ongeveer 360 M. diameter de ligging en 
afmeting van het castrum aan, met zijn beide elkaar rechthoekig 
kruisende hoofdstraten op de vier poorten uitloopende. Tegenover de 
Maasbrug, toen + 250 M. meer zuid- of stroomopwaarts gelegen dan 
nu, bevond zich de Porta Pretoria of de Porta Regia, de latere Onze 
Lieve Vrouwe Poort, terwijl de Via Regia, de door het castrum 
gaande en dit in tweeën deelende groote Hecrweg, westwaarts aanliep 
op Tongeren en oostwaarts over de brug en het bruggehoofd, 
op Keulen. 

De Jeker met haar moerassige lage uitmonding, dekte de 
zuidzijde van het castrum, haar tevens van drinkwater en van be- 
weegkracht voorziende, dat zich van wege zijn gunstige ligging aan 
de toen bevaarbare Maas en bij de brug in den grooten Heerweg, 
reeds vrij spoedig tot een woon-centrum, tot een handels- en markt- 
plaats, tot eene stad ontwikkelde. 

Van haar eerste bestaan als stad is echter bij de herhaalde 
en bijna algeheele verwoestingen, die zij zoowel tijdens als na het 
vertrek der Romeinen heeft ondergaan, niets overgebleven dan eenige 
fundeeringsresten, dan enkele hypocausten, graven, urnen en munten. 
Niets, behalve een klein gedeelte van den ouden Heerweg en 
het ondergedeelte dier Porta Regia, breed binnen haar rechtstands- 
pijlers slechts 2.20 M. Bij de slooping der Onze Lieve Vrouwe Poort 
in het jaar 1868, vond men op + 3 M. beneden de toenmalige 
bestrating den voet dier oud-Romeinsche poort met den er door- 



] ) In zijn „Vraagstukken, in de Geschiedenis van Nijmegcn's Voortijd" heeft 
H. D. J. van Schevichaven de vorming dier woonbuurten bij de Romeinsche 
kampen en hun overgang soms tot stad op het duidelijkst aangetoond. 



•HISTORISCHE PLATTEGROND VAN MAASTRICHT. 




Afb. N°. 3. 



10 DE ROMEINSCHE PERIODE. - - OUD-MAASTRICHT. - - OUD-NIJMEGEN. 



loopenden weg 1 ); zooveel was sedert, evenals zulks trouwens in 
meerdere of mindere mate in al onze riviersteden het geval is, den 
grondslag dier stad in die 19 eeuwen geleidelijk verhoogd. 

Dat Maastricht reeds zóó vroegtijdig eene verdedigbare stad 
moet zijn geweest, blijkt ten vollen uit het feit, dat bisschop Servatius 
ten jare 384, uit vrees voor de Hunnen welke Gallië waren binnen- 
gevallen, den zetel van zijn bisdom van uit het bijgelegen Tongeren 
naar hier overplaatste. Daardoor eene Bisschopsstad geworden, de 
eerste en langen tijd ook de eenigste in ons land, bleef zij zulks, 
naar men meent, tot in het jaar 721, toen die zetel opnieuw en wel 
naar Luik verplaatst werd 

Behalve Maastricht waren er wel is waar nog andere Romein- 
sche castra of centra te onzent, maar van deze is, althans voor zoover 
dit nu nog is na te gaan, behalve Nijmegen, geen enkele de kern 
geworden eener nog bestaande stad. 

Oud-Nijmegen. 

Ter plaatse van het door Civilis verbrande Noviomagus, de 
Kelto-Bataafsche woonbuurt, vestigden, volgens H. D. J. v. Schevic- 
haven, de Romeinen eene kamp- of legerplaats aan de rivierhelling, 
nevens den ouden heirweg die van uit de Betuwe komend, aldaar de 
Waal kruiste, eene legerplaats, tot dekking en bescherming van den 
rivier-overgang, per brug of veerschuit, dienend. 

Bij dit kamp vormde zich nu aan den Waal-oever eene buurt van 
neringdoenden, doch dit alles werd bij een der invallen der Saliërs of 
Franken geheel verwoest en hetgeen er nog was overgebleven, door 
hen, die er zich daarna opnieuw vestigden, zóó volkomen ten eigen 
bate verbruikt, dat de scherven en brokstukken daar sedert gevonden, 
ons omtrent het bestaan eener vroegere stad, omtrent hare ommuring, 
hare gebouwen, tempels en afmeting geen stellige gegevens aanbieden , 
zooals dit in Andernach, Bonn, Keulen, Worms en andere 
Rijn-steden wel het geval is. Evenmin blijkt of Drusus, op de 
hoogte het Valkhof genoemd, een zijner castella heeft gebouwd, zoo 



! ) In deel XVIII, jaarg. 1881 , van de „Publieations de la Société Historique 
et Arehéologique dans Ie Duché de Limbourg", heeft de Heer V. De Stuers in 
4 platen het in 1868 gevonden gedeelte dier Romeinsche Porta Regia, afgebeeld en 
toegelicht, terwijl in datzelfde deel wordt meegedeeld, al hetgeen er te Maastricht 
uit haar Romeinsch tijdvak gevonden is. 



DE ROMEINSCHE PERIODE. 11 

ja, dan is ook daarvan niets overgebleven, althans tot dusverre 
niets teruggevonden. 

Aan den Vliet bij Voorburg lag het Forum Hadriani, 
zijnde volgens de opgravingen van Professor Reuvens in 1828 — 30, 
eene vrij uitgestrekte Romeinsche marktplaats '); aan den Rijnmond 
bij Katwijk ligt nog in zee het fondament van het kasteel Brit- 
ten burg 2 ), tot dusverre steeds van Romeinschen herkomst, doch 
nu door Dr. J. H. Holwerda Jr. van jongere dagteekening beschouwd. 
Op de Zeeuwsche kust, op Walcheren ligt het oude Domburg, met 
zijn Nehalennia's in zee, terwijl de fundeering van het kasteel Fle- 
vum, door Drusus op zijn vloottocht ten jare 10 vóór Christus bezocht, 
nog steeds aan of onder een onzer Noord- of Zuiderzee-kusten 
onvindbaar verscholen ligt. 

Geen dezer plaatsen, er waren er meerdere nog, heeft zich echter 
(het Forum Hadriani misschien uitgezonderd) als Maastricht, als 
Tongeren, als Keulen, als Trier of als Parijs, tijdens de 
Romeinsche overheersching reeds tot eene stad ontwikkeld. Nijmegen 
toch, was reeds eene belangrijke woonbuurt van de Batavieren, vóór 
de Romeinen aldaar een hunner castra aanlegden. 

Tegen het midden van de IV de eeuw na Christus, omstreeks 
het jaar 350 of iets later, toen Italië zelve bedreigd, hare legioenen 
van hier terugriep, werd, tijdens den inval van en den strijd met 
de ruwe Germaansche stammen, die deels zich hier vestigden, deels 
doortrokken, bijna alles verbrand en vernield, wat er tijdens de 
Romeinen was gebouwd, en wat toen nog niet geheel vernield 
werd, dat werd nadien langzamerhand door de omwonenden gesloopt, 
die de afkomende materialen verbruikten voor eigen behoeften. Van 
daar, dat wij uit onze Romeinsche periode van de enkele woon- 
en markt-centra, welke zich toen van lieverlede hadden gevormd, 
niets over hebben, dan hetgeen er in onzen bodem, aan onze 



1 ) Van wege de vereeniging „Die Haghe", is in 1908 op de buitenplaats 
„Arentsburg" het onderzoek naar deze Romeinsche vestiging voortgezet, en 
toen volgens Dr. Holwerda gebleken, dat hier eertijds het „Lugdunum Batavorum" 
of het „Praetorium Agrippinae", eene Romeinsche stad, zou hebben bestaan. 

2 ) De fundeering van dezen in tufsteen gebouwden burcht kwam in 1520 
voor 't eerst van onder de duinen te voorschijn en lag in 1694 op ruim 1600 M. 
buiten het strand van Katwijk in volle zee. 



12 DE FRANKISCHE PERIODE. 



riviermonden en kusten misschien nog verscholen ligt, of bereids 
gevonden en in onze Musea aanwezig is. 



De Frankische periode. 

Saksische en andere volksstammen, tegen het einde der IV de 
of in het begin der V de eeuw van uit het noordoosten komende, 
vestigden zich te onzent, de oorspronkelijke bewoners deels ver- 
dringend, deels in zich opnemend, door de Franken, in of tegen 
het midden der VII de eeuw onderworpen en met geweld tot het 
Christendom bekeerd. 

Omtrent den feitelijken toestand van ons land, zoowel tijdens 
als na de Romeinen, en in de eeuwen, welke onze Romeinsche 
periode scheiden van de Frankische, weten wij zoo goed als niets. 
Eene geschreven geschiedenis, 't zij dan in oorkonden, of in bouw- 
werken, bestaat er van dat tijdvak niet, er werd toen bijna niet 
geschreven en niets anders gebouwd, dan 't geen de behoefte van eiken 
dag vroeg, bouwwerken van hout, met riet gedekt, of van twijgen, met 
leem bekleed en met stroo afgedekt, welke met de behoeften die ze 
te voorschijn riepen, ook weder verdwenen en geen spoor zelfs achter- 
lieten in het pad der eeuwen. 

Het eenigste, wat wij omtrent dat tijdvak weten, is gehuld in 
den vorm van verhalen, van overleveringen, van legenden, die in 
hun eigenaardig kleed, toch hoogstwaarschijnlijk een kern van waar- 
heid bevatten. Eerst met en door de levensberichten der zendelingen, 
die hier, met opoffering van hun leven soms, het Christendom 
brachten, komt er eenig licht in die duisternis, komen er enkele 
persoons- en plaatsnamen te voorschijn. 

Wij leeren nu kennen onzen Willebrordus, die stierf in 736, 
onzen Bonifacius, gestorven in 753, onzen Weren fridus, gestorven 
in 760, onzen Lebuinus, gestorven in 775, onzen Plechelmus en 
Lambertus, onzen Ludger, W r illehadus en Wil fridus, en wij 
vernemen nu tevens tal van plaatsnamen en daaronder reeds enkele 
meer of minder belangrijke handels- of marktplaatsen , als : D e v e n t e r, 
Dockum, Oldenzaal, Ootmarsum, Nijmegen, Stavoren, 
Wij k-bij -Duur stede, Utrecht, enz. 

Onder bescherming van den Frankischen Koningsburcht aan den 
Rijn te Utrecht, vestigt Willebrordus daar nu ten jare 666 den 



DE FRANKISCHE PERIODE. — DE TIJD DER NOORMANNEN. 13 



zetel van zijn bisdom, en rond dien burcht en om de eerste christen- 
en kapittel-kerk aldaar met haar geestelijke school, vormt zich 
nu van lieverlede eene dra bloeiende stad, het Trajectum ad 
Rhenum, evenals drie eeuwen vroeger, rond het Romeinsche castrum 
en rond de kerk en het graf van Sint Servatius, het Trajectum 
in Mosara zich reeds tot eene stad van eenige beteekenis had 
ontwikkeld. 

De strijd onzer voorouders met de Franken en tegen hunne 
bekeering tot christenen, werd eerst tijdens Kar el den Gr o o ten, tegen 
het begin der lX Je eeuw, in of omstreeks het jaar 802 voor goed 
beëindigd, en het Carolingische tijdvak, met dien vorst begonnen, 
was dan ook van groote beteekenis en invloed op onze maatschappelijke 
ontwikkeling in het algemeen en op de vorming en groei van nieuwe 
woon-centra en vooral op den overgang van enkele dezer tot handels- 
en marktplaatsen, tot steden. 



De tijd der Noormannen. 

Dat Carolingische tijdvak was echter van te korten duur, en de 
vooruitgang en de welvaart die het bracht, gingen dra te loor, 
verlamd of vernietigd als zij werden, door de herhaalde roof- en 
moordtochten der Noormannen, die onder de zwakke opvolgers 
van Karel den Grooten steeds stouter wordend, onze open rivier- 
monden met hun kleine sterk gebouwde vaartuigen, hun vikings, 
binnenzeilden en alle handel onderbraken, bij voorkeur juist de markt- 
en handelsplaatsen met hun bezoek vereerend en uitkiezend, ter 
uitplundering en ter overwintering zoo noodig. 

In de studie van J. H. van Bolhuis: ,,De Noormannen in 
Nederland," is vrijwel bijeengebracht al hetgeen er omtrent dien tijd, 
een der rampvolste van ons land, bekend is en daaruit blijkt dat 
Aardenburg (toen Roodenburg genoemd), Deventer, Doesburg, 
Ezons-stad, Groningen, Maastricht, Nijmegen, Stavoren, 
Ti el, Utrecht en Wij k-bij -Duurste de, enz., destijds alle reeds 
handels- of marktplaatsen van meerdere of mindere beteekenis waren, 
waarvan Tiel en Duurstede vooral toen bijna voor goed werden 
geknakt, terwijl Ezons-stad zelfs ophield te bestaan. 



14 DE TIJD DER NOORMANNEN. — DUURSTEDE. 



Duurstede. 

De oude aan den Rijn gelegene Dorestad was reeds in de 
VII de en VIII ste eeuw het middelpunt van den Frieschen handel, 
eene der belangrijkste, volgens W. Vogel l ), zelfs de eerste handels- 
plaats van het Frankische Rijk, het middelpunt toen van den handel 
op den Rijn, op Engeland en op de Oostzee, alwaar kooplieden van 
noord en zuid, van oost en west met hun schepen en goederen 
bijeenkwamen, en men toen reeds Engelschen en Vlamingen, Denen 
en Noren, Noord- en Zuid-Duitschers met hun waren kon vinden. 

Van af het jaar 834 bij herhaling door de Noormannen geplun- 
derd, werd zij, hoezeer aan de Deensche Vorsten Herald en Rorik 
in leen afgestaan, zoo vaak tot winterkwartier door die roovers 
benut en gebrandschat, dat zij totaal geknakt, met haar handel ver- 
viel en te niet ging, althans van haar zelve is verder geen sprake 
meer, wel van een W ij k bij het vroegere Duurstede en op 
12 Maart van het jaar 1300 verheft Ghijsbert van Abcoude nu die 
woonbuurt, zijn dorp Wijc tot stad en geeft het privilegiën. 

Op 1 Sept. 1406 wordt het begiftigd met eene jaarmarkt op 
11.000 Maagdendag (21 October), zullende de vrijheid of het vrijgeleide 
van buitenlieden 3 dagen vóór en 3 dagen na dien marktdag duren 
en op 20 Jan. 1457 verklaren schepenen der stad Wijck, dat Jacob, 
Heer van Abcoude en Heer der Steede, uit vrees voor oorlog, de 
versterking der stad bevolen en in overleg met het gerecht, tot 
dekking der kosten, eene omzetting over de poorters, ieder naar zijn 
vermogen, gelast had; dat bij den omgang daartoe de schout en het 
gerecht niet alleen niets ontvangen hadden, maar nog bovendien 
beleedigd en mishandeld waren, waarop de Heer der stad last gaf, 
de voornaamste belhamels te vatten met verbeurdverklaring hunner 
lijven en goederen. 

Op verzoek evenwel van den Bisschop van Utrecht, van de 
Staten des Lands en van het Kapittel binnen W ij c k, verleende de Heer 
hen echter gratie, op voorwaarde, dat zij eenige offerhanden en bede- 
vaarten zouden doen, waarna zij op de markt, voor den Heer met 
zijn Raad, Gerecht en het Volk, moesten zweren de hen gestelde 



') Uit de studie van Walther Vogel: „die Normannen und das Frankische 
Reich (799 — 911)" blijkt, dat in de tweede helft der IX de eeuw de Noormannen 
zoo goed als meester waren van geheel ons land. 



OUD-TIEL. 



KAREL DE KALE. 



15 



voorwaarden getrouwelijk te zullen nakomen. Misschien is zij toen 
ommuurd en kreeg zij den plan vorm op afb. N°. 38 voorgesteld, naar 
eene teekening uit de XVII de eeuw. 

Oud-Tiel. 

Ook de visschersbuurt Tijl, zoo genoemd, omdat zij aanvankelijk 
slechts bestond uit ééne Rije of Tijl huizen langs den oever van de 
Waal, wist zich reeds spoedig tot eene handelsplaats te ontwikkelen. 
Door de Noormannen verwoest omstreeks het jaar 838, werd zij 
herbouwd en de „nova atque lapidea civitas", zooals een charter van 
9!30 haar noemt, in het jaar 1009 opnieuw door hen geplunderd. 
Gunstiger dan Wij k-bij -Duurstede gelegen, welks Rijnarm aan 
zijn mond van lieverlede verzandde, wist zij eene handelsstad te 
blijven; haar kooplieden, ten jare 1018 reeds in een Gilde vereend, 
de „Mercatores Tielenses", dreven vooral handel op Engeland; de 
opkomst van Dordrecht en de verplaatsing van den tol belette 
echter haar verdere ontwikkeling, door herhaalde belegeringen en 
groote branden gaandeweg afnemende, tot ten jare 1286 Reijnold 
van Gelder haar bij verrassing innam, hare muren deed neerwerpen 
en haar tot eene open stad maakte. 




Afb. N°. 4. Een oude viking-, of vaartuig der Noormannen, breed 3.50 M., lang 15 M. 



16 KAREL DE KALE. — BURCHTEN-BOUW. — DE BURCHT TE LEIDEN. 



Om de strooperijen en invallen der Gelderschen te beletten, ging" 
zij zich echter in 1305 opnieuw bemuren, een muur, ter wille der kleine 
vóórstad bij de Zantwijksche poort, later nog een weinig uitgelegd. 

Burchtenbouw. 

Karel de Kale, (840—877), de kleinzoon van Karel den Grooten , 
ten eenenmale onmachtig om zijn Rijk tegen de invallen , ver- 
woestingen en bezettingen der Noormannen te vrijwaren, machtigde 
bij decreet zijn graven en onderdanen, wier dagelijksch gebed was: 
„Van de woede der Northmannen, verlos ons o Heer!", om tot eigen 
veiligheid en ter verdediging burchten te bouwen en dientengevolge 
zijn er toen waarschijnlijk niet alleen tal van steenen burchten gesticht, 
maar ook enkele kerken en kloosters bij wijze van burcht versterkt 
en in verdedigbaren toestand gebracht; ook de Frankische konings- 
verblijven te Bladel, Meersen, Nijmegen en Utrecht zijn toen 
misschien mede als burcht ingericht en versterkt. 

Tot de burchten, toen gebouwd, hetzij tot verdediging van de 
rivieren , hetzij tot beveiliging der streek en tot wijkplaats voor de 
omwonenden ingeval van nood, meen ik, hoezeer van het meeren- 
deel elk spoor bijna is verloren gegaan, geslecht als zij zijn na eene 
eerste of zooveelste bestorming, of gesloopt in of na de XI de eeuw, 
toen de rooftochten der Noormannen ophielden, tot die burchten 
meen ik te mogen rekenen , die te Antwerpen, B r a k e 1 , Breda, 
den Burg op 't eiland Schouwen, te Doesburg, Haemstede, 
Heukelum, Heus den, Leiden, Oostburg, Oostvoorne, 
O sten de in Goes, te Middelburg op 't eiland Walcheren, 
en te Noord wc 11e, eene opgave, stellig verre van volledig en 
misschien ook niet in allen deele juist, ontleend als zij is aan ver- 
schillende mededeelingen en berichten. Van deze burchten nu, zijn 
onderscheidene de kern eener woonbuurt geworden, die zich verder 
tot stad heeft kunnen ontwikkelen. 

De Burcht te Leiden. 

Van al die burchten toen gesticht, is er gelukkig één enkele 
overgebleven , de Burcht te Leiden; wel is waar niet meer vrij door 
den Rijn omspoeld en niet meer in allen deele intakt, maar toch 
voldoende, om ons een duidelijk denkbeeld te geven van een burcht 
uit dien tijd. 



DE BURCHT TE LEIDEN. 



17 




Afb. N°. 5. De Burcht te Leiden, naar H. Haestcns. 



Juist daar, waar de Rijn zich onder een vrij scherpen hoek splitst 
in twee armen, werd op den hoek door die splitsing gevormd en 
door die beide rivierarmen omsloten, de Burcht gesticht, op de 
afbeeldingen N os . 5, 6 en 7 voorgesteld. 

Door het graven eener breede gracht met gebogen beloop, de 
beide Rijn-armen verbindend, werd van dien hoek een driehoekig 
gedeelte afgescheiden en met den kleigrond uit die gracht daarop nu 
een ronde heuvel opgeworpen van ± 250 voet diameter (+ 68.5 M.) 
bij 50 voet (+ 15.7 M.) hoogte en boven op dien heuvel nu van tufsteen 
de burcht gebouwd, zijnde feitelijk, slechts eene cirkelvormig om- 
sloten opene ruimte, door een ringmuur met weergang of ommeloop 
omsloten, eene ruimte, waarb i n n e n in tijden van gevaar de omwonenden 
met hun vee, eene wijk- en eene verdedigingsplaats tevens vonden, 
evenals in vroegere eeuwen in 't Geldersche en in 't Overijselsche 
de bewoners binnen hunne ringvormig om walde, omgrachte en 
ompalissadeerde schansen, hun wijk- en verdedigingsplaatsen hadden 
gezocht. 

Die hunneschansen, zij waren feitelijk onze eerste of oudste 

vaste burchten, voorafgegaan misschien door de wagen-burchtcn , 

waarbinnen onze voorouders tijdens hun herdersbestaan zich in 

tijden van nood verschansten; en die hunneschansen hebben blijkbaar 

1. 3 



18 



DE lïURCIIT TE LEIDEN. 



weder ten voorbeeld gediend voor de eerste steenen burchten, wier 
ringmuren echter hun vorm en samenstelling ontleenden aan die der 
Romeinsche castra en der Romeinsche steden. 

Uit de afbeeldingen blijkt voldoende den vorm van den burcht 
van Leyden, beslaande eene niet precies cirkelvormige ruimte van 




Afb. N°. 6. De Burcht te Leiden in 1670. 

120 voet (37.40 M.) buiten- en van 107 voet (33.30 M.) binnen-diameter x ), 
omsloten door een zwaren steenen ringmuur, aan de binnenzijde bezet 
met twee en twintig diepe, halfrond overwelfde nissen, van onge- 
lijke breedte. 



J ) In het Bouwkundig Tijdschrift, jaarg. 1890, is de dat jaar gerestaureerde 
burcht volledig afgebeeld. 



DE BURCHT TE LEIDEN. l l > 



Het gewelf dier nissen, vlak aangevloerd, draagt den rondgaanden 
weergang of den ommcloop, door eene gekanteelde borstwering langs 
de buitenzijde beschermd, zie afb. N°. 7. Vanaf dien weergang, behalve 
die borstwering 2.10 tot 2.40 M. breed en oorspronkelijk 13 voet (4.07 M.) 
boven het burchtplein en ± 21 M. boven het rivieroppervlak gelegen, 
had men een naar alle zijden vrij en onbelemmerd uitzicht, zoo 
wel over de rivier als over het omringend landschap en kon men , 
zelf gedekt, de aanvallers door beschieting met pijlen en het werpen 
met stcenen op een afstand houden, terwijl de steile, hooge heuvel- 
helling eene bestorming niet weinig bemoeilijkte en een nuttig 
gebruik van houten aanvalstorens of cvenhoogen, vrij lastig maakte. 

Waarschijnlijk werd de voet van den burcht nog door eene palis- 
sadeering of door een ommuurd voorwerk met toegangspoort be- 
schermd, althans de oud-Engelsche burcht Trema ton, in 't Graaf- 
schap Cornouailles, door J. Strutt in zijn: „Angleterre ancien ne" afge- 
beeld, die in allen deele met onzen Leidschen Burcht overeenkomt, heeft 
een zoodanig voorwerk, dat echter ook uit Interen tijd kan dagtcekenen. 

Eene gemetselde trap, hoog lö treden met tusschen-bordes, geeft 
binnen den burcht toegang tot den weergang, in wiens gekanteelde 
borstwering, zwaar 0.4<S M., de insnijdingen of openingen eene breedte 
hebben afwisselend tusschen 0.73 M. tot 0.93 M. bij eene diepte van 
1. — M. tot 1.50 M., terwijl de tinnen zelve in hoogte boven den weer- 
gang verschillen van 1.60 M. tot 2.10 M. bij eene breedte van 2.10 M. 
tot 2.42 M. 

Die borstwering, welke door bestormingen en van het weder het 
meest te lijden had, is dan ook sedert de X de eeuw herhaalde malen 
vernieuwd en daarbij met schiet-spleten in zijn tinnen voorzien, bij 
latere vernieuwingen echter weder ten deele verdwenen ; ook van de 
uitkraging, waarop volgens afb. N°. 5, in 1619, die borstwering blijk- 
baar rustte, is thans geen spoor meer aanwezig. 

Twee groote half rond gesloten ingangen, in dien vorm mede 
van lateren tijd, geven nu toegang tot het ruime opene burchtplein, 
met hoog opgaand geboomte bezet; in één der nis-pijlers vond men, 
tijdens de herstelling in 1890, een clleboogvormig uitvalspoortje, aan 
de buitenzijde slechts 0.63 M. breed en 1.80 M. hoog, doch zich 
binnenwaarts verbreedend tot 0.87 M., tevens bleek toen de grondslag 
binnen den burcht in verloop van tijd meer dan 1 AI. hooger te 
zijn geworden. 



20 DE BURCH1 i'H LEIDEN. 



Dc 1.12 M. tot 1.50 M. diepe nissen langs de binnenzijde van den 
ringmuur, dienden niet enkel om bouwsteen te sparen, maar vormden 
tevens overdekte beschuttingen voor de verdedigers, die in tijdelijke 
houten gebouwen of onder afdaken, in der haast op het burchtplcin 
opgeslagen, hun verblijf hadden. Die nissen zelve verschillen, evenals 
de haar scheidende dammen van 3.22 M. tot 3.93 M. in breedte, en 
de dammen van 1.04 M. tot 1.45 M., verschillen, die evenals de hoogst 
onregelmatige cirkelvorm van den ringmuur aantoonen, dat de bouw 
vrij overhaast heeft plaats gehad. 

Evenals in de tinnen der borstwering is later ook in het midden 
van elke boognis in den sluitmuur een schiet-spleet aangebracht, 
waarschijnlijk in de tweede helft der XIV de eeuw ten behoeve der 
busse-schutters, schietspleten bij latere herstellingen van den burcht 
echter mecrendeels weder gedicht en nu nog slechts als moet zicht- 
baar. Van lateren tijd zijn mede de kleine vierkante gaten, over de 
volle muurdikte in enkele nissen aanwezig, blijkbaar dienend voor 
daarin te steken houten liggers, die van buiten uitspringend, een houten 
overkapping over den weergang moesten dragen, voorzien van werp- 
gaten in de bevloering, eene overkapping misschien aangebracht bij dc 
belegering van den burcht ten jare 1203. 

Eene diepe put leverde op het burchtplein het noodige drink- 
water aan dc daarin belegerden ; hoe vaak die burcht belegerd 
is, blijkt nergens, doch wel, dat zich bewesten het burcht-eiland 
allengs eene woonbuurt vormde, met eene kleine Sint-Pieters-Kerk 
tot middelpunt, eene woonbuurt die zich langzamerhand ontwikkelde 
tot eene markt- en bedrij fsplaats, tot eene stad, alwaar de Graven 
van Holland in de XII de en XIII de eeuw bij voorkeur verblijf 
hielden en Willem II in 1228 en Floris V in 1255 geboren 
werden. 

In welk jaar zij stadrecht gekregen, zich ommuurd, omgracht, 
bepoort en betorend heeft, blijkt niet, haar oudste oorkonden toch 
zijn verdwenen, doch in elk geval had zulks plaats lang vóór 1260, 
volgens Pleijtc in 1186. 

Bekneld rakende binnen hare ommuring, wist zij (volgens Or Iers) 
in 1294 van Floris V vergunning te verkrijgen tot haren eersten uitleg 
en tevens den Burcht-Strenc van den Graaf aan te koopen en alsnu 
werd met dien Strenc ook de Burcht binnen de nieuwe ommuring- 
opgenomen, en breidde de stad zich langs den Ouden Rijn oost- 
waarts uit tot aan de toen gegraven Heerengracht, bezuiden omsloten 



DE BURCHT TE LEIDEN. 



21 



door den Nieuwen Rijn en de Steenschuur en bewesten door het 
Rapenburg. 

Het Burcht-eiland bleef nog eenige jaren in zijn ouden verdedig- 
baren toestand, in 1361 echter verkocht de Burggraaf reeds huizen 




Afb. N°. 7. De Burcht van binnen, naar een photo. 



langs of aan den Burcht, die nu van lieverlede geheel ombouwd 
werd, behalve aan de oostzijde, alwaar, op plattegronden van het 
einde der XVII de eeuw, nog een smalle burchtgracht aanwezig 
is, tot ook deze eindelijk verdween en de burcht, nu rondom 
met huizen en tuintjes omzet, veranderde in een curiosum, bij wijlen 
dienend tot uitspanningsplaats, tot labyrint, tot speelplaats en wat 
dies meer zij. 

Het Burcht-terrein door aanhu wel ijking van het geslacht dei- 
burggraven de Wassenaars, het eigendom geworden van de familie 
De Ligne, werd door haar in 1651 voor 11. 70.000 aan de stad ver- 
kocht, die dit in zijn soort eenig historisch monument gelukkig 
tot heden in stand heeft gehouden. 

Den weergang rondgaande heeft men nog steeds een eigen- 
aardig gezicht in en op en ten deele ook over de stad en op het 
slecht onderhouden Burchtplein, met een 17-tal boomen bezet, wier 



90 



DE BURCHT TE LEIDEN. 



kruinen hoog boven de kanteelen uitkomen, deze ten deele over- 
dekken tevens en de burcht zelf daardoor, van uit de stad gezien, 
bijna onzichtbaar maken. 

Hen riek van Ha es te ns geelt in zijn: „Lust-Hoff van 't gantsch 
Christenrijck" ten jare 1619 tot Leijden uitgegeven, als ,,'tGcdenck- 
weerdichste van Hollandt", eene beschrijving met afbeelding van den 
Burcht, beide van te meer waarde, daar zij afkomstig zijn van 
iemand die destijds in de buurt van dien Burcht leefde en woonde. 
Xa de stichtingsverhalen te hebben medegedeeld, zegt hij: „Laet ons 
nu comen tot de gedaente ende groote van den Burch zelfs, ghelijck 
die noch ten huijdighe dage te sien is. Belangende de groote, deselve 
is sonder de Burch-graft groot vijf hondert twaelf viereante Roeden, 
te weten de benedcn-pleijn drie hondert Roeden, de schuijnse hoochte 
met het gangpadt om den afgemuijrden Cirekel één hondert vier en 
veertich Roeden, ende den bovensten Cirekel mette Muijr acht en zestien 
Roeden. Gelijck sulex in den jare 1610 bij Meerten Jan Pietersz. Dou ') 
gemeten is. 

„Den gront ofte Vest van desen Burch is veel hooger als den 
ghemcijnen grondt deser stede. Aan de Zuijdt-oostsijdc, is denselvcn 
versien met een bequamen steenen Steijgher van omtrent vijftien Trappen 
hooch, langs denwelcken d;it men bequamelijcken ende ghemaecklicken 
tot boven optcn Burch dimmen mach; op den gront van het bovenste 
pleijn is ghebout eenen dicken Muijr van ontrent een en twintich 
voeten hooch, ende cirekel wijs besloten is, innehoudende met het 
Muijrwerck acht en zestich Roeden, als geseijt is; ende binnen aen 
dit Muijrwerck, eenige trappen opgaende, is mede eenen verheven 
ge wuifden gangh-padt gemaeckt, soo dat men dacr opgaende, niet 
alleen de Stadt maer oock de omleggende lustige groene Velden ende 
Landouwen, met hare Dorpen ende Casteden ende andere plaetsen, 
so na als verre gheleghen mach bescheijdelicken aenschouwen ende 
besien ; in dit opperste binnen Perck staet een seer diepen put, dacr 
deur (so het ghemecn Volck seijt) dat men onder de aerde tot 
Catwijck op zee plach te mogen gacn. De opgaende schuijnsicheijt 
van den Burch, is rontsomme met allerleij geslachten van Fruyt- 



1 ) Van denzelfden Jan Pieterszoon Do u met Mr. S a 1 o m o n Davidszoon 
van Duimen horst is ook het Chaertbouc van Leijden's straten en wateren, 
tegen 't einde der XVII de eeuw na opmeting in tcekening gebracht en door 
W. Pleijte in 1874 chromo-lithographisch uitgegeven en toegelicht. 



DE BURCHT TE LEIDEN. — DE OMMURING DER STEDEN. 23 



boomcn beplantet, dewelcke deselvige inde ghenoechlicke Lente so 
vermaeckelicke ende cierlick maeckt, dat het schijnt, dat de Godin ne 
Porno na alhier hare woonstede ghenomen heeft ende de Inwoonderen 
deser Stede met hare Fruyten ende Vruchten wilt vereeren — dewelcke 
de bewaerder ende huijrder van den voornoemden Burch in den 
Somer, rijp wcsende geen cleijn profijt en geven, vermidts hij die aen 
deghene die denselven comen beschichtighen (hetwelcke alle daghen 
gheschieO seer dier weet te vercoopen ende u ij t te slijten". 



De ommuring der steden. 

Met opzet is de Burcht van Leiden eenigszins uitvoerig beschreven, 
omdat hij op het duidelijkste niet alleen onze oudste burchtvorm, maar 
ook het karakter onzer oudste of eerste stede-ommuringen aangeeft. 
Ook deze waren, nadat eene omgrachting en omwalling met eéne 
of meer rijen palissaden of met een planken stacketsel omzet, van 
lieverlede volstrekt onvoldoende was gebleken voor eene ernstige 
belegering, ook deze waren feitelijk slechts gekanteelde ringmuren, 
mede met diepe halfrond of spitsbogig overwelfde boognissen langs 
de binnenzijde, nissen den omgaanden weergang dragend, die met 
eene borstwering langs de buitenzijde was omzet en door trappen 
van binnen af toegankelijk was. 

Naarmate de terreinsomstandigheden voor de belegeraars gunstiger 
waren, werd die ringmuur hooger en zwaarder opgetrokken en daar, 
waar een hellend terrein geen natte grachten toeliet, zooals om de 
boven stadsgedeelten van Maastricht, N ij m e ge n en Rhcncn, 
daar werd die muur of verdubbeld, of aan zijn voet buitengewoon ver- 
sterkt en van een schuinen voorsprong voorzien en de weergang tevens 
langs de buitenzijde zooveel vóór den muur uitgekraagd, dat door 
middel van werpgaten, daartoe in de bevloering uitgespaard, de 
aanvallers, welke den voet van dien muur bedreigden, met vuur, 
kokende olie, brandend pik, of zware steenen konden worden bestookt. 

Niet zelden ook werd op den weergang eene houten overkapping- 
aangebracht, en deze aan de voorzijde en van boven met huiden 
gedekt, ten einde aan de verdedigers een zoowel voor regen en wind 
meer beschermde alsook veiliger standplaats te verschaffen. Meestal 



24 



DE OMMURING DER STEDEN. 



OüDMIDDELBURG. 



echter bepaalde zich de van werpgaten voorziene overbouw, slechts 
tot enkele zwakke gedeelten en was de weergang verder met een 
afdak gedekt, aan de buitenzijde rustend op de tinnen en aan de 
binnenzijde op eene rij stijlen door schoren en liggers tot een geheel 
verbonden, een afdak, met houten schaliën of schindeln gedekt. 

Op de schetsen door Gerard Terborch, omstreeks 1630 van 
de poorten en ommuring der stad Zwolle gemaakt, afb. N°. 31 en 59, 
ziet men duidelijk het op de gesloten, doch van schietgaten voor- 
ziene borstwering rustend afdak en op afb. N°. 56, voorstellende 
de binnenzijde harer Kamper poort, het stijlwerk, staande op kraag- 
stukken, tegen het boogfries van den weergang, welke aan die zijde 
is gesloten en wel ter halver hoogte met plankhout en daarboven 
met strooken stroomat. 

Ook de stad Dordrecht had een overdekten weergang, de galerij e 
genaamd en Rothenburg aan den Tauber, bezit nog in zijn geheel 

haar ouden ringmuur met zijn af- 
dekking, met al zijn poorten, torens, 
opgangen en mezekouwen en houdt 
dit alles met zorg in stand; ook 
Nürnberg, heeft ten deele haar 
zwaren grijzen ringmuur met zijn 
overdekten weergang en stcenen 
opgangen en torens nog bewaard. 
Waar eene stad in elk opzicht 
volkomen vrij was en door geen 
bijzondere terreinsomstandigheden, geen rivier of beek, geen kasteel, 
geen grafelijk of geestelijk goed belemmerd werd, gaf zij aan heur 
ringmuur 't liefst den cirkelvorm, of dien zoo na mogelijk, als zijnde 
den eenvoudigsten, kortsten, den 't gemakkelijkst overzienbaren, en 
overal even sterken muurvorm, die bovendien nog het groote voor- 
deel aanbood, dat elk gedeelte nagenoeg even ver uit het centrum 
der stad gelegen, bijna even snel bereikbaar was. 

Oud- Middel burg. 

Duidelijk zichtbaar spreekt het vroeger bestaan van haar eersten, 
haar cirkelvormigen ringmuur nog steeds in den plattegrond der stad 
Middelburg, zie afb. N°. 9, ons tevens hare afmeting aange- 
vende tijdens de XIII de eeuw, groot 350 M. in diameter en dus een 
oppervlak beslaande van ruim 9 l l 2 hectare. 




Afb. N°. 8. Gevecht. 



OUD-MIDDELBURG. 



25 



Rond den in de IX de eeuw aldaar tot beveiliging tegen de Noor- 
mannen gebouwden, doch later verdwenen burcht, had zich eene 
woonbuurt gevormd, die zich tot eene handelsbuurt, tot eene markt- 
plaats ontwikkelde, reeds vóór 1206 stadsrecht bezat, en zich toen 
of reeds vroeger, in navolging van dien ouden burcht, ringvormig 
ommuurde. 




Afb. N u . 10. Nijmegen. Plattegrond in vogelvlucht, ontleend aan G. Braun's Steden-atlas. + A°. 1575, 

groot aldaar 33 bij 39 5 cM. 

Oud- Nijmegen. 

Minder duidelijk spreekt, zie afb. N°. 10, het juiste beloop van 
den oudsten ringmuur in het plan dezer stad, een langwerpig grond- 

I. 4 



26 



OUD-NIJMEGEN, 



vlak van onregelmatigen vorm beslaande, waarvan de langste, de 
evenwijdig met de Waal loopende diameter eene lengte van 4 485 M. 



«==^^ _=s 




Afb. N". il. De Burcht te Nijmegen, naar een teekening uit de XVII de eeuw. 

en de dezen kruisende, eene lengte van ± 412 M. heelt. Binnen dien 
muur, lag vóór dien, volgens den archivaris der stad '), het Romeinsche 
kamp en nadien de Carolingische stad. 

Evenals in Leiden lag ook hier de oude sUid niet om, maar 
naast en beneden den Carolingischen burcht, afb. N°. 11, welke, de 
geheele ruimte van een heuvel beslaande, aan zijn voet gemeten 
groot ± 120 M. in diameter, binnen zijn ringmuur, een grond- 
vlak van langwerpigen vorm, van 73 bij 90 M. innam. Onder de 
bescherming van het keizerlijk kasteel had zich, het door Claudius 
Civilis verbrande Oppidum Bata vodorum , het oude Noviom a g u s , 
in de tweede helft der VTII ste eeuw opnieuw ontwikkeld, en dat 
kasteel diende den bewoners, tijdens de Noormannen bij herhaling tot 



l ) Zie de „Vraagstukken in de Geschiedenis van Nijmegen's Voortiid", in do 
Bijdragen van Gelre, jaarg. 1906, door H. D. J. van Schcvichavcn. 



OUD-NITMEGEN. OUD-BREDA. 



27 



burcht, werd tusschen 875 en 882, door dezen ingenomen en ten eigen 
behoeve versterkt, en toen zij ten jare 925 de stad kwamen plunderen 
en verbranden, was de burcht weder aller wijk- en verdedigings- 
plaats, evenals tijdens hun laatste bezoek in het jaar 1010. 

Oud-Breda. 

In volle karakter spreekt op afb. N°. 12 de nagenoeg cirkel- 
vormige ringmuur van oud-Breda, die ten jare 1350 — 1410 door haar 
Heer der stad, Jan van Polanen, aangelegd, een 180 jaar, tot aan 1531 
haar vorm en afmeting bepaalde. 

De burcht buiten dien ringmuur uitspringende, vormde daar- 
mede een verdedigbaar geheel door eenc eigen gracht met poort 
echter omsloten. Op het duidelijkst blijkt uit deze afbeelding, wat een 
Stadsmuur uit het midden der \lY de eeuw onderscheidde van een 



Br k» a ) 

in lt*t£**r l*SO 

UrOu v.„. l'.-k 



Ci.fi W» EyndfcK. 



j? Hel Nviiik- Kloolfci 




Afb. N 11 . 12. De stad Breda, zooals zij A°. 1350 werd ommuurd. 



Burchtmuur uit de IX de eeuw; het is niet eenvoudig meer een 
cirkelvormige muur, met zijn nissen den weergang met gekanteelde 



28 GUD-BREDA. — OUD-AMERSFOORT . 



borstwering dragend, maar in dien muur bevinden zich nu, behalve 
de drie stadspoorten en de kasteelpoort, op vrij regelmatigen onder- 
lingen afstand, muurtorens en uitgekraagde mezekouwen, deels ter 
versterking, deels ter betere verdediging en bescherming van den 
muur aangebracht en in gebruik gekomen, nadat men op de kruis- 
tochten kennis had gemaakt met de ommuringen van de steden in het 
oosten. Bij haren uitleg en den bouw harer nieuwe verdedigingswerken 
tegen het midden der XVI de eeuw, verwisselde zij dezen cirkel- 
tegen den driehoeksvorm en niet zoodra waren in 1536 die nieuwe 
werken voltooid, of de oude muur met zijn torens en poorten werd 
afgebroken, een slopingswerk, dat vier jaren tijd heeft gekost. 

Oud- Amersfoort. 

Afbeelding N°. 13, een plan in vogelvlucht dezer stad van 
omstreeks 1580 J ), terwijl afb. N". 14 haar toenmalig aanzicht voor- 
stelt, toont nog geheel de oude binnenstad, omgracht en omsloten, 
zooals zij was tijdens de XIII de en tot in het laatst der XIV de eeuw. 
Ten jare 1269 door Otto Graaf van Gelder belegerd en ingenomen, 
werd zij verplicht met hare omwalling hare grachten te dempen, 
waarna zij zich veiligheidshalve omsloot met een ringmuur van 
eenigszins onregelmatigen vorm, van 465 bij 500 M. diameter en 
met eene nieuwe, breedere gracht, tegen of in welken muur later, 
inzonderheid langs de oostzijde, tal van stinsen, haar zgn. muur- 
huizen werden aangebouwd, met name Tijnnenburg, Rommelenburg, 
Bollenburg, enz., die, hoezeer verbouwd en gewijzigd, ten deele 
nog bestaan. 

Ook de verdedigingsgracht dier binnenstad is als Singel nog bijna 
geheel aanwezig, evenals de beide zijtorens van eene harer poorten, die 
der Camppoort in de Langstraat. Rond die oude stad en in het benoorden 



1 ) Opdat die stede-plattegronden door G. Braun in zijn beroemden atlas in 
vogelvlucht gegeven aan de vijanden des geloofs niet onder de oogen zouden 
komen, „hebben wij", zegt hij, „daarbij doen afbeelden de kleederdrachten der 
verschillende naties, zoowel van het voortreffelijke als van het minder voor- 
treffelijke geslacht; om die reden, zullen die wrecde Turken (voor wier oorlogs- 
plannen men destijds beducht was), die volstrekt geenerlei afbeelding, hetzij 
gegraveerd of geschilderd dulden, zich dit werk niet aanschaffen, zelfs al zoude 
het hen van het hoogste nut kunnen wezen." Vandaar dat op alle stcdekaarten 
van Braun enkele poppetjes voorkomen, zooals op die van Amersfoort, afb. 
X". 13, op die van Zwolle, afb. N". 16, enz. 



30 



OUD-AMERSFOORT. 




daarvan gelegen Camp, vormde 
zich echter, toen de woonruimte 
binnen de ommuring onvoldoende 
werd , eene vóór- of b u i t e n stad , 
wier bewoners, de buitenpoorters, 
uit vrees voor overvallen en brand- 
stichting, bij herhaling op eene 
eigen ommuring met omgrachting 
en bepoorting aandrongen, een 
werk van zoodanige beteekenis 
en kosten, dat, hoezeer omstreeks 
1381 daarmee een begin werd 
gemaakt aan de oostzijde, die 
nieuwe of t w e e d e ringelmuur 
eerst in 1450 met hare poorten 
en torens voltooid was. 

Een tijdlang zelfs, werden alle 
straffen in steen boeten omgezet en 
waren zij die misdreven hadden, 
verplicht tot levering van twee tot 
vijfentwintig duizend steenen voor 
die ommuring; nog in 1443 ver- 
bond zich de jonge stad Baarn 
tot het bouwen van twintig Roe- 
den muyrs en tot het onderhoud 
van dat muurgedeelte ten eeuwi- 
gen dage. 

Evenals Aken nog in 1727, 
had Amersfoort toen en nog 
jaren nadien een dubbelen ring- 
muur, één om haar binnenstad 
van ± 1550 M. omtrek, en één om 
haar buit en stad van + 2850 M. 
omtrek, bij 750 en 1000 M. 
diameter. 

Feitelijk had zij toen dubbele 
verdedigingswerken, een binnen- 
ringmuur met eigen poorten, 
torens en omgrachting en een 



OUD-AMERSFOORT. - - OUD-OLDENZAAL. 31 



buitenringmuur, „22 voeten hoog glad opgemetseld en aan de binnen- 
kanten met pilaren voorzien, over de welke, dat is van de een op de 
ander steenen Boogen geslagen zijn, waarover men konde gaan, zijnde 
tusschen die pylaars ook spyegaaten geweest om daardoor op den 
vijand te kunnen schieten. Aan dien Ringelmuur worden steene wacht- 
of waaktorens gevonden (afb. N°. 13 toont er 30) die meest rond 
zijn, welke voorheen mede tot verdediging der stad hebben gediend 
en daarom niet wijder van malkanderen dan dat het schietgc- 
weer van die tijd van weerszijden wel ter halverwege konde reiken. 
Behalve deze Toorens zijn er noch Sentinclhuiskens of Koir- 
husen tusschen beide geweest, die in de muuren gemetselt waren en 
half buitenwaarts uitstaken" (zie afb. N ü . 14), aldus A. van Be mm el 
in zijne beschrijving dier stad ten jare 1760. 

Met de voltooiing van den buitenmuur verloor de binnen- 
ringmuur echter zijn beteekenis en daardoor van lieverlede ook de 
noodige zorg en het onderhoud, en toen zijn waarschijnlijk hier en 
daar zelfs ten koste van de breedte der binnengracht de Muur- 
huizen aldaar ontstaan, waarbij gedeelten van den ouden ringmuur 
verdwenen of benut werden. 

De buitenringmuur is blijven bestaan tot in het jaar 1<S2 ( ) en 
ten deele toen en verder nadien afgebroken, ook de ravelijnen en 
halve manen tegen het midden der XVII de eeuw om dien muur ter 
meerdere versterking der stad aangelegd, zijn, na in verval gekomen 
te zijn, verdwenen en dit te eer, daar deze in eene laagte gelegene 
stad, met de toename van de draagkracht van het geschut, hare 
waarde als veste had verloren. 

Oud-Oldenzaal. 

Duidelijker nog dan in het plan der voornoemde stad spreekt de 
vroegere ringmuur in het plan van + A°. 1620 der stad Oldenzaal, 
afb. N°. 15. Die oude hoofdplaats van Twenthe, zou volgens de 
berichtgevers reeds in het begin der lX de eeuw, door Balduin us 
van Cleve, die er als eerste graal van dat landschap zijn verblijf 
nam, met een houten staketsel en eene gracht zijn versterkt, een 
staketsel, misschien na het midden der XP e eeuw, toen zij eene 
marktplaats was geworden, door een ringmuur vervangen, waarop 
de straten der binnenstad straalsgewijze uitloopen. Die aanleg dag- 
teekent hoogstwaarschijnlijk eerst van haren herbouw na den grooten 
brand op 5 Nov., op St. Lebuinus-dag van het jaar 142 ( ), toen bijna 



32 



OUD-OLDENZAAL. 



de geheele stad een prooi der vlammen werd. Sedert herhaaldelijk 
belegerd en geplunderd, kwam zij eerst in 't begin der XVI de eeuw 
weder tot eenigen bloei. 

Buiten om hare omgrachting vormde zich nu eene woonbuurt, 
rond welke een nieuwe een buiten-ringmuur met gracht werd aan- 
gelegd, met zijn drie poorten en hoektorens op het plan duidelijk 




Afb. N°. 15. De stad Oldenzaal in 1620. 



zichtbaar, en om dien ringmuur werd in dezelfde eeuw nog een 
aarden wal met zes bastions, drie ravelijnen en eene breede gracht 
aangelegd. 

Ten jare 1020 door Frederik Hendrik belegerd en ingenomen, werd 
zij op last der Staten alstoen ontmanteld, en „alle de huislieden van 
rondsomme tusschen de 15 en 20 jaar, ten getale van 2000 ontboden, 
die hare poorten en muren afbraken en met de wallen ruire grachten 
vulden, tot geen klein misnoegen der ingezetenen, die nu voortaan, 
als in eene opene plaats aan de strooperijen van al wie wilde waren 
blootgesteld, daarom in 1044 hare stad weder eenigszins sloten en de 
drie poorten renoveerden"; aldus A. J. van der Aa. 



OUD-ZWOLLE. 33 



De oude ringmuren, hoewel verdwenen, bleven echter, evenals 
in Amersfoort, tot heden toe den hoofdvorm dezer stad bepalen. 

Oud-Zwolle. 

Op het karakteristiekst komt de vroegere ringmuur uit in het 
plan in vogelvlucht van + 1580 der stad Zwolle, afb. N°. 16. 
Het dorp Zwolle, dat in de jaren 1230—31 den Bisschop van Utrecht 
met geld en manschappen had bijgestaan in zijnen strijd tegen de 
Drenthen, kreeg in dank daarvoor van dezen in 123.'] stadsrecht, 
met de uitdrukkelijke vergunning zich door eene gracht en 
houten wal te mogen beveiligen tegen de geweldenarijen der in 
den omtrek wonende stins- of kasteelbewoners. Onmiddellijk werd met 
behulp van de boeren uit den omtrek daartoe door den Bisschop 
opgeroepen, die omgording tot stand gebracht, die al dadelijk tot 
den bloei der plaats medewerkte, daar tal van buitenlieden, bij 
herhaling door die kasteelbewoners beroofd of tot heerendiensten 
gedwongen, nu binnen die veste opname verzochten, die tot in het 
jaar 1324 hare vrij primitieve omwalling met palissadeering en 
omgraehting behield. 

In dat jaar echter, in den nacht van 4 Mei, onvoorziens door 
eene bende onder aanvoering van een der Heeren van Voorst 
overvallen, werd zij totaal verbrand en dientengevolge nu in 1326 
geheel ommuurd en tegelijkertijd iets uitgelegd. De breede gracht 
van af den Rhoon-toren tot Sint Gertruidt's (zie de afb.), dooi- 
de stad loopend, was haar noordelijke buiten- of muurgracht, tot zij 
in 1396 noordwaarts werd uitgelegd, en die uitleg werd ommuurd 
en omgracht. Eerst eene eeuw later, in 1405, kreeg haar ringmuur 
den vorm en omtrek op de afb. voorgesteld, een ringmuur van af de 
Camper- tot de Sassepoort nog versterkt door twee andere daarmede 
concentrisch loopende muren in verschillende tijdperken aangelegd, 
voorzien met halfronde torens en een groot rondeel; ter zelfder tijd 
veranderde nu de noordelijke buitengracht van 1306 in een binnen- 
gracht, ter plaatse der Roggestraat overwelfd. 

Ook in tal van andere steden, is eene cirkel- of ovaal-vormige 
vroegste ommuring en omgraehting nog zeer goed uit het beloop 
harer oude straten te onderkennen, duidelijk vooral in Berge n-op- 
Zoom, Groningen, R henen en Ti el, terwijl in andere steden 
de ommuring, op grond van terreinsomstandigheden, een geheel andere 
als den ringvorm verkreeg. 

I- 5 



34 OUD-'S HERTOGENBOSCH. 

Bij de aan rivieren gelegen steden, die zich meestal in lengte- 
richting langs den rivieroever ontwikkelden, kreeg de ommuring 
dan ook meesttijds een langwerpige, hetzij rechthoekigen, hetzij half 
ovalen of half ronden vorm. 

Oud-'s-Hertogenboseh. 

Het eigenaardigste wel was, zie afb. N°. 17, de ommuringsvorm 
der stad 's- Her togenbosch. Bij het jachthuis toch, omstreeks 1172 
door Hendrik, regent van Lotharingen dichtbij het te Orthen gele- 
gene kasteel en landgoed zijns vaders, Hertog Godfried, in diens 
bosch gesticht, vestigden zich met zijn toestemming verschillende 
bewoners aan de riviertjes de Aa en de Dommel 1 ), en vormde 
zich weldra een klein handelscentrum; doch die van Heusden, 
bevreesd dat zulks den handel harer stad zoude bcnadcelen, vonden 
goed die opkomende buurt in 1183 totaal te verwoesten en te 
verbranden. 

Nauwelijks was Hertog Hendrik dan ook in het voorjaar van 1185 
van zijn tocht naar het Heilige Land teruggekomen, of de uitgeplun- 
derde en verdreven bewoners kwamen tot hem, hun nood klagend en zijn 
hulp en bescherming inroepend. De Hertog, met hun leed begaan, 
hield raad met de schouten van de voornaamste steden van Brabant, 
met Antwerpen, Brussel en Leuven en met behulp dier steden 
werd nu besloten eene veste, eene ommuurde stad voor hen te bouwen, 
en elk dier drie steden nam nu de kosten voor den bouw van eene 
harer drie poorten op zich. Doch toen Brabant ten jare 1202 betrokken 
werd in den oorlog tusschen den Graaf van Holland, Dirk VII, en 
den Bisschop van Utrecht, werd de jeugdige stad, 's -Her togen- 
bosch, door het Hollandsche leger na een beleg van 7 dagen op den 
6 den September ingenomen, geplunderd en verbrand. 

Daarom werd zij nu sterker dan vroeger herbouwd en met een 
steenen ringmuur voorzien, en de drie gencemde steden herbouwden 
de verwoeste poorten, Leuven de Gevangenpoort, Brussel de 
Heilige Kruispoort en Antwerpen de Lieve Vrouwepoort; poorten, 
staande elk op één der hoeken van het ommuurd driehoekig grond- 
vlak, feitelijk slechts bestaande uit een groot marktplein, rondom door 



l ) Zie daaromtrent J. C. A. Hezen mans. „De stichting van 's-Hertogen- 
bosch in 1185." 



OUD-S-HERTOGENBOSCH. 



35 



gebouwen omzet, dat men tot vorm voor dit nieuw aangelegd oppidum 
had aangenomen. Nog vóór het jaar 1196 werd de stad door den 




Hertog met volledige stedelijke voorrechten en vrijheden begiftigd, die 
tevens op zijn aandrang van den Keizer tol vrijheid op den Rijn ver- 



36 OUD-UTRECHT. 



kreeg, voorrechten, die haar ontwikkeling en bloei zoozeer bevorder- 
den, dat zij zich reeds in 1250 verplicht zag oost-, west- en noord- 
waarts haar grondvlak uit te breiden, en zich opnieuw te ommuren 
en te bepoorten. 

Oud-Utreeht. 

Na Maastricht en Nijmegen, onze oudste riviersteden, ont- 
wikkelde zich door een bijzondere omstandigheid, het in eene kromming 
van den Rijn gelegen oude Trecht (Trajectum) reeds vroegtijdig tot 
onze meest beteekenisvolle stad. In dat oude Trecht, misschien 
reeds tijdens de Romeinen als burcht ontstaan, alwaar de Frankische 
koningen een versterkt kasteel bezaten en een christenkerkje stichtten, 
rond hetwelk zich eene woonbuurt had gevormd, vestigde ten jare 
692 of 693 Willebrordus zijn bisschopszetel en zoo groeide uit 
die woonbuurt nu de Bisschopsstad Utrecht. 

Door de Noormannen in 857—858 genomen, verwoest en bezet, 
werd eerst tijdens Bisschop Balderik (918 — 977), omstreeks 930 dat oude 
Trecht met zijn burcht herbouwd en met muren en grachten omvest 
en opnieuw den zetel van het Bisdom, opnieuw een handelsplaats, 
zoodat zich reeds spoedig buiten en om die oude kern een nieuwe, 
een vóórstad, buiten Trecht of Ut-Trecht vormde, die als zijnde 
nog niet ommuurd, ten jare 1007 door de bewoners zelve werd in 
brand gestoken, om te voorkomen dat de in aantocht zijnde Noor- 
mannen, zich daarin zouden nestelen. 

Nadien herbouwd en met stadsrecht begiftigd, wordt die nieuwe 
buitenstad, sedert Utrecht genoemd, omstreeks 1122 geheel ommuurd, 
omgracht en bepoort, en daarbij, wat pleit voor den bloei dier stad 
en hare verwachtingen destijds, alstoen zoovele kampen lands met 
hunne hofsteden binnen die ommuring opgenomen, dat zij, toen 
reeds de afmeting en plan vorm verkreeg, welke zij in hoofdzaak tot 
in onzen tijd heeft behouden, zie afb. N". 18, genomen naar eene 
gravure van J. van Vianen van A° 1598. 

Haar ringmuur omsluit een onregelmatig langwerpigen rechthoek, 
door twee zich krommende grachten, te zamen den voorheen door 
de stad stroomenden Rijn vertegenwoordigende, in lengterichting 
doorsneden. Langs de Oude Gracht loopt tevens hare hoofdstraat van 
af de Weerdtpoort noord- tot de Tolpoort zuidwaarts, door eene 
tweede ietwat gebogen hoofdstraat, van af de Kathrijncpoort west- 
tot de Wittevrouwenpoort oostwaarts, rechthoekig gekruist. Op de 



38 



OITD-DEYEXTRR. 



afbeelding is de stad nog geheel ommuurd, en bezit haar ringmuur 
behalve zijn poorten aan drie zijden ook nog het meerendeel zijner 
oude torens; het was een baksteenen ringmuur, waarvan in het tot 
plantsoen aangelegd oostelijk bolwerk dier stad, bezuiden de Witte- 
vrouwenpoort, nog enkele gedeelten verscholen zitten. 

Oud-Deventer. 

Ook de oude handelsplaats aan den IJsel, Deventer, „alwaar 
reeds omstreeks het jaar 772 door Lebuinus een Christenkerkje werd 



^f*èr\ Ii?S5« 



rfê 



l *\) 4, 



?ïw jfc 










Afb. N°. 19. Deventer met haar dubbelen ringmuur ± A°. 1580. 



gesticht a ), had zich waarschijnlijk reeds vroegtijdig omwald en omgracht, 
althans het is naar deze stad, dat de Bisschop van Utrecht, in 857 
voor de Noormannen vluchtend, zijn zetel verplaatste. Gedurende een 
60 jaar was en bleef zij de Bisschoppelijke residentie en werd als 
zoodanig door de buitzoekende Noormannen in November van het jaar 
882 geheel uitgeplunderd en verbrand. 



J ) Reeds ten jire 696 zou Willebrordus hier een bidkapel en in 718 Lebuinus 
een kerkje gesticht hebben, dat verbrand, in 776 door Ludger herbouwd zou 
zijn; zie daaromtrent Mr. J. Th. Verloren: „Lebuinus en zijne stichting te 
Deventer." 



OUD-DEVENTER. — OUD-KAMPEX. 39 



Op nevenstaanden plattegrond dezer stad, afb. N°. 19, is aange- 
geven de vermoedelijke ligging en omvang van het oudste stadsge- 
deelte, dat ommuurd en omgracht reeds vóór de XIII de eeuw bestond. 
Daar omheen vormde zich allengs eene buitenbuurt, eene nieuw- 
stad, die misschien reeds vóór het einde der XIII de eeuw is ommuurd 
en omgracht, en rond deze, breidde de door haar handel bloeiende 
stad zich opnieuw uit, een uitleg onder aantrekking van de Bergkerk 
met bijbehoorenden grooten wijk, in de XJV de eeuw bemuurd, bepoort 
en betorend en daarna tot meerdere veiligheid rondgaand nog met 
een tweeden ringmuur met verdedigingstorens en poorten voorzien. 

Bestonden er nog plattegronden dezer stad uit het laatst der 
XIV de of uit het begin der XV de eeuw, dan zou men daarop waar- 
schijnlijk niet minder dan vier nagenoeg concentrische ringmuren 
zien, die, nadat de stad in de XVII de eeuw met een gordel van 
nieuwe verdedigingswerken was omgeven, alle zijn verdwenen; slechts 
enkele torens en muurgedeelten van de binnenste der beide buiten- 
ringmuren zijn er nog overgebleven. 

Oud-Kampen. 

Meer dan in Deventer, ligt in den planvorm der stad 
Kampen, het karakter eener rivierstad. Blijkens die afbeelding, 
genomen naar eene gravure van P. Utenwael van 1598, ligt 
hare langszijde ter volle lengte bijna evenwijdig met de rivier den 
Ijs el, door een steenen ringmuur met tal van poorten en torens en een 
aanlegwal van die rivier gescheiden, welke muur in 1337 de houten 
om vesting verving. Niet minder dan een 12-tal dwarsstraten en een 
10-tal gangen loopen van de hoofdstraat, de stad over de geheele 
lengte doorsnijdend op de rivier uit, ten bewijze, hoezeer men er 
prijs op stelde om op 't spoedigst aan haren oever te kunnen komen. 
Oorspronkelijk was de verhouding van de breedte der stad tot hare 
lengte als die van 1 tot ± 5, van + 250 M. tot 1200 M., en lag langs 
de binnenzijde van de door de stad loopende Burgwalsgracht, 
haar oostelijke ommuring. Meerdere grond echter tot woningruimte 
behoevend, besloot men in 1462 de stad uit te leggen en te vergrooten 
en de Nieuw-Stad, welke zich buiten de ommuring reeds vormde, 
daarbij aan te trekken, waardoor hare breedte van 250 tot 370 M., en 
hare lengte van 1200 tot 1360 M. toenam. In de jaren 1462— 149 1 ) werd 
de nieuwe ringmuur gebouwd, die op de afbeelding met zijn bogen, 



40 OUD-ZUTPHEN. 



poorten en torens duidelijk zichtbaar is, terwijl waarschijnlijk toen de 
oude muur langs den burgwal met zijn doelloos geworden poorten en 
torens is afgebroken. 

Oud-Zutphen. 

Te oordeelen naar eene XVII de -eeuwsche teekening in het Rijks- 
archief te Arnhem aanwezig, de nieuwe (of X VII de -eeuwsche) werken 
tot Zutphen voorstellende, zie afb N°. 20, had ook het oude gedeelte 
dier aan den IJsel gelegen handelsstad, een langwerpig ovalen vorm. 
In werkelijkheid was dit echter geenszins het geval l ), en was dat 
gedeelte juist vierkant van grondvlak, zijnde breed en diep + 400 M., 
door twee elkaar kruisende hoofdstraten, op de vier hoofdpoorten 
uitloopend, in het midden doorsneden. Van dat oude gedeelte, dat 
waarbinnen op de afbeelding het opschrift staat, vormde echter een 
ovaalvormig gedeelte, ter plaatse der tegenwoordige Markt, begrensd 
door eene gracht en omwalling, de oudste of eerste stadskern, die 
reeds vroegtijdig, door aantrekking van de buitenwijk, welke benoorden 
haar gracht aan de Berkel was ontstaan, zich in oppervlak verdub- 
belde en toen vierkant van grondvlak werd. 

Reeds in 1095 een oppidum genoemd, wist zij ten jare 1190 van 
den Graaf stadsrecht te verkrijgen en trok nu in het begin der XIV de 
eeuw, de Nieuw-Stad, groot 285 bij 295 M., benoorden de Berkel ont- 
staan, bij zich aan, eene Nieuw-Stad ten jare 1312 door den gekariteelden 
ringmuur met zijn bogen, poorten en torens omsloten en met zijn beide 
waterpoorten over de Berkel op de afbeelding voorgesteld, een muur 
ter zelfder tijd, misschien om de oude stad doorgetrokken. Dank zij 
haar handelsbeteekenis en bloei vormde zich beoosten van dien ring- 
muur allengs weder een buitenwijk, een vóórstad, groot ± 400 bij 
600 M., de spitaai- of hospitaalstad, omstreeks 1450 ommuurd en bij de 
stad aangetrokken, en wiens walmuur niet meer met torens maar met 
rondeelen en bolwerken voorzien , tevens aantoont de veranderingen 
door het nieuwe, het vuurgeschut, in de verdedigingswerken gevor- 
derd Kennelijker dan bij menig andere stad, spreekt met uitzondering 
van haar eersten vorm uit haar plan, haar achtereenvolgenden uitleg. 



*) De onderlinge verhoudingen en de juiste planvormen laten op tal van in 
vogelvlucht geteekende oude stadskaarten meestal zooveel te wenschen over, dat 
men slechts na voorafgaande raadpleging met de kadastrale plannen daaruit gevolg- 
trekkingen mag of kan maken. 



- 




rt> i- f-xLiH» t«n* ;i - R. 

j r ,- ,.v-tT * $k 



Afb. N». 20. De tweevoudige uitleg en de vestingwerken der stad Zutphen. Naar eene teekening uit het Rijksarchief te Arnhem. 



' 






- 



j 






- ï 






i<«--t 






1 



i' 







■ 



- 



1 





» 






V 






— 





















- 



•■ 






* * 



T...---*--' ' «dr 
















'\, 



n t . • ■;'•.■•.-.■. :v ■ . r -~- ■ ; .-•■■- ■'■ < . . . . ■ O - ' i •-"" „- JhiiIW "^ 



/ 







-r • 









>K 



".f„, 






' 1 "... 






*ti 



l 















i 




| 



'T 






. 









- r 



"" :, "'fr.., 


















I 



v- 









- L. 










M 






Afb. N°. ai. Plattegrond in vogelvlucht van Amsterdam ten jare 1536 door C. Antoniszoon. Naar de oorspronkelijke teekening in de collectie „Fodor"'. 



OUD-ZUTPHEN. — OUD-AMSTERDAM. — KASTEELSTEDEN. 41 



Van onze overige aan rivieren gelegen steden, hebben of liever 
hadden vooral Dordrecht, Rotterdam en Wees p, een, het rivier- 
beloop volgenden langwerpig gerekten planvorm, met tal van op de 
rivier uitloopende dwarsstraten, en dus het eigenlijke karakter eener 
rivierstad, een planvorm, dat wij mede in buitenlandsche rivier- 
steden, als Keulen, Londen, Lubeck, Parijs, enz. op het 
sprekendst terugvinden. 

Oud- Amsterdam. 

Amsterdam is te dezen te merkwaardiger, daar haar platte- 
grondsvorm, zoolang zij in hoofdzaak een visscherswijk was, die van 
eene Rivierplaats bleef, ter weerszijden langs de rivier den Amstel 
gelegen, en met die rivier tot midden-, tot hoofdverkeersweg. 

Van lieverlede echter eene handelsplaats en eene Zeestad wordende, 
verplaatst zij haar basis nu IJwaarts en wordt de IJkant nu haar 
verkeerskade, waarop al hare bevaarbare grachten uitkomen, eene 
kade, die zij, ter wille van haar onbelemmerd scheepvaartverkeer 
niet als Kampen, Nijmegen en Keulen, met een muur, met 
poorten en torens afsloot, maar geheel open liet, slechts voorzag 
van een dubbel paalwerk, een paar rondeelen en een drietal zware 
torens, zie afbeelding N°. 21. Trouwens eerst tegen het laatst der 
XV de eeuw besloot zij zich te ommuren en haar ringmuur met zijn 
bogen, torens en poorten, op de afbeelding zichtbaar, en in de jaren 
1482 gebouwd, toont met zijn geschutgaten, één in elk der boognissen 
waarop de omgaande weergang rustte, dat de stadskanonnen alle 
aan den voet van den muur en nog niet op dezen stonden, en dat 
de Ingenieur door wien die ommuring werd ontworpen en uitgevoerd, 
nog weinig ervaring had van het toenmalig vernielvermogen van het 
vijandelijk vuurgeschut. 

Kasteelsteden. 

Grootere onderscheidenheid in plan- en in ommuringsvorm dan de 
Rivier steden , vertoonen de Kasteel steden , zijnde de steden welke 
ontstonden uit eene woonbuurt, die zich bij of rond een Grafelijk, 
Bisschoppelijk of ander kasteel had gevormd, en, hoezeer het kasteel 
zelf in verloop van tijd meestal spoorloos verdween, in haar plan- 
vorm toch meesttijds nog haar ontstaan als kas te el stad doen kennen. 

Lag het kasteel geheel buiten de stedelijke ommuring en had 
de stad zich op een vrij terrein of langs eene rivier of beek daar- 

I. 6 



42 



KASTEELSTEDEN. 



naast ontwikkeld, -zooals Br ede voort, zie afb. N°. 22, als Heu- 
kelum, zie afb. N°. 23, als Kuilenburg, zie afb N°. 47, als 
Medemblik, Schiedam, Wij k-bij -Duurstede, IJselstein, 
enz., dan volgde de ommuring ongehinderd den omtrek der stad. 

Lag echter het kasteel deels in, deels buiten den stadsomtrek, 
zooals in Asperen, zie afb. N°. 24, zooals in Leerdam, in Mont- 




i *t *. JU «j, krawlr : M • - 

AM 4f f 




« 1 !?■ 



Afb. N°. 22. De kasteelstad -Brede voort" in de XVII de eeuw. 



foort, zie afb. N°. 44, in Vianen, enz., dan onderbrak dat kasteel 
met zijn eigen omgrachting en ommuring of met zijn voorhof den 
stadsringmuur, voor dat gedeelte dan ook de bevestigings- en ver- 
dedigingstaak der stad overnemende. 

Was echter het kasteel van lieverlede geheel binnen de stads- 
ommuring en omgrachting gekomen, zooals in Bergen-op-Zoom, 
Goes, Gouda, Grave, Hattem, Helmond, Heusden, Woer- 



KASTEELSTEDEX. 



ZEESTEDEN. 



43 



den, enz. en gelijk dan meestal het geval was, aan den buitenkant 
der stad gelegen, dan sloot het zich bij de verdedigingswerken dei- 
stad aan en vormde 
daarmede een samen- 
hangend geheel. 

In enkele plaat- 
sen ook, in Goor, 
in Pur merend en 
in het zoogen. dorp 
's - G r a v e n h a g e , 
welk laatste zonder 
bepaaldelijk stads- 
recht te bezitten , 
toch bijna alle voor- 
rechten en costumen 
eener stad bezat, 
bleef eene eigen 
ommuring achter- 
wege en vertrouwde 
men in tijden van 
gevaar, uitsluitend 
op het daarbinnen 
gelegen kasteel x ). 



Zeesteden. 

De Zeesteden 
onderscheiden zich 
weinig of niet van de 

. . , i . „.on,- Afb.N". 23. Plan in vogelvlucht van He ukelum, inde XVI Je eeuw. 

riviersteden , w aai ° 

zij een ringmuur 

hebben slechts daardoor, dat deze langs de zeezijde eene gracht 

en voorwal missende, bij meerdere zwaarte en grootere hoogte uit 




i) Guicciardini zegt: „De Inwoonders van den Haghe en hebben dit 
schoon dorp niet en willen besluijten met mueren ofte vesten, door grootsheijdt 
van herten, want hen dunckt eerlijcker te wesen Heere te zijn van het schoonste 
ende machtigste dorp van Europa, dan van een stadt die besloten ende bemuert 
zijnde, onder de minste gherekent mocht worden." 

Die opvatting had echter ten gevolge, dat het op 31 Maart 1528 deerlijck 
ende jammerlijck geplundert is door Marten van Rossem, met zijne 1500 Gelderschen. 



44 



Z EESTEDEN. 




zee is opgetrokken, 
zie op afb. N°. 36 
de bemuring van 
Harderwijk. Aan 
de Noordzee heb- 
ben wij feitelijk 
geen zee steden , 
tenzij men V 1 i s- 
s i n g e n daartoe 
zou willen rekenen , 
en de aan de Zui- 
derzee gelegene , 
zijn alle als zeestad 
betrekkelijk jong. 

Die zee zelve 
toch is eerst in de 
laatste helft der 
XIII de eeuw ont- 
staan ; vóór dien 
lagen haar steden, 
voor zooveel zij 
bestonden, aan ri- 
vierarmen of bin- 
nenstroomen, zoo- 
als het oude Sta- 
voren, dat reeds 
in de X de eeuw 

cene bloeiende 
handelsplaats was 
en in de IX de eeuw 
reeds een eigen 
munt bezat. 

Van onze oudste 
of allereerste stede- 

omvestingen is 
niets en van onze 
oudste stede-om- 
muringen al heel 
weinig meer over- 



VERGUNNING TOT BEMURING. 45 



gebleven; die oude om vestingen toch zijn alle verdwenen bij den 
bouw der ringmuren, en die ringmuren verdwenen meestal bij of 
na den uitleg eener stad, na den aanleg harer grootere en nieuwere 
verdedigingswerken . 

Vergunning tot bemuring. 

Slechts bij uitzondering ook is er bij het verleenen van stadsrecht 
bepaaldelijk van de ommuring sprake. Behalve bij de stad Zwolle, 
reeds boven meegedeeld, is daarvan sprake in de keure van A°. 1319 
van Sint-Geertruidenberg, zeggende: „over de ghemeene weijde, 
en om mede te vesten ende te beteren ende ons mede te dienen, 
zonder arghelist ghedurende tot onsen wedersegghen". — De stad 
R e ij m e r s w a 1 e kreeg op 1 April 1374 van Aelbrecht, als Ru waart 
van Holland, eene keure, waarin daarvan evenzeer sprake is, zeggend: 

„in den eersten soe hebben wij hem geoerloeft ende veroorloven, 
dat sij haer stede vesten ende begh raven mogen in suiker 
manieren als hoer brieve die sij van onsen ouders hebben doen 
of begrijpen bij goetduncken ons Rentemeijsters van Bewester Scelt 
in Zeeland, j o ff ons Raets, die wiere toewijzen," 

waaruit blijkt, dat die stad reeds vroeger was toegestaan zich 
te ommuren, een muur, waarschijnlijk echter van wege de kosten, 
toen niet uitgevoerd. 

De stad 's-Hertogenbosch, die, zooals gezegd, ten jare 
1185 door den Hertog van Brabant met behulp van de Steden 
Antwerpen, Brussel en Leuven werd ommuurd en bepoort, 
kreeg den 13 den September 1318 van Hertog Johan van Brabant, 
vergunning, „op grond dat di van der stat van den Bosch in swaren 
commer van scoude gevallen sijn, eensdeels van vestingen, die si 
nuwelingen hebben geleget aen onse stat voirschreven, ende oic van 
commer dien si hadden te voren . . . dat si na haere macht onse stat 
mogen vesten ende bewaren, mit vestingen vorder dan si bewart is, 
na alle hare macht sonder argelist...; geven hen in desen sunderlinghe 
macht hoire stat te vesten ende georloven hen dat goet ende den 
cost die dair aen sal geleecht werden te nemen ende te vervane al, 
alsulcken alst hen orberlic duncken sal, ende si aen hoiren assisen 
te verhogen of in enigen anderen maniere, dair si onsen orlof in 
behoeven, als van desen dingen. Mede georloven wij onse Scepenen 
ende Rait voirschreven, van dat onse stat voirschreve mede gevest 
si, si in huusen af te breken, si in ouden mueren af te breken ende 



46 VERGUNNING TOT BEMURING. 

tc leggen mede te vesten dair es noet is, in hoire macht ende ten tide 
dat sijs mogen crigen, altoes ombegrepen van ons... (aldus de Gesten 
van Brabant N°. CXXXV van den Codex Diplomaticus). 

Uit het feit, dat er slechts zelden bij het verleenen van stadsrecht, 
noch ook bij afzonderlijke keure of privilegie, sprake is van het recht 
van ommuring, terwijl toch al onze oude steden bijna zonder uitzondering 
ommuurd waren, mag worden afgeleid, dat het ommuringsrecht 
werd beschouwd als een stilzwijgend, als een van zelf sprekend gevolg 
van het verleende stadsrecht. 

Wel schijnt het, dat, waar eene verbetering der bestaande beves- 
tiging slechts door uitbreiding van stedelijk grondgebied mogelijk was, 
daartoe eerst 's Graven toestemming noodig was, zoo vergunt op 
Juli 1271 en op 14 September 1284 Floris V die van Dordrecht 
(welke tolplaats door Dirk III omstreeks het jaar 1008 gesticht en 
bevest was) eene gracht te delven om hunne stad te sterken. Ook voor 
uitleg der steden, waarmede stilzwijgend de ommuring en omgrachting 
van het aangetrokken gedeelte gepaard ging, was evenzeer de toestem- 
ming van den Heer van het Gewest noodig, eene toestemming meestal 
slechts tegen geldelijke offers verkregen '). 

In latercn tijd werd echter bij het verleenen van stadsrechten 
soms uitdrukkelijk de vergunning verleend de plaats te ommuren, 
zoo o. a. in 1322 aan het dorp Lom mei, doch die ommuring, hoezeer 
aangevangen, is niet tot voltooiing gekomen en de steen aan de drie 
poorten verwerkt is later aan den kerktoren verbruikt. (Tegenwoordige 
Staat, deel XII, bladz. 86). 

Rotterdam, dat zich van eene visschersbuurt eerst in de 
XIV de eeuw tot eene handelsplaats wist te ontwikkelen, kreeg 8 Mei 
1358 van den Graaf van Holland verlof „omme eene veste te maecken 
om hare stede, also groot als hem duncke oorbaerlijck te wesen, also 
verregaende, als heure vrijheden ende poortregt strecket, ende om 
vesten te ronden ende tot heure proffijt bet te maecken, wij hem 
heur vrijheden meere ende geven poortregt te hebben dat rode sant, 
dat aen der poort gelegen is ende Heer van Wateringen toebehoort." 

Ook het dorp Os kreeg in 1399 met haar stadsrecht de vrijheid 



1 ) Zoo wist Amsterdam in 1387, Aclbrccht van Beijeren te overtuigen 
„dattet met hare uitbreiding kenlike noet" was, tot overtuigingsmiddel eene 
goede somme van penningen bezigend. 



VERGUNNING TOT BEMURING. 



VERLEENING VAN STADSRECHT. 



47 



a >« '*"•* d a <& 



W*,. 



zich met Muuren en Poorten te voorzien, doch ook deze omvesting is, 
of niet tot stand gekomen, of door de Gelderschen spoedig na hare 
voltooiing verwoest. 

Het dorp G o e s , dat zich rond een burcht, het latere slot O s t e n d e 
had ontwikkeld, en vóór het jaar 1342 stadsrecht had verkregen, 
doch onbevest was geble- 
ven, kreeg 21 November 
1417 van Jacoba van 
B e ij e r e n het volgend 
handvest: „Zoo hebben 
wij aengezien en ook 
wel bedacht, dat onse 
getrouwe stede van der 
Goes, open, kranck ende 
onbevest is ... . en heb- 
ben geconsenteert en 
willen, dat wij, deselvc 
onse stede, vesten, 
ster eken ende b e - 
sorgen met poirten 
ende andere goede 
weeren ... ." 

Soms ook moedigde 
de Gewestelijke Heel- 
de bewoners eener stad 

aan om ter betere bescherming en verdediging van het Gewest, 
hun stad te vesten. 

Zoo gaf de Bisschop van Utrecht die van Ootmarsum in 1395 
de vrijheid van den tol te Hardenberg en te Nijebrugge, en op 
15 Februari 1397 een groot veld, „daer sij vlitelich gearbeijt hebben 
en arbeide, dieselve onse stat te begraven, te plancken en te vesten, 




Afb. N". 25. De Boogschutter *). 



!) In dc afbeelding staat het oud-fransche spreekwoord: 
„Qui souvent donne et n'en a joye 
L'une flesche après 1'autrc envoye." 
In randschrift vertaald als volgt: 

„Ja datmen veel gheeft en men siet hulp noch bate, 
Ten is gheen wonder dat dit meest elck verdriet, 
Waer'toe ist nut men hout gheen oorden noch mate. 
Dan datmen den één pijl na den anderen schiet." — 



48 BEMURTNG DRR STEDEN. 



dair sij boers selfs koelhove en erve tot der stat graven en vestinge 
mede afgegraven hebben, want dit onsen gestichte en sonderlinge 
onsen lande van Twenthe seer nutte en orberlich is;" bovendien haar 
bij brief van 1399 „umme dat /e truwelike ende vlitelike ghearbeidet 
hebt, an den wicbolde van Oedmarsum ende omdat ze daer noch voert 
truwelike en vlitelike an arbeiden", de gruit of bieraccijns voor 6 jacr 
voor 10 goede fransche gouden schilden jaarlijks, verpachtend. 

In 1402 was dit werk nog niet afgeloopen, althans toen werd de 
pacht 5 jaar verlengd, „myt voirwaerden, dat sij horen cyngel graven 
van onse stad vurs. bijnnen drijen jaren na datum des brieffs wel graven 
zeilen als hem duncket, dattet best noet is en die stad vestigen en beteren 
nae hoere macht. Sonder argelist." (Overijss. alm. van 1843,bladz. 109.) 

Otto II, Graaf van Gelder, die zonder daartoe door den Keizer 
gemachtigd te zijn verschillende plaatsen stadsrecht schonk, zooals 
Gelder in 1229, Harderwijk in 1231, Arnhem, Emmerik en 
Lochem in 1233, Doesburg in 1237, zou volgens Pontanus 1 ), 
het vlek Arnhem van alle zijden omringd hebben met een hoogen 
muur en gracht en voorzien van vier sterke torens; dezelfde Graaf zou 
mede Harderwijk, Roermond, Bommel, Wageningen en 
G o c h bemuurd hebben 2 ) ; ik vermoed echter, dat de Graaf de poorters 
van elk dier steden, ter betere verdediging van zijn gewest, heeft ver- 
gund hun stad te ommuren, en hen daarbij heeft geholpen, door de 
omwonenden te gelasten hen daarin behulpzaam te zijn, tevens misschien 
de noodige gronden en materialen daarvoor beschikbaar stellend. 

De rekeningen van het Hof van Gelder over de XIII de eeuw 
zijn helaas verdwenen, zij toch zouden het bewijs kunnen leveren, of 
inderdaad de ommuring dier steden door Otto II is bekostigd, 't geen 
ik betwijfel. Diezelfde twijfel geldt waar van enkele steden in het 
Sticht of Over-Sticht wordt meegedeeld dat zij door de Bisschoppen 
van Utrecht zijn ommuurd, minder echter voor de grenssteden, welke 
ter beveiliging van het gewest werden omvest, zooals Rh en en, dat 
in 1346 met muren en poorten en Hardenberg dat ± 1355 met een 
houten planketsel en eene gracht werd voorzien ; doch ook hier zullen 



') Zie: I. I. Pontanus in zijn: „Geldersse Geschiedenissen'' door A. van 
Slichtenhorst vertaald en in 1654 uitgegeven. 

2 ) Dit zegt Ernst Brinck, de Burgemeester van Harderwijk, in zijne 
beschrijving dier stad, opgenomen in den Steden-atlas van J. Bleau, van 
omstreeks 1650. 



BEMURING DER STEDEN. 49 



de burgers en de omwonenden wel kosteloos den noodigen arbeid en 
de bisschop den noodigen grond en materialen hebben geleverd. 

Iets dergelijks had plaats te Enschede, een vlek, dat in 1325 
van den Bisschop stadsrecht had gekregen en enkel met eene gracht 
of stadsgraven was omgeven. Den 25 en Mei 1465 gelastte de Bis- 
schop den bewoners „een plancte stek ede (een planken staket) 
rond de stad aan te leggen en om hen in de kosten van aanleg en 
onderhoud te gemoet te komen, gaf hij hun, een stucke woeste velt 
landes gelegen achter den Molen voir ons stad, tusschen de Kempen 
en der Meeden, streckende aen die lantweer 1 ) myt voirwerden, dat 
ellick Hues end Hoffstede bynnen onser stat van Enschede een stucke 
landes daer aff hebben dat erflicke ende ewelicke, sonder daer aff te 
vercopen, versetten, belasten ofte te vervremden by blijven sall sonder 
argelist", zijnde de tegenwoordige stadsmarke. 

De steden bij of rond een kasteel in opkomst of reeds ontstaan, 
werden echter niet zelden hetzij geheel, hetzij grootendeels, op kosten 
van den heer van het kasteel versterkt, zoo wordt van Ghisebrecht 
van Aemstel gezegd dat hij ten jare 1299 „veste die stede van 
Amstelredam alom mit houten wijchusen ende mit getoornden 
brugghen, mer die poorters van Haerlem, mitten ghemene volc van 
Kennemerlant verjagheden desen Gisebrecht ende verbranden die 
brugghe ende die veste tot pulveren", (aldus de Be ka). 

Ook Gr ave, een vrij allodiaal goed van Heer Jan van Cuijck 
zou door dezen in 1285 versterkt ende gefortificeert zijn, en in 1429 
gaf Arnoud van Egmont om haar vesten daarmede te maken en 
te verbeteren 12 mergen lant onder Gassel, met permissie om die te 
verpanden, beleenen of verkopen, tot hun nut en goeddunken, terwijl 
de Heer dier stad in 1510 nog een tweede casteel aan de noordzijde 
op de Mase liet bouwen tot meerdere versterking en versekering van 
deselve, overmits de continuele oorlogen tusschen Gelderlant en Brabant. 

Bergen op Zoom, dat zich had ontwikkeld rond een reeds in 
de IX de eeuw gesticht kasteel, werd ± 1287 door den toenmaligen 
kasteelheer Gerard van Wesemale met muren omringd en met 



*) Behalve hare ommuring- hadden sommige Overijselsche en Geldersehe 
steden nog een grooter of kleiner gedeelte harcr omgeving door eene omwalling 
omsloten en daarin bij de wegen wachtposten aangelegd, dit noemde men de 
lantweer. Zie daarover F. A. Hoefer. 

I. 7 



50 ONTMURING DER STEDEN ALS STRAF. 

torens voorzien, terwijl de Stad Gorinchem, niet alleen hare 
ommuring met de 10 hooge en vele lage torens en hare poorten, maar 
ook haar ontstaan te danken zou hebben aan Heer Jan van Ar kei, 
die omstreeks het jaar 1230 al de visschershuizen met de kerk van 
het dorp Wolf ar en zou hebben doen afbreken en herplaatsen bij 
zijn kasteel gelegen aan de Linge en Merwede l ). 

Ontmuring der Steden. 

Hoezeer het ommuringsrecht stilzwijgend in het stadsrecht vervat 
schijnt, zag de Heer eener stad, toch niet altijd met evenveel 
welgevallen, dat zij haar verdedigingswerken ongevraagd ging 
verbeteren, haar houten staketsel bijv. door een ringmuur ging 
vervangen, en dit te minder, zoo de onderlinge verhouding soms 
veel te wenschen overliet. 

Toen dan ook de stad Groningen, die zich reeds ten jare 1020 
met plancken ende stricketten zoude hebben omheynd, en welke sedert 
het jaar 1040 onder het bestuur van den Bisschop van Utrecht was 
gekomen, in het jaar 1110 ongevraagd die omheining door een ring- 
muur verving, noodzaakte de Bisschop haar, daartoe aangezet door 
zijn Prefect met wien de Groningers bij herhaling in strijd waren , die 
ommuring weder af te breken. In 1143 moest die stad opnieuw 7 verklaren 
zich nimmer zonder zijn goedvinden te zullen ommuren, tot zij ten 
jare 1162 zóó goed ommuurd bleek, dat zij na een vol jaar tever- 
geefs door den Bisschop te zijn belegerd, bij den getroffen vrede 
hare bemuring behield, die steeds zorgvol in stand gehouden en met 
eiken uitleg dier stad in omtrek verwijd, tot in het begin der X\TI de 
eeuw als veiligheidsgordel dienst heeft gedaan, en toen eerst, ver- 
vangen door de in de jaren 1607 — 1624 uitgevoerde nieuwe verdedi- 
gingswerken, werd afgebroken en verdween. 

Geen wonder dan ook, dat waar eene stad in openbaren strijd 
kwam met haar Heer, en door dezen na eene belegering werd inge- 
nomen, alsdan hare verdedigingswerken, haar strijdmiddel, zulks 
moesten ontgelden. Zoo werd de stad Delft, die zich in 1358 tegen de 
keuze van Hertog Albrecht van Beijeren tot Ruwaard van Holland 
had verzet en hem als zoodanig niet wilde erkennen en huldigen, 
in 1359 door dien Hertog na eene belegering van 10 weken inge- 
nomen en verplicht zich geheel te ontmantelen, hare gracht te dempen; 



J ) Zie daaromtrent Abraham Kemps: „Beschrijving der stad Gorinchem." 



OMMURING DER STEDEN ALS STRAE. 51 



de steenen harer afgebroken ommuring en poorten werden weggevoerd 
en aan 's Hertogs eigen gebouwen benut. 

De stad Alkmaar, wier poorters met de Kabeljauwschen Haar- 
lem belegerden en Enkhuizen en Medemblik overmeesterden, 
werd als straf door Philips van Bourgondië in 1426 gedwongen zich 
te ont vesten en weder een open dorp te worden; eerst in 1451 werd 
het haar vergund zich weder te ommuren en te bepoorten, doch bij 
vonnis van 25 Mei 1492 werd zij, daar tal van hare burgers zich 
gevoegd hadden bij het kaas- en broodvolk, dat Noord-Holland in 
oproer had gebracht, verplicht terstond de poorten, muren en torens 
en andere vastigheden, wezende aan de stad af te breken, de vesten 
en grachten te vullen en zoo lag zij nu open en onverdedigbaar, een 
gemakkelijke prooi voor de Gelderse hen, die haar in 1517 uitplun- 
derden; eerst in het jaar 1528 werd zij opnieuw in besloten, verdedig- 
baren toestand gebracht. 

Een geheele of gedeeltelijke o n tmuring was inderdaad de zwaarste 
straf, welke een stad d e s t ij d s kon treffen en bij onderlingen 
strijd, hetzij van de steden met het omliggende gewest of met de 
omliggende kasteelheeren of met elkaar, moest de overwonnene zulks 
bijna altijd betalen met eene ontmanteling. De stad Groningen in 
haar strijd met de Ommelanders en Drenthen, ten jare 1231 door dezen 
belegerd en genomen, werd verplicht een gedeelte harer ommuring 
te slechten, hare poorten steeds geopend te houden en hare stinsen 
af te breken, kortom eene opene stad te worden, hetgeen zij bleef 
tot de beëindiging van dien strijd in 1255. 

IJselstein, dat zich tegen den zin van de poorters van Utrecht 
in het begin der XIV de eeuw met behulp van haar Slotheer tot eene 
stad had ontwikkeld en door den Bisschop met 3 vrije jaarmarkten 
was begiftigd, werd ten jare 1417 door Hertog Jan van Be ij eren, 
daarin bijgestaan door die van Utrecht, belegerd en genomen en den 
23sten j un j g a f d e Hertog aan de Utrechtenaren verlof om het slot, 
de muren en de torens neder te werpen en de grachten te vullen 
en binnen 6 dagen tijds was het vernielingswerk met man en macht 
verricht en IJselstein tot eene opene onverdedigbare plaatsgemaakt, 
hetgeen zij bleef tot in 1467. 

Bunschoten, dat in 1383 van den Bisschop van Utrecht stads- 
recht verkreeg en zich toen ommuurde, nam in 1426 in den strijd 
tusschen den Bisschop en den Graaf van Holland, Hollandsche bezet- 
ting in, hetgeen den Bisschop zóó vertoornde, dat hij in 1428 de stad 



02 OMMURING DRR STEDEN. - - OVERGEBLEVEN OMMURINGSGEDEELTEN. 

in brand stak en haar muren, poorten en torens deed afbreken, zoodat 
zij sedert een open vlek is gebleven. 

Aangezien de stad Franeker ten jare 1786 den Patriottischen 
Frieschen staatsieden tot vergaderingszetel had gediend, werd bij 
vonnis van het Hof van Friesland bepaald, dat haar geen fortificatie- 
penningen meer zouden worden uitgekeerd, dat al haar oorlogs- 
materiaal te Leeuwarden in het arsenaal moest worden overgebracht 
en dat uit hare stadspoorten de deuren, en uit hare waterpoorten de 
hekken moesten worden uitgenomen en hare ophaalbruggen over de 
grachten in vaste bruggen worden veranderd. Die poortdeuren en 
hekken werden toen in de kerk gebracht, met zware ketenen aaneen- 
gekoppeld en met groote sloten vastgemaakt, tot zij na de omwenteling, 
op 5 Maart 1795, met groote plechtigheid weder werden ingehangen 
en de stad zich opnieuw 's avonds kon sluiten en veilig gevoelde. 

Het bezit eener verdedigbare ommuring met hare omgrachting 
en poorten was inderdaad van lieverlede in de middeleeuwen het 
sprekend symbool eener stad geworden; die door de gedeeltelijke 
verdwijning harer ommuring weder geacht werd een dorp te zijn 
geworden, onmachtig om zich te verdedigen, open voor eiken aanval, 
open voor elke roofbende, die onder welken naam of voorwendsel 
dan ook, mocht goedvinden haar met een nachtelijk bezoek te ver- 
eeren. Geen wonder dan ook, dat aan die ommuring, waarmede heur 
veilig bestaan, heur rustige ontwikkeling, heur bloei, inderdaad zóó 
nauw verbonden was, door bijna alle steden, veel zorg werd besteed, 
de ommuring was toen inderdaad een der hoofdfactoren van het 
stedeleven, en wel de allervoornaamste uit de passieve reeks. 



Overgebleven ommuringsgedeelten. 

Wat is er van die oude ommuringen met haar torens en poorten 
tot op heden nog overgebleven? 

Betrekkelijk al heel weinig. 

Maastricht heeft in den laatsten tijd verschillende gedeelten 
van haar ringmuur van 1220, (zie afb. N°. 3) door afbraak der kleine 
daartegen of daarin gebouwde huisjes blootgelegd. Die ringmuur, zie 
afb. N°. 26, voorstellende het gedeelte bewesten de Sint-Servaas, nu 
hoog tot bovenkant weergang 6.90 M., is zwaar 2.50 M , voorzien 



OVERGEBLEVEN OMMURINGSGEDEELTEN. 



53 



van halfrond gesloten nissen, breed 3.80 M., diep 1.25 M. en met 
eene borstwering op den weergang. 

De stad Roermond bezit langs hare noordzijde, onder hare 
aldaar aanwezige omwalling, nog een groot gedeelte van den 
baksteenen ringmuur ten jare 1231 door of met toestemming van 
den Graaf van Gelder gebouwd, en schijnt voornemens deze geheel 













'&■>;& 






_.^?>--t~-. ■ ^ 



Afb. N". 26. De XIII lle -eeuwsche ringmuur van Maastricht. 



te ontgraven en dan in stand te houden, terwijl Venlo, de ommu- 
ring, gebouwd nadat zij in 1343 stadsrecht had gekregen en welke 
zij in 1848 met de daarin aanwezige ronde torens nog grootendeels 
bezat, sedert totaal heeft afgebroken, evenals Rh en en, in 1846 nog 
in 't bezit van haren boven- of noordelijken ringmuur. 

In de stad Utrecht vindt men in het ter plaatse der vroegere 
omwalling aangelegd plantsoen, bezuiden de Nobelstraat, nog een 
stuk bolwerk, met een gedeelte van haren baksteenen ringmuur met 
zijn halfronde boognissen van 3 M. breedte, door pijlers van 1.15 M. 
breedte gescheiden. Bij het afgraven van de omwalling bij het bolwerk 
Zonnenburg voor het aldaar omstreeks 1840 door J. P. Zocher 
aangelegd plantsoen, vond men mede een groot gedeelte der oude 
ommuring, ter buitengewone zwaarte van 5.50 M., met halfronde 
boognissen, diep 3.30 M. en met pijlers breed 1.70 M. 

In Kampen kan men aan de rivierzijde nog enkele gedeelten 
en zelfs nog een paar muurtorens terugvinden harer ommuring van 
A° 1347, muurgedeelten ter weerszijden echter zóó aangebouwd, bestopt 



54 OVERGEBLEVEN OMMURINGSGEDEELTEN. - ZUTPHEN. 



en verbouwd, dat het moeite kost ze te ontdekken; van de kostbare 
ommuring na haren uitleg in de jaren 1434 — 1493 om de nieuw-stad 
aangelegd, een muur hoog boven den grond 26 voet, dik 8 voet, lang 
4000 schreden en voorzien met 20 torens, il waterpoorten en 3 
hoofdpoorten, is helaas, behalve de Cellebroeders- en de Minderbroe- 
derspoort niets meer overig, een plantsoen, boomen, planten, bloemen 
en grasvelden , zij hebben die vroegere verdedigingswerken aldaar 
geheel vervangen. 

Deventer heeft van hare vier ommuringen, zie de afbeeldingen 
N°. 19 en N°. 27 slechts bewaard een drietal toren-rompen ; hare eerste 
ommuring verdween reeds grootendeels in het midden der XIII de eeuw, 
toen zij zich had uitgelegd en volgens Dumbar „dese stat ront om 
met een nieuwen hoogen ringmuur met toorens doorregen en van 
achteren met een steenen wal op groote bogen rustende bekleedt, 
omvangen werd, van welke toorens en muuren ingevolge concordaat 
in den jaere 1556 een groot gedeelte toen afgebroken is om tot het 
nieuwe voorhanden zijnde metselwerk deser stat wederom gebruikt te 
worden." Van haren dubbelen buitenmuur zijn dicht bij de schipbrug 
aan de rivierzijde, „achter de Muren" en bij de Haven nog eenige 
gedeelten overgebleven, doch mede door huizen-aanbouw ter weers- 
zijden bijna onvindbaar verscholen. 

Dankbaarder is in dit opzicht de Stad Zutphen. 

De ruïne over de Berkel. 

Bezuiden de Sint-Walburgskerk staat, tegen de binnenzijde met 
huizen bezet, nog een groot gedeelte van den ouden stadsmuur, hoog 
± 7.60 M., boven uitgekraagd, deels met een boogfries, deels met 
eene uittanding, een e uitkraging welke ten doel had den muur ter 
hoogte van den weergang ten behoeve der gekanteelde borstwering 
te verbreeden. 

De ommuring om de Nieuw-Stad, (zie afb. N°. 20), voor zooveel 
nog aanwezig, is echter overal ter halver hoogte afgebroken; het 
belangrijkste gedeelte, daarvan nog overgebleven, is één der beide 
groote waterpoorten, de zoogenaamde ruïne over de Berkel. De 
ringmuur, bij de aantrekking der buiten cf nieuw-stad aangelegd, 
werd bij de rivier de Berkel met twee waterpoorten tegen de ommu- 
ring der oude stad aangesloten, en één dezer poorten, de breedste, 
is in ruïne vorm overgebleven. 

Achterstaande afb. N°. 28, toont die poort, doch niet het daarbij 



L .Vr o it wc 11 Kcrfce 



het X,ainnicn 
Cloofter 



de Vis I'oort 



£4 Si p;^ 



hetryc «r Krater huys 

1 1 



5' h 



tówjy-^- 






Jr ItTCf 



I 







Afb. N°. 27. Middengedeelte van het groote aspect der s 




:er door Joh. Christiaens, A°. 1615, in 4 bladen uitgegeven. 



DE RUÏNE OVER DE BERKEL TE ZUTPHKX. DO 



aansluitend gedeelte van den muur, lang drie boognissen, spits gesloten, 
tusschen hun 1.30 M. zware pijlers, breed 2.05 M. en diep 1.00 M., 
met een vóór- of sluitmuur ter dikte van 0.67 M. De waterpoort zelve, 
zoowel rivier- als scheepsdoorlaat, heeft drie spitsbogig gesloten 
openingen van gelijke hoogte doch ongelijke breedte, de middelste 
breed 5.45 M., de zijopeningen breed 4.55 M., rustend op 2.60 M. 
zware pijlers, stroomopwaarts scherp gepunt, eene drievoudige poort 
van 25.70 M. breedte vormend, wier boogopeningen of doorlaten 
door valhekken en sluitboomen zoo noodig werden gesloten. Over die 
doorlaten heen loopt een overdekte gang, 1.70 M. hooger gelegen als 
de weergang van den aansluitenden ringmuur, welke weergang 3.25 M. 
hooger, ook over de poort doorloopt, op de einden gesloten en aldaar 
overgaande in uitgekraagde ronde hoektorens, die, onder tot traptoren 
dienend boven in een gekanteeld open waeckhuseken eindigen. De 
ter volle muurdikte doorgaande kleine vierkante gaten, op de afb. 
zichtbaar, doen veronderstellen, dat zij oudtijds dienden tot het aan- 
brengen van een, buiten het muurwerk uitgebouwden, en bij de torens 
omgaanden overdekten houten werpgang; de groote rechthoekige openin- 
gen in den muur, gaven dan toegang tot dien werpgang en konden, 
was deze niet aangebracht, met eiken luiken, passend in de daartoe 
uitgespaarde sleuven, worden gesloten. 

De schietspleten in beide weergangen en in de torens, alsook de 
kanteelen toonen, dat deze hoogst merkwaardige en in haar soort 
eenige waterpoort, gebouwd in het begin der XlY de eeuw, niet enkel 
diende tot afsluiting van de rivier en tot verbinding van den door 
deze onderbroken ringmuur, maar zelve ook tot verdediging was ingericht. 

Als toegang tot den weergang of ommeloop der ommuringen en 
tot de verdieping der torens, dienden smalle steenen steektrappen, 
soms met dubbele opgangen voorzien, zie afb. N°. 20, op verschillende 
plaatsen, meestal bezijden een der muurtorens aangebracht, trappen, 
met de muurkanteelingen nu echter alle verdwenen; soms ook dienden 
trappen van door midden gekloofde boomstammen, op 't allereen- 
voudigst ondersteund, tot opgang. 

Waar de ligging van het terrein geen natte, geen met water 
gevulde, slechts droge grachten toeliet, te onzent eene uitzondering, 
die wij slechts aantreffen langs de hooger gelegen stadsgedeelten 
van Maastricht, Nijmegen en Rh en en, werd, althans te 
Rh en en, om den ringmuur, op eenigen afstand nog een tweede, 



DUBBELE BEMURL\TGEN. 



MUURTORENS. 



57 



een lagere ringmuur met droge gracht aangebracht, voorstellende de 
belegering en inname dier stad ten jare 1499. 

Doch ook daar, waar men volop water voor de grachten ter 
beschikking had, werden soms groote gedeelten dubbel of zelfs drie- 
voudig ommuurd; zoo had de stad Zwolle (zie afb. N°. 16) langs 
hare zuidzijde tusschen de Camper- en Sassenpoort, een drievoudigen 
ringmuur. De stad Deventer, zie afb. N°. 19, was rondgaand dubbel 
ommuurd ; in het midden 
der XIV de eeuw toch 
werd , onder openhouding 
cener rondgaande straat, 
de „Achter de Muren", 
om den ringmuur nog 
een tweede aangelegd, 
en deze langs zijn binnen- 
zijde tot borstwerings- 
hoogte met een aarden 
banket versterkt om beter 
tegen het toen in gebruik 
komend vuurgeschut be- 
stand te zijn; waarschijn- 
lijk achtte men ditnoodig, 
omdat het ten behoeve 
van den handel, vóór de 
ommuring aan de IJsel- 
cn Havenzijde gelegen 
breede opslag- en laad- 
terrein een gevaar kon 
opleveren ; ook buiten- 
gewoon hooge rivier- 
standen maakten een vóór-muur wenschelijk, die nu vanaf de Veer- 
poort tot aan de Bergpoort werd doorgetrokken. 




Afb. N°. 29. Amsterdam. Gezicht op haar ringmuur met 

opgang en de Heilige weg's Poort in 1540, 

naar H. Spilman. 



Muurtorens. 

In den ringmuur, meestal van zware baksteenen op 't allereen- 
voudigst zonder eenige versiering, hoogstens voorzien met een muizen- 
tand of met een uitgekraagd boogfries op weergangshoogte, plaatste 
men, in navolging van de kasteelommuringen, op alle hoeken en verder 
op ongeveer dubbel boogschotsafstand van elkaar, dat is op 50 — 80 M., 

I. 8 



;>,s 



MUURTORENS. 



meestal half rond doch ook wel rechthoekig vooruitspringende torens, 
met hun zijdelings aangebrachte schietgaten, de omgrachting en den 




Alb. N ü . 30. De Kronenburger muurtoren te Nijmegen. Naar een photo van A° 1900. 



voet der ommuring bestrijkend en den vijand niet zelden den door- 
loop sluitend, zoo deze zich door beklimming van een gedeelte van 
den weergang mocht hebben meester gemaakt. 

Deze torens met zwaar muurwerk aan de buitenzijde gesloten en 
aan de stadszijde veelal open, hadden een binnendiameter van 3 tot 
soms 7 M., met eene overdekte verdieping op of iets boven weer- 
gangshoogte tot wacht- of waakverblijf dienend, terwijl rond haar dak- 



MUURTORENS. 



59 



voet veelal een uitgekraamde omgang met gekanteelde borstwering 
was aangebracht. Door hun voorsprong, hoogte en daken , onderbraken 
zij op 't schilderachtigst de lange ringmuren, die op zwakke of gevaar- 
lijke hoeken, niet zelden van zwaardere torens met meerdere ver- 
diepingen waren voorzien; de niet door eene natte gracht be- 
schermde ommuringsgedeelten hadden vaak grootere en hoogere 
torens, getuige de gelukkig nog overgeblevene Kronenburgertoren 
te Nijmegen, zie afb. N°. 30. 

Deze ronde toren onder + 13.10 M. in buiten- en 7.05 M. in 
binnen-diameter en dus met 3 M. zwaar muur- 
werk, in welks dikte de 0.96 M. breede trap 
is uitgespaard, heeft een overwelfd onderver- 
trek, de vloer op ± 8 M. boven de gracht 
gelegen, en daar boven nog twee overwelfde 
vertrekken. Vanaf den op een boogfries uit 
gekraagden twaalfzij digen benedenweergang, 
verdund het muurwerk tot op de helft; de 
bovenweergang op + 30.50 M. + gracht 
gelegen, omsluit een lage spits nu met een 
looden keizerskroon tot puntstuk. 

Blijkens de schetsen voorkomende in een 
album van Gerard Terborch l ) van ± 1630, 
had Zwolle eertijds in hare ommuring der- 
gelijke muurtorens, zie afb. N°. 31, staande op 
een breeden ronden on- 
derbouw, een ommeloop 
voor den opgaanden toren 
vormend, wiens uitge- 
kraagden bovenweer- 
gang met uitspringende 
werpgaten, geen spits 
heeft maar vlak afgedekt 
en aldaar met een klein 
verkennings- of waak to- 
rentje met sierlijk spitsje 
is voorzien. .- éu^— \ 




x ) Dit album berust in het 
Prenten-kabinet te A'dam. 



Afb. N u . 31. Voormalige muurtoren te Zwolle, naar eene 
teekening van G. Terborch van + 1630. 



60 MUURTORENS. 



Dc ronde toren met zijn boogfries en zijn schietgaten onder den 
weergang, afb. N°. 32, mede uit het album van Terborch, stelt den 
Swanentoren van Zwolle voor. 

Karakteristieker evenwel was de XIII de -eeuwsche muurtoren, welke 
in de ommuring van Wijk, te Maastricht bij de brug over de Maas 
stond en in 1869 terwille eener aldaar toen gebouwde kerk is gesloopt. 
Deze toren, afb. N°. 33, binnenwerks 6.30 M. in diameter en driekwart 
vóór de daartegen aansluitende ommuring met weergang uitsprin- 
gende, was onder buiten werks in diameter 10.30 M. ; door verhooging 
van den Maasoever, hadden echter de ommuring en de toren ± 2.50 
tot 3 M. van hun vroegere hoogte verloren. De eerste verdieping 
van den toren, bereikbaar door eenc in den ringmuur aangebrachte 
steektrap, tevens toegang gevende tot den weergang van dien muur, 
lag 2.50 M. boven dien weergang ; van af die verdieping gaf een bezijden 
iets uitgebouwde steenen spiltrap toegang tot de beide hoogere verdie- 
pingen, door een houten zoldering gescheiden, en tot den rond den 
toren aangebrachten uitgckraagdcn en met een afdak overdekten weer- 
gang met zijn 7-tal 60 bij 80 cM. groote schietgaten in grijze bcrg- 
steen; een veelzijdige spits met omgaand laag afdak dekt het toren- 
geheel, dat in dien vorm en in dat steenmateriaal in ons land ecnig 
was l ) en wiens spits met windvaan eene hoogte had van 19 M. boven 
den weergang der ommuring. 

Van de XII de -eeuwsche torens, die in de ommuring der stad 
Utrecht, zie afb. N°. 18, eene bijzondere taak en daarom grootere 
afmetingen hadden, doch op die kleine afbeeldingen niet voldoende 
uitkomen, waren de voornaamste, de Bollaertstoren, in 1840 nog 
aamvezig, de Bijlhouwers- of Toltoren dienend tot bescherming van 
den Rijntol, de Plompetoren, de Smeetoren en de Sint-Servaastorcn , 
van geen dezer is echter iets meer overig. De stad Veere echter 
bewaart nog haar Kampveersehen toren met haar ommuring ten jare 
1368 gebouwd, die het Veersche gat moest bewaken, evenals Enk- 
huizen nog haar zwaren Engelschen toren, nu „de Drommedaris" 
genaamd, in 1396 gebouwd tot verdediging van hare haven tegen de 
West- Vriezen, en Vlissingen haar voormaligen Gevangentoren, met 



*) Een opmeting van dezen verdedigingstoren, door C. Bouma in 1869 vóór 
de afbraak gemaakt, is aanwezig in de verzameling „Oude Bouwwerken" aan 
het Departement van Binnenl. Zaken. 



62 



MUURTORENS. 



hare ommuring in 1489 gebouwd, terwijl de stad Hoorn nog bezit haar 
typische Hoofd- of Haventoren uit het begin der XVI de eeuw, waarin een 

uitgemetseldestee- 
nen lantaarn tot 
havenlicht diende. 

:j: 

Op het duide- 
lijkst spreken de 
vroegere stadsom- 
muringen met hare 
bogen en torens 
uit de verschil- 
lende stadsafbeel- 
dingen, van het 
laatst der XVI d - 
en van het begin 
der XVII de eeuw. 
AfbeeldingN . 107, 
de stad Kampen 
ten jare 1598 in 
vogelvlucht voor- 
stellende, toont op 
den voorgrond den 
muur langs de 
IJselkade met zijn 
poorten en torens, 
waarin bijna re- 
gelmatig een half- 
rond met een 
rechthoekig vóór- 
springenden toren 
afwisselt, terwijl 
ter verdediging 
van den havenin- 
gang noordwaarts 
en bij de aansluiting met de stadsgracht zuidwaarts een zwaardere 
toren met een iets hooger opgaand verkenningstorentje staat. In den 
ringmuur aan de landzijde, welke over de volle lengte hare bogen en 
torens toont, staan die torens op veel grooteren onderlingen afstand 




Afb. N°. 33. Muurtoren te Wijk bij Maastricht. Naar een photo 
vóór de afbraak genomen. 



MUURTOR RNS. 63 



dan in den IJselmuur, wiens bouw ouder is en dagteekent uit den 
tijd toen de vuurwapenen nog niet in gebruik waren. 

Het plan in vogelvlucht der stad Amsterdam van 1536, zie 
afbeelding N°. 21, toont het geheele beloop der bemuring van af de 
Haarlemsche poort tot aan den Schreijerstoren, welke bemuring langs 
de IJzijde ter wille van den handel niet doorliep. Aan die zijde 
werd de stad beveiligd door een dubbel paalwerk met een groot 
rondeel en voorts door een paar zware torens op de kade en een 
rondeel bij den Schreijers- of zwaren toren aan het eind der ommu- 
ring. Die ommuring toont duidelijk, dat zij uit het laatst der 
XV de eeuw dagteekent; in elk harer diepe den weergang dragende 
bogen is een geschutgat aanwezig en door die geschutgaten , evenals 
door die in de onderverdiepingen harer muurtorens ziet men langs 
den Kloveniersburgwal overal de vuurmonden uitsteken, terwijl mede 
de grootere onderlinge afstand en de zwaardere afmeting dier muur- 
torens wijst op haar lateren bouwtijd, waarin pijl en boog reeds bijna 
voorgoed door het verder dragende vuurroer waren vervangen. 

Andere steden, twee of drie eeuwen vroeger ommuurd, hadden 
dan ook in verhouding een veel grooter aantal muurtorens, terwijl 
Amsterdam blijkens dit plan er in 't geheel slechts 27 heeft, had 
de stad Utrecht er terzelfder tijd ruim 40, de stad Groningen 
een 36-tal, de stad Zwolle een 24-tal en de stad Deventer in 
hare dubbele ommuring (zie afb. N°. 19) zelfs een 75-tal. Van al haar 
verdedigingstorens heeft Amsterdam er slechts twee bewaard, de 
Montelbaans- en de Schreijerstoren, welke laatste, staande op den 
hoek van den Kloveniersburgwal en het IJ, thans zijn gekanteelde 
borstwering mist en al heel weinig van zijn vorig karakter heeft 
overgehouden. 

Uit afb. N°. 16 der stad Zwolle van + 1580 blijkt, dat als- 
toen haar muurtorens meerendeels geheel gesloten torens waren, 
hoog opgaand boven den weergang, met onderscheidene bovenverdie- 
pingen en afdekkingen, terwijl die van de beide buitenringmuren 
langs de zuidzijde, alle den rondeelvorm hebben. 

Bijzonder duidelijk is de ommuring met hare bogen, gekanteelde 
borstwering en 24 torens teruggegeven op afb. N°. 12, de stad Breda 
voorstellende, zooals zij in de jaren 1350 — 1410 was ommuurd, eene 
ommuring na de groote uitbreiding dier stad in 1531 — '36 met haar 
torens en poorten gesloopt. 



64 MUURTORRNS. — POORTNAMRN. 



De meerendeels halfronde torens zijn hier alle gesloten en aan de 
stadszijde van opgaande trapgevels voorzien ; rond den tegen den ring- 
muur aansluitenden burcht loopt een afzonderlijke ringmuur door een 
paar hoektorens met den stadsmuur verbonden. Ofschoon deze teekening, 
waarschijnlijk naar een oud schilderij genomen, misschien niet in allen 
deele juist is, geeft zij toch een zeer goede voorstelling eener vroegere 
stede-omvesting, duidelijker dan afb. N°. 20, welke zoowel de middel- 
eeuwsche als de latere verdedigingswerken der stad Zutphen aan- 
geeft, de aansluiting toont van haren tweevoudigen uitleg met de 
ommuring van de oude stadskern en tevens den Drogenaps- en den 
Boergoenschen toren, beide in de XV de -eeuw gebouwd en, hoezeer 
veranderd, nog aanwezig. 

Afbeelding N°. 34 geeft de ommuring met hare 14 halfronde 
torens der stad Wij k-bij -Duurstede met het daarbij aansluitend 
oude kasteel en de later daaromheen geprojecteerde dwingers. Tegen- 
over een der muurtorens ligt in het rechter bovengedeelte van het 
stadsplan een heuvelvormige hoogte een „Catte", waarop oudtijds 
waarschijnlijk ter versterking van dat gedeelte der ommuring een 
hooge houten toren stond bewapend met een blide om zware steenen 
te werpen; ook in andere steden, o. a. in Groningen, had men 
blijkbaar een dergelijke Catte, althans een der voorheen aan de 
ommuring gelegen straten heet aldaar nog steeds het „Kat ten ha ge", 
terwijl Zwolle halverwege de Camper- en Sasserpoort nog haar 
blij- mar ckt heeft, zijnde de plaats alwaar voorheen de stads-blijde 
lag of stond. Een zeer eigenaardige kijk op eene stadsommuring 
met hare torens geeft ook Frontisp. II, blz. 139, voorstellende de stad 
Rhcnen, met haar ten deele dubbelen ringmuur. 

Poortnamen. 

De stadsmuurtorens hadden in de meeste steden of eigennamen, 
of toevallige benamingen. Die met eigennamen ontleenden deze aan 
het beeld van een heilige in een stuk steen uitgehouwen en buiten 
in het toren-muurwerk aangebracht, zoo had Nijmegen: haar Sint- 
Joesten- en Sint-Jacobstoren ; Amsterdam: haar Sint-Andries-, Sint- 
Jacobs-, Sint-Jeroens-, Sint-Nicolaas-, Sint-Sebastiaans- en Onze Lieve 
Vrouwetoren, Utrecht: haar Sint-Servaestoren , enz. 

Werd, ten teeken der vrijmarkt voor den duur dier markt 
tegen een der torens of poorten een rood houten kruis bevestigd, 
dan werd deze toren of poort meestal de roede of roode toren 



66 POORTNAMEN. — MEZEKOUWEN. 



genoemd, aldus de Rhoentoren te Zwolle, ook Arnhem, Does- 
burg, Leiden, Nijmegen, Utrecht, enz. , hadden alle een 
rooden toren. 

Dienden zij tot gevangenis, 'tgeen niet zelden het geval was, 
dan kregen zij den naam van Gevangentoren ; werden zij in latcren 
tijd benut tot berging van kruit, dan werden zij kruittorens genoemd. 

De muurtorens werden in vredestijd, meestal om Godswil of sonder 
huijre, ter bewoning afgestaan aan stadsdieners , den scharprichter, 
den stratemaker, aan een stadsspeelman of piper, of aan arme gezin- 
nen en dan meestal genoemd naar den toevalligen bewoner ; niet zelden 
ook werden een of meer torens in de nabijheid der doelens of schiet- 
banen gelegen, aan de scutten ten gebruike afgestaan, zooals te 
A m s t e r d a m de Kolveniers toren bij d e D o e 1 e straat, enz. 

Mezekouwen. 

Behalve de torens en soms ter vervanging van deze, vinden wij in 
onze oude stede-ommuringen dikwijls z.g.n. „mezekouwen", vogelkooi- 
vormig uitgekraagde kleine wakeboden of waeckhusekens, meestal 
halfrond uitgemetseld en met een klein houten spitsje gedekt, soms 
ook rechthoekig van vorm, niet zelden als tijdelijk getimmerte enkel 
in oorlogstijden aangebracht. Op de beide aanzichten van Harderwijk 
van omstreeks 1580, afb. N°. 35 en 36, ziet men een veertiental 
steenen en een viertal houten mezekouwen, die hier, vooral aan de 
zeezijde, terecht de voorkeur verdienden boven de in opbouw en 
onderhoud veel kostbaarder muurtorens. Op het aanzicht van Amers- 
foort, afb. N°. 14, vinden wij bijna regelmatig telkens midden tus- 
schen twee muurtorens een mezekomv uitgekraagd, en op het gedeelte 
lijk prospect van Deventer, afb. N°. '27, rechts in de bemuring dier 
IJselstad, een zeer breed waakhuusken, door vier sterk voorsprin- 
gende boogjes gedragen en gedekt met een hooge spits eindigend in 
een torentje ; aan de andere zijde der schipbrug zijn mede een tweetal 
waakhuisjes, wier bovenbouw echter reeds verdwenen en waarvan 
nog alleen de uitgekraagde voet is overgebleven, terwijl afb. N°. 16 
een met een hooge spits gedekt, toren vormig waakhuisje toont in de 
ommuring van Zwolle, bij „die Rhoentoren." 

De oude ringmuren veranderen. 

Van al die oude ommuringen met haar lange bogenreeksen, 
haar weergangen, haar tijdelijke overdekkingen, opgangen, open 



mm 

pht I 

i'fr-f 
II Rï N ) ! 







68 DE OUDE RINGMUREN VERANDEREN VANWEGE II KT VUURGESCHUT. 




Afb. N°. 37. Rondeelen in de ommuring van Maastricht, naar photo. 



of gesloten to- 
rens van ver- 
schillende vor- 
men en afme- 
tingen en haar 
uitgekraagde 
waakhuisjes of 
mezekouwen , 
en wat zij ver- 
der nog meer 

eigenaardigs 
ter verdediging 
mochten bezit- 
ten, van dat al- 
les, is, met uit- 
zondering van 
enkele muur- 
torens, feitelijk 
nu zoo goed als 
niets meer overgebleven en in vele steden is zelfs, o.a. in Delft, 
enz., het beloop harer eerste of oudste ommuring bezwaarlijk meer 
met juistheid aan te geven. Verschillende omstandigheden waren 
oorzaak dier bijna totale verdwijning. 

Gebouwd, de oudste althans, in de X de , XI de , XII de en XIII de eeuw, 
waren zij toen volkomen berekend voor de gebruikelijke aanvals- 
en verdedigingswapenen, pijl en boog, de oestal, de mol of storm- 
ram en de blijde of steenwerper ; tegen het midden der XIV de eeuw 
kwam echter met het donrekruyt, de donrebus, de haeckbus en het 
vuurroer. Hoezeer aanvankelijk door hun oorverdoovend geraas 
meer verschrikkend, als wel door hun onzeker schot kwaad stichtend, 
nemen zij toch reeds vrij spoedig in draagkracht, in vernielvermogen 
en in zekerheid van schot toe, worden tevens gemakkelijker draag- 
en verplaatsbaar en brengen allengs een algeheelen ommekeer teweeg 
in de verdedigingswerken onzer steden. 

De gekanteelde weergang toch der ommuring, een vrije ommeloop 
aanbiedend hoogstens ter breedte van 2 M., was evenmin als de daartoe 
te enge torenverdiepingen geschikt voor de plaatsing van het nieuwe 
geschut en de borstweringen dier weergangen, evenmin als het metsel- 
werk der muren en torens zwaar genoeg om den schok van een tref- 



HET VUURGESCHUT. 



69 



schot te weerstaan en stelde daardoor de verdedigers bloot aan het 
gevaar door de steenen hunner eigen ommuring te worden getroften. 
Om daarin te voorzien versterkte men nu de het meest aan het vijan- 
delijk geschut blootgestelde ommuringsgedeelten met rondeelcn, 
zijnde half of driekwart rond vooruitspringende zwaar ommuurde aarde- 
werken van ± 10—15 M. diameter, eerst nog met zware iets uitge- 
kraagde borstweringen omsloten, getuige afb. N°. 37, van een paar 
rondeelen in de ommuring van Maastricht. 

Reeds spoedig echter verving men die steenen borstweringen door 
met zand gevulde schanskorven, zie afb. N°. 38, voorstellende eene 
poort van Arnhem, beschermd door een met geschut beplant rondeel, 
zie mede afb. N°. 39, voorstellende de belegering van Hulst in 1645. 
Op die rondeelen plaatste men nu de karbouwen, slangen en serpentijnen 
of hoe 't geschut toen mocht heeten, terwijl men ter zelfder tijd ter 
betere verdediging van de haven- of riviermonden, of op de zwakste 
punten, zware torens bouwde met 2 of 3 of meer overwelfde verdie- 
pingen boven elkaar, alle tot plaatsing van geschut ingericht en bestemd, 
hetzij om de rivieren te bestrijken, hetzij om den toegang tot de haven 




Afb. N°. 38. Poort met rondeel van Arnhem, naar eene oude teekening. 



en de stadsgracht te beletten Zoo bouwde de stad Enk huizen 
ten jare 1396 haar z.g. Engelschen toren om hare haven, die alstoen 
den Graaf van Holland tot oorlogshaven diende in zijn strijd tegen 



70 



HET VUURGESCHUT. 



de Friezen, te beveiligen, welke toren waarschijnlijk op last en met 
behulp van Aelbrecht van Beijeren gebouwd, door hem met Engelsche 
boogschutters werd bezet en naar dezen genoemd. Zoo bouwde de 
stad Groningen in 1470 haar Drenkelaerstoren om haar Schuiten- 
diep af te sluiten, en zoo voorzag de stad Amsterdam in 1481 
haar open of lj-zijdc met rondeelen en vijf zware torens, zie afb. 




Afb. N°. 39. Hulst, belegerd in 1645. 

N°. LM waarvan de Schreijers- en de Mon tel ba a n storen nog 
zijn overgebleven. 



De muurtorens werden nu ontdaan van hun borstweringen en 
spitsen en de ommuringen, zoo de ruimte achter deze zulks althans 
toeliet, door een daartegen aangeworpen aarden wal versterkt en ver- 
breed, en daardoor bestand niet alleen tegen de werking van het 
geschut, maar ook geschikt gemaakt om met geschut beplant te 
worden; was er evenwel geen ruimte voor een aarden wal langs de 
achterzijde, dan werd deze als 't kon aangebracht langs de voorzijde, 
of soms ook, deels langs de achter-, deels langs de voorzijde, in welk 
geval de geheelc ommuring onder die wederzijdsche aanaarding ver- 
dween. Gewoonlijk echter had die aanaarding langs de achterzijde 
plaats of wel, men liet de ommuring geheel intakt en bracht buiten 
om hare omgrachting, een tweeden, een nieuwen verdedigingsgordel 



VERANDERDE YERDEDIGINGSEISCHEN. / l 



aan met de noodige dwingers of bastions en met eene eigen doeh 
brecdcre gracht, hetgeen tal van steden in den loop der XVII de eeuw 
gedaan hebben. 

Eene tweede omstandigheid, die meer nog dan de eerstgenoemde, 
aanleiding gaf tot de verdwijning onzer Stedebemuringen , was de 
uitleg van vele dier steden in en na de XVII de eeuw, een uitleg, 
tevens nieuwe verdedigingswerken vorderend, en dit te eer, daar bij 
veler belegering in den Spaanschen tijd, de oude verdedigingswer- 
ken meerendeels onvoldoende waren gebleken en dringend afdoende 
verbetering eisehten, een veiligheidseisen, die inderdaad in menige 
stad tegelijkertijd den doorslag tot haar uitleg gaf. 

In menige stad toch en dat juist in de welvarendste, de drukste, 
waarin handel en bedrijf in omvang toenamen, was geen enkel stukje 
bouwgrond meer beschikbaar binnen de oude ommuring, van daar 
dat haar erven en huizen steeds smaller en de laatste steeds hooger 
werden en nu, buiten hare poorten, ondanks de verbodsbepalingen, 
overal woonbuurten of vóórsteden ontstonden, die in stee van hare 
veiligheid te verhoogen, deze verminderden. Eene verbetering harer 
verdedigingswerken, van haar veiligheidsgordel, gaf daardoor in 
menige stad tevens den doorslag tot een. soms voor één of meer 
eeuwen zelfs, voldoenden uitleg. 

Zoo deed althans de stad Groningen. Bij hare belegering door 
Prins Maurits in het jaar 1594 was gebleken, dat haar oude bemuring 
met haar torens, ronddeclen en poorten niet meer bestand was tegen 
het geschut dier dagen, dat haar grachten te smal, hare bruggen te 
kort, haar geschut niet verdragend genoeg was, en dat de vijand 
met zijn aanvalsmateriaal haar te dicht kon naderen en geheel onder 
vuur kon nemen, zoodat op aandrang van de Staten-Generaal en 
van Prins Maurits zelf, reeds spoedig na die belegering, plannen 
voor aanleg van nieuwe verdedigingswerken werden ontworpen, 
aanvankelijk alleen voor hare zwakste of zuidelijke zijde. Doch die 
plannen kregen weldra grooteren omvang, en tevens rijpte toen het 
denkbeeld de stad noord- en oostwaarts belangrijk uit te breiden en 
rond die uitbreiding de nieuw te maken verdedigingwerken door 
te trekken. 

Dit denkbeeld kwam tot uitvoering en binnen IS jaren tijds, in 
1607 — '24, voltooide Groningen dit groote werk, het grootste dat 
zij ooit heelt tot stand gebracht. Zij verdubbelde nu haar omvest opper- 



•HISTORISCHE PLATT 




Afb. N°. 40. Historische plattegrond der stad Groningen. 




KASTEEL VAN 
AEMSTEL. 

OUDSTEBUUBT 
BEqiN 05 r ElEUW. 

JJESTAD ÏN^*.. 



TTÏÏ| IDEMBEqiM 15 « EEUW. 



STADSMUUR EINDE 35 c EEUW 
TOT EINDE 36 l EEUW. 



|H UlTBKELDINq ± 3590. 
■ iDEM VAN. 06-UTQT 3658 



HISTORISCHE PLATTE 



Afb 




1R0ND van AMSTERDAM 



DE OUDE OMMURINGEN VERDWIJNEN. 73 



vlak, zie het historisch plan dezer stad, afb. N°. 40, voorzag zich van 
een nieuwen verdedigingsgordel, ter omgaande breedte van 180 M., 
behalve de daar buiten uitspringende 17 dwingers, vernieuwde tevens 
hare poorten, bruggen en magazijnen, en voorzag zich van beter en 
meer geschut. En naarmate die nieuwe werken vorderden, verdween 
de oude ommuring met de oude torens, poorten en aangelegen wal; 
de daardoor vrijgekomen grond werd nu verkaveld tot huiserven, de 
buitengracht veranderd in een binnengracht en van de oude verdedi- 
gingswerken, die vijf eeuwen trouw dienst hadden gedaan, was om- 
streeks 1630 niets meer overig dan de nu binnenpoorten geworden 
A- en Poelpoort. Al het overige was, behoudens enkele fundeeringen, 
zoo goed als spoorloos verdwenen en slechts uit het beloop en uit den 
naam van enkele oude straten blijkt nu nog het beloop en den omtrek 
harer vroegere ommuring. 

Hetzelfde wat Groningen deed, dat deed ook Amsterdam, 
ook zij nam in het begin der XVII de eeuw in studie een ontwerp 
voor een voor twee eeuwen afdoenden uitleg, welke haar omvest 
oppervlak zou verdubbelen, zie afb. N°. 41. Ook zij omsloot dien 
grootschen, in alle deelen uitstekend opgevatten en uitgevoerden 
uitleg, met een breeden verdedigingsgordel en sloopte de ommuring, 
welke met hare poorten, nauwelijks een en een vierde eeuw dienst had 
gedaan, slechts haar Sint-Anthoniuspoort bewarend. Wat Groningen 
in enkele en Amsterdam in meerdere jaren op zóó groote schaal 
in eens deden, dat deden tal van andere steden bij gedeelten, deels- 
ge wij ze breidden zij zich uit, voorzagen zij zich van nieuwe ver- 
dedigingswerken, de oude afbrekend, tot ook deze bij haar eindelijk 
geheel of grootendeels verdwenen waren. 

Amersfoort, Breda, 's-Hertogenbosch, Nijmegen, 
Oldenzaal, enz. zij alle hadden vóór het midden der XVII de eeuw 
de verdedigingswerken der oude, der binnenstad, reeds geheel ver- 
vangen en gesloopt, de buitenwijken daarbij aangetrokken en de 
daarmede vergroote stad van lieverlede met geheel nieuwe verdedi- 
gingswerken voorzien, van de oude hoogstens eene binnenpoort of 
een muurtoren sparende. 

Toch zouden vele onzer steden, die op grond harer geïsoleerde 
ligging, door de verplaatsing van haar handel en bedrijf, of door 
andere omstandigheden hare vroegere beteekenis, haar levenskracht 
hadden verloren en geen nieuwe verdedigingswerken en nog veel 
minder eenigen uitleg noodig hadden, hare oude ommuring tot op 



74 



DE OUDE OMMURINGEN VERDWIJNEN. 



heden hebben behouden, ware niet een derde factor de oorzaak 
geworden van de volstrekt noodelooze slooping harer ommuringen. 




Afb. N°. 42. El burg met hare hooge muurtorens in de XVIl le eeuw. 

Die oorzaak was feitelijk geen andere dan de mode, dan een besmet- 
telijke navolgingszucht. 

In de eerste helft der XIX de eeuw vooral heeft Oud-Ncderland 
blootgestaan aan eene ontzettende sloopingszucht. Bijna alles wat toen 




Afb. N". 43. Aanzicht van Hasselt in de KVU^ eeuw. 



oud was en «een direct nut had, niet door iets nieuws vervangen 
behoefde te worden en heel bescheiden eeniar onderhoud kwam 



DE OUDE OMMURINGEN VERDWIJNEN. 



75 



vragen, dat is toen gesloopt; „ruim op dien boel" scheen de leuze. 
In die sloopingsmanie zijn de stede-ommuringen, die er toen nog 
waren, verdwenen. De aanwonenden vooral drongen ter verbete- 
ring; hunner erven en tuinen daarop sterk aan, met dat gevolg, 
dat tal van onze kleine steden daardoor geheel en al haar karakter, 
haar stedelijk cachet hebben verloren, en weer dorpsplaatsjes gelijk 
zijn geworden. Zoodra een stuk oude ommuring, een oude toren of 
een poort, maar het minste onderhoud vroeg ter in stand blijving, 
werd onmiddellijk over die onbescheidene, ofschoon deze vaak jaren 
aaneen verwaarloosd en 't noodige onthouden was, het doodvonnis 
uitgesproken. 

Steden als: Asperen, Brielle, Elburg, zie afb. N°. 42, 
F r an eker, Geer tru id enb erg, Go r kum, H a s se 1 1, zie afb. N n . 43, 
Hattem, Heukelom, Heusden, Kuilenburg, zie afb. N°. 47 
en frontisp. I, Leerdam, Oudewater, Medemblik, Montfoort, 
zie afb. N°. 44, Schiedam, Schoonhoven, Vianen, Woerden, 



Montfoort 



b -r-êr-Af 

mm 

'ie ii 



mÊBÊ 



U 'm-'-. 










n 



ïlfe 

mm " 





mm 








i 4;Eis — 



W$0ï$M 



Afb. N°. 44. De stad Montfoor t in vogelvlucht + A n 1^50. Uit J. Bleau's Steden-atlas. 



76 



DE OUDE OMMURINGEN VERDWIJNEN. 





1>A)kvW 







Woudrichem, zie afb. N°. 45, IJselsteijn, enz., hebben werkelijk alle 
ter besparing van onderhoud, zoo het heette, op eene enkele poort of op 

een enkelen toren 
na, op 't ondoor- 
dachtst alles ge- 
sloopt uit haar 
ommuringstijd, 
gesloopt zonder 
eenige baat. 

Had een stadje 
als El burg hare 
ommuring met 

hare poorten, 
bruggen en to- 
rens (zie afb. 
N u . 42) in stand 
en in eere gehou- 
den, of had een 
stadje als Mont- 
foort of IJsel- 
steijn, haar kas- 
teel en haar ka- 
rakter als oude 
veste weten te be- 
houden, dan zou 
het voortdurend 
bezoek van belang- 
stellende landge- 
nooten en vreem- 






y^\\iU 




delingen, haar 



Afb. N". 45. De stad Woudrichem ofWorcum aan de Moese 
± A°. 1550, naar eene oude teekening. 

meer dan duizend- 
voud hebben vergoed, de weinige kosten noodig om dat alles in 
stand te houden. 



Rothenburg aan de Tauber, in Beijeren, met zijn typische ommu- 
ring met haar overdekte weergangen, haar poorten en muurtorens, 
is eiken zomer vol vreemdelingen, die uit Engeland, uit Amerika 
zelfs overkomen om die nog zoo karakteristiek middeleeuwsche stad 
te zien, en af te teekenen en te schilderen in 't honderdvoudige. 



DE OUDE OMMURINGEN VERDWIJNEN. 



77 



Had Veere, (zie afb. N'\ 46) als Ahr weiier en Rot hen burg, 
haar oude ommuring met de poorten en torens, haar arsenaal, enz. 
weten te behouden, dan was zij, als deze, een aantrekkingsplaats 
geworden vol belangstellende bezoekers. En ook onze grootere steden, 
Delft, Deventer, Kampen, Roermond, Zutphen, enz., ook 
zij, hadden zonder eenig bezwaar de oude ommuring, die zij in de 
tweede helft der XVII de eeuw, vóórdat zij zich toen van nieuwe ver- 
dedigingswerken voorzagen, nog vrij ongeschonden bezaten, in stand 
en in eerc kunnen houden en waren daardoor vrij wat eigenaardiger, 
karakter- en beteekenisvoller gebleven dan zij nu zijn. 

Daaraan heeft toen echter geen harer gedacht. 

Van af het oogenblik dat de zorg voor eigen veiligheid, voor 
eigen verdediging als hoofdfactor uit het stedelijk leven verdween, 
bekommerde men zich niet meer om al wat daartoe eertijds gediend 
had, en zou misschien alles reeds onmiddellijk gesloopt zijn, 
hadden de stedelijke accijnzen geen afsluiting en geen bewaakbare 
poortdoorgangen blijven vorderen. Ter wille dier accijnzen is liet 
meeste nog een tijdlang blijven staan, hoezeer vele poorten toen 




Afb. N°. 46. Veere in de XVII^ eeuw van af de rivier gezien met hare omgeving. 



reeds door hekwerken werden vervangen, tot met de opheffing dier 
accijnzen het groote sloopingsfeest begon, en nu jaar op jaar 



~H DË POORTEN. 



24-tallen merkwaardige stadspoorten, torens en muurgedeelten voor 
afbraak werden verkocht, tot er eindelijk bijna niets meer te ver- 
koopen en te sloopen viel. 



De Poorten. 

De belangrijkste gedeelten in de oude stadsommuringen, boven 
nog niet behandeld, waren de poorten, de doorgangen door die om- 
muringen, waarop binnen de hoofdstraten en buiten de hoofdwegen 
van uit de omgeving samenliepen en die het eerst aan overvallen en 
bij belegeringen het meest aan aanvallen blootstonden. Vandaar de 
groote zorg door de steden bij voortduring aan haar poorten besteed 
en waarom zij deze, naarmate de aanvalsmiddelen in kracht en in 
beteekenis toenamen, in plan- en opstandvorm en omvang wijzigden, 
tot zij eindelijk, uit respect voor de vernielende werking van het 
kanon, weder den meest primitieven, den allereen voudigsten vorm, 
dien van een simpelen doorgang aannamen. 

De eerste poortvorm, een sluitbare, enkel of dubbel elleboog- 
vormige doorgang in de houten palissade, verdween met die palissa- 
deering en veranderde in een overboogden doorgang door de omwal- 
ling, die, toen die omwalling vervangen werd door eene ommuring, 
plaats maakte voor een poorthuis, dat zich aansloot aan en een 
geheel vormde met die ommuring. Dat poorthuis diende niet enkel 
tot sluitbaren, maar tevens tot verdedigbaren toegang voor de stad, 
een toegang veiligheidshalve dan ook dag en nacht bewaakt, hetzij 
door een die poort bewonend bewaker, hetzij door een wacht van 
poorters, die regelmatig afgelost en vervangen, tevens zorgde voor 
het ophalen en neerlaten der klap in de over de gracht vóór de poort 
gelegen houten jukbrug. Ten behoeve dier wacht voorzien van eene 
overzolderde verdieping werd ter verdediging langs den dakvoet 
een omgaande weergang met gekanteelde borstwering aangebracht 
en de door een hooge leispits meestal gedekte zolder benut tot 
wapenmagazijn. 

Het oudste poorthuis. 

De oudste, tevens eenvoudigste en onkostbaarste vorm van een 
zoodanig poorthuis was die van een in plan vierkant of rechthoekig, 
soms ook rond gebouw met een tusschen zwaar muurwerk besloten 










Afb. N°. 47. De stad Kuilenburg met; haar kasteel in vi 




gezien, ± A°. 1650, uit den Steden-atlas van J. Bleau, 



POORTTYPEN. 79 



overwelfden doorgang", niet breeder (± 3 — 1 M.) dan noodig was om 
een geladen hooiwagen door te laten met ter weerszijden eenige ruimte 
voor de wachthebbenden. De diepte der poort (± 8 — 1 1 M.) was zoodanig, 
dat een bespannen wagen ongehinderd binnen den aan beide zijden 
met zware poortdeuren gesloten doorgang, zoo noodig, kon worden 
doorzocht. In zulk een poorthuis, meestal uitgevoerd zonder eenige 
versiering van zware baksteenen, zoogenaamde reuzenmoppen, was 
in den doorgang in een der dikke zijmuren een diepe nis uitgespaard 
met een steenen zitbank voor de wacht, en binnen den anderen zijmuur 
een steenen trap, toegang gevend tot de verdieping, welke verdieping 
doorgaans geen verbinding had met den daartegen aansluitenden 
weergang der ommuring. Wel werd soms buiten de poort boven den 
doorgang een smalle weergang uitgekraagd ten behoeve van den 
anders verbroken ommeloop, o, m. had dit plaats bij de Poelepoort 
der stad Groningen, die in de XII de eeuw gebouwd, in 1828 
is gesloopt. 

Deze eenvoudige poorttype komt het meest voor bij onze kleine 
steden, welke zich met eenvoudige verdedigingswerken moesten 
tevredenstellen, zooals: Bolsward, El burg, Hat tem, Mont- 
f o ort, Vianen, Woudrichem, enz. ; en bij de overige steden 
daar, waar op grond van de terreinsgesteldheid, een aanval het 
bezwarendst was en het minst geducht werd. Tot deze type behoorde 
oorspronkelijk ook de Koornmarktspoort te Kampen (zie afb. N°. 48), 
zijnde haar oude Veerpoort en daarom ter betere onderscheiding steeds 
witgckalkt. De hoog opgaande rechthoekige middenbouw, breed buiten- 
werksch 11 en diep 9.65 M., nu met zijn dakvoet op 13.60 M. + straat, 
doch voorheen toen de IJseloever zooveel lager was op ruim 14.50 M. 
daarboven; die middenbouw met halfrond overwelfden doorgang, ver- 
tegenwoordigt de oude poort, een doorgang aan de buiten- of rivier- 
zijde 3.60 en aan de stads- of binnenzijde breed 4.15 M. met over- 
zolderde bovenverdiepingen waarboven een zolder met hooge leispits. 

Tegen deze poort sloot ter weerszijden de ommuring met haar 
weergang aan, van welken muur nog enkele gedeelten en een enkele 
muurtoren, hoezeer nu grootendeels door daartegen aangebouwde 
perceelen gedekt, zijn overgebleven. De den dakvoet omsluitende iets 
uitgekraagde borstwering was voorheen gekanteeld en de ramen van 
de poort waren toen zoo veel smaller, dat zij geen gevaar voor 
inklimming konden opleveren. In de XIV de eeuw heeft men tegen dit 
poortgebouw op elk der beide buitenhoeken een sterk vooruitspringende 



80 



l'OORTTVPEN. 



/ware ronde toren van 7 M. diameter aangebouwd, die van boven acht- 
kant uitgekraagd met een lage spits was gedekt en met een weerffane 




Afb. N°. 48. De Veer- of Koornmarktspoort te Kampen, naar photo. 

was omsloten. Door dien aanbouw verloor deze poort haar oorspronkelijk 
karakter en veranderde zij tot eene poort van een ander, van het tweede, 
het te onzent meest voorkomende type, bestaande uit een rechthoekig 
middengebouw met voorspringende zware torens op de buitenhoeken. 

De nog bestaande Koepoort te Hoorn, zie de afb. N os . 49 en 50, van 
buiten halfrond en verder rechthoekig van vorm, biedt een variant op 



POORTTYPEN. 



81 



de eerste type; langs hare buitenzijde was zij voorheen voorzien van 
een weergang, haar sierlijke bergsteenen doorgangsomlijstingen dag- 
teekenen eerst uit de XVII de eeuw. De beide zeepoorten van Har- 
derwijk, zie afb. N os . 35 en 36, en, behalve hare Nobelpoort, 
ook alle poorten van Zierikzee behoorden tot deze eerste type. 
De Brugstraatspoort van Harderwijk, op afb. N°. 36, rechthoekig 
van grondvorm, heeft hoog boven de aansluitende ommuring een 
weergang met uit- 
gekraagde hoekto- 
rentjes, waarboven 
nog een tweede 
weergang is uit- 
gekraagd ; de an- 
dere zeepoort, de 
Vischmarktpoort , 
was blijkens de af- 
beelding van ova- 
len vorm, mist een 
ommeloop rond 
haar spits, doch 
heeft op de ver- 
dieping boven den 
halfronden door- 
gang zoo iets als 
een werpuitstek. 

Op het vogel- 
vluchtplan van 
Amersfoort van 
omstreeks 1182, 
(afb. N°. 13), ziet 
men mede vier- 
kante poortgebou- 
wen, met steenen 
boogbruggen over 
de dubbele om- 
grachting en bijna 

alle met een vóórpoort, staande op den wal, welke die dubbele 
omgrachting met hare bruggen scheidt. 

Duidelijker dan op het prospect van Harderwijk spreekt de 




Afb. N°. 49. Hoorn, de Koapoort gezien van de stadszijde, naar een photo. 



82 



POORTTYPEN. 



vierkante poortvorm met omgaanden benedenweergang en hooger 
opgaanden binnenbouw, oorspronkelijk ook met een ommeloop langs 
den dakvoet, uit afb. N°. 51 der Bergpoort te Deventer. Het 
getraliede bovenvenster toont dat de verdieping tot gevangenis 

diende ; ter weers- 
zijden van den 
spitsbogigen door- 
gang ziet men de 
kettinggaten der 
groote kiapbrug, 
terwijl het ijzeren 
wiel met ketting 
naast dien door- 
gang aan eendaar- 
toe uitspringende 
ijzeren staaf han- 
gende, een afzon- 
derlijk klapbrugje 
voor voetgangers 
doet veronderstel- 
len. Buiten tegen 
de poort staat be- 
zijden de brug een 
wachthuisje, dat 
echter evenals al 
dergelijke huisjes 
eerst tot de latere, 
tot de poorteigen- 
aardigheden , der 
XVII de eeuw be- 
hoort. 

Afb. N' 1 . 50. Hoorn, de Koepoort gezien van de buitenzijde, 

naar een photo. * 

Van gelijk ka- 
rakter, hoezeer slechts met gedeeltelijk omgaanden, geheel overdekten 
weergang om den hooger opgaanden binnenbouw, langs de halfrond 
vooruitspringende buitenzijde der poort, was, blijkens afb. N°. 52, de in 
de XII de eeuw gebouwde A-poort te Groningen, die later eenigszins 
verbouwd, door den uitleg dier stad in het begin der XVII de eeuw, 
in eene binnenpoort veranderde. De weergang op een boogfries uitge- 





-II 



84 



POORTTYPEN. 



^_ 




ü#1 



yi ui ncu 



iH'i'i- , l k' Ö t-< ) V ;. llti,c*U8 



Afb. N°. 52. Groningen, de A-poort. A°. 1754, naar C. Pronk. 



kraagd, is met boognissen geleed en eindigt aan de stadszijde tegen 
de aldaar uitgemetselde achtzijdige hocktorentjes. 

Tweede poortvorm. 

Minder verschillend in plan- en opstandsvorm dan het oudste 
poorttype was het tweede, het poortgebouw met hoektorens aan 
de buitenzijde, welk type het best bewaard is gebleven in de nog 
bestaande gerestaureerde Heipoort te Maastricht, zie afb. N°. 53, 
ten jare 1229 gebouwd. 

Dit poorthuis bestaat uit een vierkant midden- of hoofdgebouw, 



POORTTVPEN. 



85 



breed 7.15 M., diep 8.45 M., met twee, halfrond vóór de ter weers- 
zijden aansluitende ommuring uitspringende, slanke torens van 3 M. 
en 3.30 M. breedte, waarvan de smalste tot traptoren dient. Boven 
den halfrond overwelfden, 3.75 M. breeden en nu nog slechts 3.70 M. 
hoogen doorgang, is op de overwelfde eerste verdieping, gelijkvloers 
met den weergang, een overdekt houten werpuitstek, een machicoulis, 
uitgekraagd, voorzien van drie werpgaten, terwijl de zolderruimte aan 
de buitenzijde met een voormuur met drie schietspleten en aan de 
achterzijde van een laag neerschietend dakschild is voorzien. 

De beide torens met hunne spitsen hoog 24.50 M. -f straat en 
4.70 M. diep, zijn aan de 
voorzijde halfrond, doch 
verder rechthoekig. Bin- 
nen den doorgang, voor- 
heen evenals de weer- 
gang zooveel hooger als 
het terrein zich aldaar 
in verloop van tijd ver- 
hoogde, zijn onder het 
gewelf op 20 cM. afstands 
van elkaar op kraagstuk- 
ken een paar muurbogen 
aangebracht, eene gleuf 
of sponning vormend , 
die, doorgaande door de 
gewelfdikte, diende om 
daartusschen in geval 
van nood, van uit de 
verdieping een ijzeren 
valhek tot meerdere af- 
sluiting van den door- 
gang neer te laten. 
Dergelijke valhekken of 
zware eiken valdeuren 
vond men destijds bij 
meest alle poorten ; op 
tal van afbeeldingen van 

poortdoorgangen zijn zij zichtbaar, o. m. in die der oud-Haarlemsche 
poort van Amsterdam, afb. N°. 66, in die van eene der poorten 




Afb. N°. 53. Maastricht, de Heipoort gezien van de 
buitenzijde na hare restauratie, naar photo. 




Afb. N°. 54. De Nobelpoort te Zierikzee gezien van hare buitenzijde, naar een photo. 



POORTTYPEN. 



87 



van Harderwijk, op afb. 
Zwolle, afb. N°. 58. 



N°. 35, en in die der Camperpoort te 



Van dit zelfde type, doch bijzonder zwaar en groot van afme- 
tingen is de nog bestaande Nobelpoort te Zierikzee, afb. N°. 54, 
in de XIII de eeuw gebouwd. Het hoofdgebouw heeft hier een breedte 
van 10.90 M. bij een diepte van 12.75 M., op de beide buiten- 
hoeken versterkt met ronde torens van 6 M. buitendiameter; de 
met kruisgewelven gedekte doorgang is breed 3.72 M. en heeft ter 
weerszijden 1.50 M. breede met nissen voorziene wapengangen, toe- 
gang gevend tot de ondervertrekken der torens. Een steenen spiltrap 
in een der binnenhoeken van het hoofdgebouw leidt naar eene over- 
zolderde zaal op de eerste verdieping, binnensmuurs groot 8.20 bij 
10.75 M., uit welke zaal twee steenen spiitrappen toegang geven naai- 
de tweede of zolderverdieping, eertijds met een weergang langs zijn 




Afb. N°. 55. De gewezen Poelepoort te Groningen, naar eene teekening 
van C. Pronk (1754). 



smalsten dakvoet voorzien. Het 4 M. hooger oploopend metsel- 
werk der beide torens is van boven achtzijdig uitgekraagd ten 
behoeve der leispitsen, wier windvanen hoog boven de straat 
en boven de stad uitkomen. Karakteristiek zijn op beide bovenzalen 



SN 



POORTTYPEN. 



de zolderingen van zware moer- en kinderbalken rustend op sloven, 
muurstijlen en karbeelen, op de bovenste zaal nog ondersteund door 

een pilaar met 
naar vier zijden 
zich daaruit ont- 
wikkelende 
schoren; in het 
baksteenen met- 
selwerk der to- 
rens is van bui- 
ten bij wijze van 
versiering gla 
zuursteen aan- 
gebracht. 

Van gelijken 
grondvorm was 
mede de Poele- 
poort te Gro- 
ningen, zie 
afb. N°. 55. 

Bijna elke stad 
had in hare om- 
muring oudtijds 
een of meer der- 
gelijke poorten, 
op de platte- 
gronden in vo- 
gelvlucht dui- 
delijk kenbaar, 
zooalsdebinnen 
poort te Amers- 
foort, welke 
nog bestaat, afb. 
N°. 13, zooals 
de Goorpoort te 
Elburg, de drie poorten van oud 's-Hertogenbosch. afb. N°. 17, 
en zooals de nog bestaande Oostpoort van Delft, de Vispoort te 
Deventer, en de Lekpoort te Vianen, enz. 

Ook dit type komt voor in verschillende variëteiten. 




Alb. N'. 56. Kampen, de Cellebroederspoort van de buitenzijde gezien. 
Naar eene teekening van C. J. Smits. 




41 



O 



90 



POORTTYPEN. 



Een der eigenaardigste is wel de Cellebroederspoort te Kampen, 
afb. N". 56, met haar rechthoekig middengebouw van 8.75 M. breedte 




Afb. N". 



58. Zwolle, de Camper-voorpoort van de binnenzijde gezien, naar eene teekening 
van G. Terborch + 1630. 



bij 11.35 M. diepte, aan weerszijden voorzien van een iets meer dan 
halfrond naar voren springenden zijtoren van 9.30 M. diameter. Hoezeer 
het bovengedeelte in 1627 geheel in den stijl dier dagen werd verbouwd, 
en deze poort toen haar weergangen , haar vroegere vensters en schiet- 
spleten verloor, is zij toch nog steeds een der karakteristieke eigen- 
aardigheden dezer stad ; opvallend echter is het verschil in breedte- 



POORTTYPEN. 



l >1 



afmeting harer poortdeuren, zijnde die aan de buitenzijde 3.25 M. en 
aan de binnenzijde 4.95 M. 

Van gelijken planvorm was ook de Camper-vóórpoort te Zwolle, 
zie afb. N" s . 57 en 58, met dit verschil, dat hier de zijtorens het midden- 
gebouw als het ware insluiten en beschermen ; de torens zijn van 
boven vlak afgedekt en van eene borstwering en een klein waakhuisje 
voorzien ; de middenbouw gaat echter nog een verdieping hooger op 
en is afgedakt. Afb. N°. 57 is een gezicht van buiten op de poort en 
haar ophaalbrug; op den voorgrond staat een eenvoudig wachthuisje 
en daartegen een zitbank met afdak voor hen, die op het openen der 
poort of op het ophalen der brug moeten wachten. Rechts ziet men 
de torens der ommuring, links een paar kerktorens der stad, terwijl 
afb. N°. 58 de binnenzijde dier poort voorstelt, met het ommuurde 
kleine binnenplein met overdekten weergang, de vóórpoort met het 



vierkant poort- 
het plan der stad 
een zwaar val- 
wij een dubbele 
derlijke ophaal- 

De Dieser- 
N°. 16, weder 
grondvorm, be- 
aan de buiten- 



huis der ommuring verbindend, zie 
afb. N°. 16. In den doorgang hangt 
hek en buiten dien doorgang zien 
klapbrug, de buitenste met een afzon- 
brug voor voetgangers. 

poort te Z w o 1 1 e , heeft, zie mede afb. 

een anderen 
staande uit een 
of grachtzij de 
halfrond mid- 
dengebouw zich 
met twee ronde 
torens bij de 
ommuring aan- 




Afb. N°. 59. Zwolle, de Dieserpoort, naar eene schets van G. Terborch van + 1630. 



94 POORTTYPEN. 



schets van het bovengedeelte met zijn uitgekraagd boogfries, zijn 
kanongaten, zijn gekanteelde borstwering, reeds verwaarloosd en met 
planten begroeid en zijn verkenningstorentje, uit welks half peer- 
vormige spits een schoorsteen komt kijken, terwijl de afb. N" s . 60 
en 61 die poort met hare lange jukbrug en in aansluiting met de 
ommuring met overdekten weergang voorstellen. 

Derde poortvorm. 

Met de verbetering der aanvalsw r erktuigen, toen de dondcrbus 
vooral voor de poorten gevaarlijk begon te worden, werden deze nu 
niet zelden verdubbeld. In plaats van eene palisadeering met een 
wachthuisje vóór of op de brug, werd nu eene vóórpoort gebouwd, 
een op zich zelf verdedigbaar geheel, door eene ommuring verbonden 
met het eigenlijk poortgebouw, de derde, de kasteelvormige poort- 
vorm vertegenwoordigend, een type, dat nog het best tot heden 
bewaard is gebleven in de hoogst schilderachtige Amsterdamsche of 
Spaarndammer poort te Haarlem, zie afb. N°. 62. 

Zij bestaat uit een vierkant hoofdgebouw van 8.80 M. breedte bij 
7 M. diepte, waartegen aan de buitenzijde op eiken hoek een acht- 
kante toren is aangebouwd, een dezer als traptoren dienst doende. 
Dit hoofdgebouw heeft boven zijn halfrond overwelfden, 3.40 M. 
breeden doorgang, cóne verdieping over de volle breedte en boven 
deze nog twee smallere verdiepingen, bezijden door een nu open 
doch voorheen overdekten weergang begrensd. Aan den voet der 
dakspits ligt op 15.30 M. -f straat omgaand een tweede weergang 
met de hooger opgaande traptoren tot toegang, terwijl de andere 
toren tot wacht- of waakhuis diende. 

Vóór dit hoofdgebouw, doch daarmede een aansluitend geheel 
vormend, ligt een lager poortgebouw, enkel bestaande uit een halfrond 
overboogden doorgang, met overdekten weergang daarboven, besloten 
tusschen en uitkomende in twee onder ronde en boven achtzijdige 
zijtorens van 3.60 M. diameter. Zijmuren, die torens met het hoofd- 
gebouw verbindende, omsluiten tevens het kleine binnenplein, dat 
rondgaand van een weergang met steenen borstwering is voorzien, 
en dus bij overrompeling nog van daar af te verdedigen is; in den 
vloer van het gedeelte weergang tusschen de torens van het hoofd- 
gebouw zijn daartoe tevens de noodige werpgaten. Een zelfde poort- 
plein, doch met overdekten weergang op de zijmuren, toont de Cam- 
perpoort te Zwolle, afb. N°. 58. 









^ iu 




96 



POORTTYPEN. 



Hoezeer bij herhaling- verbouwd, is de Amsterdamsche poort 
van Haarlem toch eene onzer best bewaarde eni meest karak- 




«r frH p i 








-ntSüs^.- 



Af 



b. N°. 64. De Warwijksche poort te Veere, naar eene gravure van P. Bast van A°. 1598 '). 



teristieke poortgebouwen, de eenigste trouwens van hare vele poorten, 
welke die stad goedvond niet als de overigen in de XIX de eeuw 
voor afbraak te verkoopen en te doen sloopen. Trots haar een- 
voud — er is geen stukje beeldhouwwerk aan dit bakst eenen gebouw — 
is het toch een merkwaardig monument uit dein ommuringstijd 
dezer stad, met zijn spelende vormen, met zijn torens, met zijn 
drie hoog weergangen, zijn binnenplein, zijn voorpoort en brug, op 
't welsprekendst, beter dan honderd afbeeldingen van gesloopte poor- 
ten zulks kunnen, toonend, hoe karakteristiek en typisch Haarlem 
er moet hebben uitgezien, toen die stad niet enkel al haar poorten, 
waaronder de hoogst merkwaardige Groote- en Kleine Houtpoort, 



') Onder deze afbeelding staat: 
„Daer de eene blinde de andere leijt, vallense beijde onversins in de sloodt. 
„Nempt geen leijdtsman, ofte sijt verseckert van sijn gesiclhte bloodt." 



POORTTYPEN. 



97 



doch de geheele ommuring met al haar torens nog bezat, zooals 
afb. N u . 63 dez:e aangeeft. 

Tot deze zelfde, de kasteelvormige poorttype, behoort de belang- 
rijke Warwijksiche poort te Veere, in 1470 gebouwd, zie afb. N°. 64, 
met hare zware zijtorens, waartusschen tot bescherming van haren 
doorgang een overdekt houten werpuitstek is aangebracht, en bezijden 
de poort een groote mezekouw. 

Boven de ommuring uit, waarvan nog een overdekte half- 
ronde muurtoren zichtbaar is, ziet men de Onze Lieve Vrouwekerk 
met haar zwaren vóór- en haar kruistoren, zooals zij was vóór den 
brand van 25 Mei 1686. 

Mede beho<oren tot deze type de oude Sint-Antonius- en de oude 
Haarlemmerpoort te Amsterdam, zie de afb. N os . 21, 65 en 66; 
eerstgenoemde poort is gelukkig niet gesloopt, doch zoo vaak ver- 
bouwd en tot andere doeleinden ingericht, dat zij daarbij haar cachet 
als poort geheel heeft verloren. 

Ook de Rotterdamsche poort te Delft, zie afb. N°. 67, evenals 
de vroegere Weert- en de Tolsteechpoort te Utrecht, zie de afb. 
N os . 68 en 69, zijn van nagenoeg gelijken hoofdvorm ; laatstgenoemde 




Afb. N'. 65. D'oude Sint-Anthonispoorte t'Amster dam, naar S. Frisius. 



'3 



98 



POORTTVPEN. 



poortgebouwen hebben elk een vóórpoort met zware ronde torens, het 
poortplein met gekanteelden muur aansluitend aan het hoofdgebouw. 
Bezijden de steenen boogbrug, met een schutmuur tot borstwering, is 
bij de Weertpoort een, en zijn bij de Tolsteechpoort twee wacht- 
huisjes uitgekraagd; beide bruggen zijn, door een er midden op staand 
houten draaihek, afsluitbaar. 

De nog bestaande Sasserpoort te Zwolle, (zie o>p het plan dier 




Afb. N°. 66. De oude Haarlemmerpoort te Amsterdam. 



stad, afb. N°. 16) behoort, ofschoon zonder vóórpoort, mede tot deze 
type. Zij bestaat uit een rechthoekig gebouw van 10.40 M. breedte 
bij 10.80 M. diepte met twee, onder ronde en van boven achtkante, 
torens van 6.70 M. diameter op de buiten- en met twee dergelijke 
torens van 4.20 M. diameter op de binnenhoeken ; eene gekanteelde 
borstwering omsluit op + 21.50 M. straat het geheel. Boven den 4 M. 
breeden spitsbogigen doorgang is aan de buitenzijde eene kleine nis 
voor het beeld van een heilige en daarboven op de tweede ver- 
dieping, 13.50 M. -+- straat, op een tusschen de beide torens geslagen 



-II 




-•■ . • 



•^ 



vJL ...4 ...X' l"' L. v » -• (" 

* tftt ' r-'i . ' T^ 




_. 






- -• 



I 



— r e ~ 









•^««^ '• 






. 



- 



■■■■ . -'. 



ry. 



4- 



„ - 



■ 






r 









■ 



;>,'■ 



. 




•■> L 'S? 



>-^-.| 



'■ . Ü 



- . • . 













Ar 






< V 



Vü 



«f • v 









fe»., -.,,,» 



:ti' IMT^' 



< 
+1 



102 



POORTÏYPEN. 



uitspringende boog een weergang met werpgatem in de bevloering. 
Een ommuurd ronddeel waartegen de beide buiteenringmuren van de 
zuidzijde dezer stad aansluiten, vervult hier de pllaats van een poort- 
plein met vóórpoort, een rondeel bezet met cem paar wachthuisjes. 

Rondeelen. 

Dergelijke rondeelen, van 8 tot 25 M. diaimeter, werden in en 
reeds vóór de XVI de eeuw niet zelden buiten vóór of nevens de poorten 

aangelegd (zie de 
afb. N"\ 35, 37 en 
38); met het geschut 
bezet, waarvoor op 
de poorten zelve 
meestalgeene plaats 
was, beschermen zij 
deze. Dergelijke 
rondeelen zien wij 
o. m. vóór de poor- 
ten van Zutphen, 
zie afb. N°. 20, bij 
de Smee- en de 
Luttekepoort van 
Harderwijk, zie 
afb, X". 35, vóór 
enkele poorten van 
Haarlem, zie afb. 
N°. 63, enz. 

Langzamerhand 

kwam men echter 
tegen en in de 
XVI de eeuw tot de 
ervaring, dat het 
poortgebouw met 
zijn torens, weer- 
gangen, werpgaten, valdeuren en rondeelen bij (ernstige belegeringen 
tegen de vernielende werking van het geschut n iet meer bestand was 
en meer gevaar dan nut opleverde. Bij de mieuwe verdedigings- 
werken op het laatst der eeuw uitgevoerd, zien wij het poortgebouw 




Alb. N'. 70. De Bergpoort te Deventer, gezien van de buitenzijde. 
Naar een photo. 



% 

i 

» 



3 






V 1 7 ; 















b > 







104 POORTTYPRN. 



dan ook geheel verdwijnen; slechts een overwelfde sluitbare doorgang 
in de breeder aangelegde omwalling, blijft er van over, een doorgang 
voor den vijand op eenigen afstand vaak niet eens in die omwalling 
te onderscheiden. Ten behoeve van het vooruitspringend wal-talud 
worden nu ter weerszijden van dien doorgang een paar nankmuren 
gemetseld, in verband met den vóór- of sluitmuur der poort, welke 
muur, zoo de beurs zulks toeliet, welstandshalve met een kolom- of 
pilasterfront, met nis- of beeldwerk en met basreliefs of opschriften 
werd versierd. 

Tot die versierde poortfronten, want anders waren het niet, 
behoorden o. m. de Bergpoort te Deventer, zie afb. N°. 70, geheel 
in bergsteen op het smaakvolst uitgevoerd en bekroond met het 
wapen dier stad, door twee krijgers vastgehouden; ook van de tenjare 
1621 gebouwde Heerepoort te Groningen, is evenals van genoemde 
Bergpoort, na de afbraak, het sierlijk gebeiteld front te Amsterdam 
in den tuin van het Rijksmuseum geplaatst. Minder karakteristiek 
was de in de ommuring van Dordrecht aangebrachte buiten 
Vuylpoort, zie afb. N ü . 71, een Renaissance-gebouw met boven- 
verdieping, waarachter de karakteristieke middelieeuwsche binnen 
Vuylpoort met gekanteelden weergang en erkers aan den dakvoet 
uitkomt. 

Ten behoeve der poortwacht werden nu, meesttijds zoowel aan 
de binnen- als aan de buitenzijde der poort, tegen de omwalling een 
paar kleine huisjes aangebouwd, een enkele maal ook werd boven 
den zwaar overwelfden doorgang een meer of min sierlijke bovenbouw 
geplaatst; op die wijze was o. m. de in 1623 gebouwde A-poort te 
Groningen, en is nog de bestaande, in 1577 gebouwde, buiten 
Oosterpoort te Hoorn '), evenals de A-poort te Groningen van een 
klokketorentje voorzien. 

Eigenaardig ook is in die poort het gebogen beloop van haar 
lengte-as, en in nog sterkere mate had dit de Brusselsche poort te 
Maastricht. Sedert de XV de eeuw toch was men reeds gewoon, 
om de lengte-as eener poort niet te plaatsen in het verlengde van de 
as der straat welke zij afsloot, maar deze daarmede een ietwat stompen 



l ) Aan de binnenzijde dier Oosterpoort stond in 't Latijn dit opschrift: 
„Niets baat de waakzaamheid der wachters, niets helpen wapenen en groote 

tinnen der muren en de donders van het raauwe kanon, indien Gij, o God! 

deze Stad niet wilt regeren en beschermen." 




M 



106 



POORTTYPEN. 



hoek te laten maken, opdat het op die poort gericht vijandelijk geschut 
die straat zoo min mogelijk over hare lengte zou bestrijken. 

De poort als doorgang door eene palissadeering begonnen, eindigde 
weder, na te harer verdediging allerlei planvormen en afmetingen, tot 
zelfs den kasteelvorm te hebben aangenomen, als eenvoudigen omwal- 
lingsdoorgang. Met die omwalling verdween echter ook die doorgang, 
om nu plaats te maken soms, waar althans eene afsluiting noodig bleef, 
voor een sierlijk poortgebouw in Renaissancevorm met eene boven- 
verdieping voor den poortbewaker. Zoo ontnam de stad Zwolle haar 
Rhoenpoort, op het plan dier stad van 1582 (afb. N°. 16), aan de 
houthaven tegenover die Krane gelegen, haar defensief en middel- 
eeuwsch karakter, door haar in het begin der XVII de eeuw te voor- 
zien van een omgaand dak met open balustrade en pinakels op de 
hoeken, zie afb. N°. 72. Zoo herbouwde Amsterdam haar Muyder- 
poort ten jare 1771 en haar Haarlemmerpoort, beiden in zgn. klas- 
sieken stijl, de laatste zelfs in triomfboogvorm in 1837, in welk jaar 



ïo t OoQ,-^ £tijr«'U A §™ft 




Afb. N°. 73. De Groote Hooftpoort te Dordrecht. 
Naar eene teekening van A. van Borssum, A°. 1672. 

de oude poort op afb. N°. 66 voorgesteld is afgebroken. Beide poorten 
zijn ter herinnering aan het verleden, evenals de Sint-Anihoniespoort, 
tot heden toe nog bewaard gebleven. 

Ook de groote Hooftpoort te Dordrecht, mede van een balustrade 




N *.. 



X -o 

e 



108 



POORTTYl'KX. 



om haar dakvoet en van een klokkentoren voorzien, zie afb. N°. 73, 
toont op 't duidelijkst de verandering van het voorheen streng een- 
voudige, verdedigbare poortgebouw in een sierlijk poorthuis van 
spelenden vorm, met beeldhouwwerk en met middentoren met klok 
en uurwerk. 

Meestal echter verdween met de omwalling ook de poort en 
diende verder een eenvoudig of sierlijk hekwerk of hom ei op of 
vóór de brug geplaatst, tot afsluiting, tot met de afschaffing dei- 
accijnzen en der poortsluiting, ook dit hekwerk, ook die homei ver- 
dween en de stad nu evenals het dorp ten allen tijde voor een 
ieder vrijelijk openstond. 

De waterpoorten. 

Tot de poorten eener stad behoorden mede hare zoogenaamde 
waterpoorten, zijnde hare in de ommuring of omwalling aangebrachte 
overboogde gracht- of haven-doorlaten, waarvan die te Zutphen over 
de rivier de Berkel wel eene der eigenaardigste is, zie afb. 28. 

Karakteristiek komt zoodanige waterpoort, tevens als brug die- 




ZlERICZEE 





Afb. N n . 75. Gezicht op Zierikzee, in de XVlI-'e eern 



nende, uit op afb. 68, bezijden de "Weerdpoort te Utrecht met hare 
sluithekken met hunne kettingen, met hare schietgaten in de borst- 



POORTTYPEN. 



109 



wering, met hare zijtorens voorheen kennelijk ter volle hoogte ver- 
bonden, en waartusschen nu een groot beeld, een banierdrager, staat. 




Afb. N°. 76. De Koppelpoort te Amersfoort gezien van de buitenzijde, naar een photo. 



Op den plattegrond van Zwolle, afb. N°. 16, ziet men ter weerszijden 
van haar Rhoen toren eene waterpoort, de daar over doorgaande 
ommuring door torens versterkt, en nevens een dezer nog een rondeel 
door eene houten brug met het kraanhoofd verbonden en ingericht, 
om zoo noodig, met geschut beplant te worden. 

Tot de waterpoorten behoort mede de dubbele Havenpoort te 
Zierikzee, zie afb. 74, met een open doorvaart, met een „draij brugge" 
in 't midden, bestaande uit een ter weerszijden uitgekraagd vast 
en een daaraan verbonden opklapbaar middengedeelte, slechts weinig 
breeder als noodig was om de scheepsmasten te kunnen doorlaten, 
en de schepen dus de gelegenheid te geven binnen de stad in de 
haven te kunnen laden en lossen. Daartoe op het einde der ommuring 
uitgekraagde achtzijdige torens dienen met de daarbij aansluitende 
Zuyder- en Noorder-Havenpoort, tot bescherming en verdediging van 
die doorvaart, voor de uit zee komende schepen, zie afb. N°. 75; 



110 



POORTTVPEN. 



ofschoon geheel verbouwd en gewijzigd heeft Zieriikzee haar haven- 
poort tot dusverre nog bewaard. 

Veel minder zorg besteedde de stad Groningen aan de veilig- 
heid harer haven, ter wille der West-Indische Compmgnie toch, waarin 
zij aandeden had, besloot zij ten jare 1623 om , aan de schepen 
dier Compagnie directen toegang tot de binnenhavem te geven, en liet 
daartoe haar Krane-waterpoort maar kalmweg afbreken. 




Afb. N°. 77. De Koppelpoort te Amersfoort gezien van de stadsszijde, naar een photo. 



Tot de bijzonder karakteristieke nog behouden gebleven middel- 
eeuwsche waterpoorten, behoort de Koppelpoort te Amersfoort. Het 
is eene dubbele poort, in de XV de eeuw gebouwd, niet alleen de rivier 
de Eem toegang gevende tot de stad, maar ter zelf der tijd tot landpoort 
dienend, zie de afb. N°. 14, het prospect dier stadl, welke poort op de 
afb. N os 76 en 77 duidelijker afgebeeld, op Rijkskosten is gerestaureerd. 

Van veel lateren tijd, uit de eerste helft der XVIII de eeuw, is de Water- 
poort te Sn eek, zie afb. N°. 78, haar voorstellende na hare restauratie; 
terwijl de beide torens met hun schietgaten nog eemigszins herinneren 



POORTTYPEN. 



111 



aan den vroegerem, den verdedigbaren toestand, heeft de middenbouw 
reeds geheel en al het karakter van een sierbouw, een overdekt uitzicht 




Afb. N". 78. De Waterpoort te Sn eek na hare restauratie, gezien van de buitenzijde. Naar een photo. 



aanbiedend, zoowel buitenwaarts over de Geeuw als over de gracht 
binnen de stad. Tromwens de meeste waterpoorten waren weinig meer 
dan overboogde do»orlaten door de ommuring of door de om walling, 



11L> 



POORTTYPEN. 



's avonds met hekwerken of waterboomen door dem boomsluiter geslo- 
ten, die in een huisje of toren in de buurt woond<e en wiens loon van 
eenige ponden 'sjaars, evenals die van de poortbewakers, in de jaar- 
rekeningen der steden geregeld voorkomt. In <de XVII df> -eeuwsche 
verdedigingswerken maakte meestal de waterpoort plaats voor een 




Afb. N". 79. Willemstad tijdens de belegering van Anno 1 79J 



vrije open doorlaat, in oorlogstijd met eenig paalwerk afgesloten, 
zooals afb. N°. 7 C ) zulks van Willemstad toont, alwaar die doorlaat 
toegang tot de binnenhaven geeft. 

Met de ommuringen en de omwallingen verdwenen echter ook 
bijna alle waterpoorten, en slechts daar waar nog een gedeelte bol- 
werk bewaard bleef, treffen wij er nog eene <enkele aan, zooals te 
Amersfoort, Enk huizen, Leiden, Slotem, enz. 



BEHOKFTE AAN VEILIGHEID. 113 



Behoefte aan veiliigrheid. 

Onze hedendlaiagsche steden zijn inderdaad niet meer wat zij 
waren en zij blij j ven ook niet wat zij nu zijn. Oudtijds alle, bijna 
zonder uitzonderiimg *), zooals boven is beschreven en afgebeeld, om- 
vest, van eene ooimgrachting en ommuring, van verdedigbare poorten 
en tal van verdedigingstorens voorzien, eene omvesting, bij velen 
harer in verloop van tijd zich wijzigend, naarmate de aanvals- en 
verdedigingsmiddelen zulks vorderden, bleef deze bij anderen harer, 
wier welvaart eni beteekenis afnam, zoo goed als onveranderd, tot 
zij verdween. 

Waartoe dit allles? 

Waartoe al diie kostbare werken uitgevoerd, onderhouden en naar 
den eisch des tijcds gewijzigd en zich vrijwillig een gordel omgelegd, 
die maar al te dilkwerf knelde en hinderde, tijdige uitbreiding belette 
en de woningen klein en duur maakte, om, als men na jaren van 
beraad eindelijk t(ot eene uitbreiding overging, dan weder in een 
nieuwen, hoezeen- aanvankelijk ruimeren gordel, spoedig dezelfde 
bezwaren te mogjem ondervinden en dien gordel tevens nog voort- 
durend te mogen omderhouden , te mogen bewaken zelfs. 

Waartoe al dlitc last, al die kosten, al die zorgen? 

Tijdens het «omtstaan onzer steden, in de XT d *, XII de en \lïï de 
eeuw was de maatschappelijke toestand niet wat hij nu is, er was 
nog geen centrale- macht, ^een staatsgezag, dat zich overal naar eisch 
kon doen gelden <em ontzien, en dat van noord tot zuid en vanoost tot 
west voor de veiiliigheid van elk individu, van elke hut, van elke 
hoeve, van elke \w<oonbuurt kon instaan en daarvoor zakelijk optrad. 

Ons land wais toen nog als het ware verdeeld onder verschil- 
lende grootere em kleinere Heeren, die, zich allen in meerdere of 
mindere mate volkomen onafhankelijk gevoelend, vaak vrij willekeurig 
beschikten over Ihet leven en eigendom hunner onderhoorigen, en er 
niet zelden op uiit waren zich ten koste van elkaar te verrijken en 



! ) Behalve 's-Giraivenhage, dat in naam altijd een dorp is gebleven, hoe- 
zeer feitelijk in het bezit van alle rechten welke de steden bezaten, behoorden 
tot de zoogenaamde' onbemuurde steden: Baarn, Beverwijk, Domburg 
Eibergen, Genemiuiiden, 's-Gravenzande, Hindelopen, IJ 1 s t , Muiden, 
Vollenhove, Wesfccapelle, Wilsum, Workum in Friesland en misschien 
nog enkele andere kleine steden. 

I. 15 



114 BEHOEFTE AAN VEILIGHEID. 



hun gebied te vergroeien , in de oorlogen, die daarvan het gevolg 
waren, have noch goed of leven van de onderzaten hunner tegenpartij 
ontziende. 

Vooral de koopman, wiens geheele bezit destijds veelal uitsluitend 
in zijn goederenvoorraad bestond, voelde zich dus verre van veilig in 
eene open woonbuurt en vandaar dat zij, de kooplieden, in navolging 
van die van Vlaanderen en elders zich vereenden tot broederschappen , 
die, zoodra zij daartoe de middelen en den invloed bezaten, elkaar hulp 
en steun belovend, van hun gewestelij ken Heer, hetzij Bisschop, Hertog, 
(«raaf of Kasteel-heer, nu poort- of stadsrecht wisten te verkrijgen. 

in dat stadsrecht was destijds, zoo 't schijnt, stilzwijgend vervat 
het recht om zich te omgrachten, te ommuren en te bepoorten, hoe- 
zeer uithoofde der groote kosten daaraan verbonden, na hetgeen het 
verkregen privilegie reeds had gekost, vele dier stad geworden woon- 
buurten zich voorloopig tot eene omgrachting met omwalling of 
palissadeering bepaalden en zich veelal eerst later ommuurden. 

Behoefte aan veiligheid, verzekerd te zijn tegen overvallen, in 
staat te zijn zich zoo noodig te kunnen verdedigen, en, was hun Heer 
in oorlog met zijn buren, alsdan geen offer van dien strijd te worden, 
en als 't moest, ook diens soms onredelijke eischen te kunnen 
weigeren, dat alles zaam, drong en dwong bijna elke woonbuurt van 
beteckenis een stad te worden, zich met verdedigingswerken te om- 
gorden, zich te bepoorten en die poorten niet enkel 's nachts, maar 
dikwerf zelfs ook overdag te sluiten en te bewaken. 

Wat de bewoners van het platteland in die onrustige tijden in 
hun afgelegen hoeven, in hun gehuchten of open dorpen hebben 
ondervonden en geleden is niet te zeggen, geen wonder dan ook dat 
bijna ieder die zulks kon, toen bescherming zocht, en zich stelde 
onder de hoede, hetzij eener abdij of van een klooster, hetzij van een 
bijgelegen kasteel-heer, of zich vestigde in of bij eene ommuurde stad. 

Eenmaal een vaste Poorte of Stad geworden, bracht bij gunstige 
ligging de daardoor verkregen veiligheid meerdere welvaart, die het 
mogelijk maakte nieuwe privilegiën, hetzij vrijdom van tollen, hetzij 
vrijmarkten te verkrijgen, of wel de poorters dier stad in staat stelde 
het tol-, markt-, gruit-, waag-, maal-, munt- of strafrecht, of wat het 
zijn mocht, van hun Heer te pachten. 

Met die welvaart in bevolking toenemende, moest zij dra haar 
stadsgebied en hare verdedigingswerken uitbreiden en deze en haar 



BEHOEFTE AAN VEILIGHEID. - - ONTMURINGSSTRAF. 115 



krijgsmateriaal steeds in zoodanigen staat hebben, dat zij, naarmate 
de directe invloed van haar Heer afnam en haar invloed en betee- 
kenis in het gewest toenam, veilig door hare ommuring, ten allen 
tijde voor de belangen van haren handel of bedrijf kon opkomen, en 
zoo noodig naburige steden of Heeren welke die belangen mochten 
schaden, kon dwingen zulks te laten. 

Elke stad had toen zelve te zorgen voor hare veiligheid, deed 
zij dat niet of onvoldoende, dan was het misschien gedaan met haar 
bloei en was zij zelfs niet zeker meer van haar bestaan. Het was niet 
genoeg zich te ommuren en te omgrachten, haar poorters moesten 
ook in staat zijn om zich te verdedigen, om eene ernstige belegering 
te kunnen afslaan; wee toch de stad die, belegerd zijnde, stormen- 
derhand werd genomen, het leven en goed harer bewoners was dan 
het loon der overwinnaars en eene overgave op genade of lijfsbehoud, 
stond dikwijls gelijk met een ramp, die voor goed haar verdere 
ontwikkeling knakte, moord, plundering en brandstichting toch 
waren de getrouwe attributen van bijna elke overgave. 

Ontmuringsstraf. 

De zwaarste straf, welke oudtijds dan ook eene stad kon worden 
opgelegd, was, zooals boven op bladzijde 50 reeds is gezegd, hare 
muren en hare poorten, met zooveel kosten en na jaren arbeids veelal 
voltooid, te moeten afbreken en weder eene onbemuurde, weder 
eene opene plaats te worden. Dit lot trof o. m. de stad Groningen, 
toen zij ten jare 1112 door den Bisschop van Utrecht, haar Heer, 
gedwongen werd, om de ommuring waarmede zij, zonder zijne toe- 
stemming gevraagd en gekregen te hebben, hare omwalling met 
palisadeering in 1110 vervangen had, weder te moeten afbreken; ook 
na hare belegering en inname door de Ommelanders in de jaren 
1231 — 1232 werd zij verplicht hare ommuring ten deele te slechten 
en gedurende een 20 jaar eene open stad te blijven. 

Evenzoo werd Amersfoort in 1269 door den Hertog van Gelder 
verplicht met hare wallen hare omgrachting te mogen vullen en zich 
te ontvesten en toen Delft, ten jare 1359 na eene belegering van 
10 weken door Hertog Alb recht bij verdrag was ingenomen, werd 
zij niet alleen gesteld op eene zware geldelijke boete, maar werden 
tevens de omwonenden opgeroepen om hare ommuring af te breken en 
hare omgrachting te dichten, eene oproeping waaraan deze weigerden 
te voldoen, zoodat anderen met die taak belast werden; eerst bijna 



116 ONTMURINGSSTRAF. — ONTMURING. 



40 jaar later, in 1396 kreeg Delft verlof hare poorten en ommuring 
te herbouwen en hare grachten te hergraven. 

Dockum in 1428 door de Groningers ingenomen, zag hare 
steenhuijsen altegader ommestorten ende oer Bolwerck wort neder- 
ge worpen in de graft; Alkmaar werd zelfs tweemaal, in 1426 en 
in 1492, telkens gedurende bijna 25 jaar gestraft met weder eene 
open stad te worden. 

Nog zwaarder echter was de straf die eene belegerde stad stor- 
menderhand ingenomen soms trof, zij werd niet enkel on t vest, maar 
na uitgeplunderd te zijn, soms geheel ten gronde toe verbrand 
en vernield, zooals Dinant in 1466 en Luik in 1467 *) door den 
Hertog van Bourgondië, zooals Naarden in 1350, zooals IJselstein 
in 1417 door de Utrechtenaren, zooals Eemnes in 1481 door de 
Hollanders. 

Eene enkele maal ook werd eene stad door of op last van den 
landheer zelf ontmanteld, zoo zij, niet in staat om zich zelf voldoende 
te verdedigen en daardoor te spoedig in handen van den vijand val- 
lend, een gevaar voor het gewest zelf kon opleveren, reden, waarom 
de Bisschop van Utrecht in 't begin der XVI de eeuw zijne steden 
Delden, Goor, Hardenberg, Ommen en Ootmarsum van 
hunne vesten deed ontblooten en tevens zijn kasteel te Hardenberg 
liet afbreken, stellig tegen den zin harer bewoners, welke die omwal- 
lingen, ommuringen en omgrachtingen grootendeels zelve hadden 
bekostigd en uitgevoerd. Goor heeft zich dan later ook opnieuw 
versterkt, doch is na hare inname door Prins Maurits in 1597, 
nogmaals ontvest en toen voor goed eene opene stad gebleven. 

Het centraal gezag doet zich gelden. 

Zoolang ons land verdeeld was en bleef in op zich zelf staande 
Gewesten met eigen Vorsten en elk dezer Gewesten weder in op zich 



x ) Petrus Scriverius zegt: „A° 1467, October, dwanck die Hertoge die stat 
van Ludiek dat zij haer mueren ende porten afleggen moesten, ende al haer 
harsnasch ende bussen overgeven, ende nemmermeer geen te maken, ende 
desgelijcks so deden alle die steden van den lande van Luijck ende van Loen." 

„A° 1468, 30 October werd Ludiek gewonnen van den Hertoge en die stat 
wert al gespolieert, ende al verbrant, dat daer niet en bleeff, dan sommige 
kereken, de vroewen ende kindren liet men uytgaen, sij en mochten maar 
en cleet mee dragen, de mannen die men crijgen conde werden in die Mase 
geworpen." 




■jM ^.'.y'x 



Afb. N°. 80. De stad Utrecht met hare ommuring, muurtorens, rondeelen, St.-Catherijnepoort en tallooze kerktorens, gezien van de westzijde. 



ER KOMT CENTRAAL GEZAG. 117 



zelf staande Steden, die zich alle ten koste harer omgeving trachtten 
uit te breiden en meerderen invloed en overwicht te erlangen, zoolang 
er geen Centrale macht was, in staat om al die onderlinge twisten en 
oorlogen te beletten, in staat ook om den zwakke te hulp te komen en 
voor de veiligheid van handel en verkeer afdoende te zorgen en al 
die gewestelijke en plaatselijke belangen ondergeschikt te doen blijven, 
aan een algemeen Landsbelang, zoolang moest elke stad, in de 
allereerste plaats wel bedacht zijn op hare veiligheid en zorgen, 
dat hare verdedigingswerken, dat haar krijgsmateriaal, dat haar 
poorters, bij voortduring in staat waren die veiligheid te verzekeren. 

Nadat echter Karel V in 1536 als Heer door alle Nederlandsche 
gewesten en steden was aanvaard en gehuldigd, werd de algemeene 
toestand een andere en trad de zorg voor eigen veiligheid, die tot 
dusverre elke stad bezield had, reeds eenigermate op den achtergrond. 
Die veiligheid en hare verdediging veranderde nu van eene locale, 
in eene algemeene, in eene Landsaangelegenheid en toen, na den 
oorlog met Spanje, de Republiek der Yereenigde Nederlanden voorgoed 
gevestigd en erkend was en het Centraal Gezag had aanvaard, kwam 
er allengs een algeheele ommekeer in het stedelijk veiligheidsbegrip. 

Wel zien wij het meerendeel dezer hare ommuring en poorten 
nog wel niet afbreken, doch deze niet meer verbeteren ook, hoog- 
stens in stand houden en voor de Algemeene Staten neemt nu de 
Raad van State de zorg voor 's Lands defensie op zich. Op aandrang 
dier Staten, doch vooral van de Stadhouders, van Prins Maurits en 
Prins Hendrik, worden nu inzonderheid de Grens- of Frontier- 
steden en de voornaamste Havensteden, overreed en daarbij geldelijk 
gesteund om hare meerendeels verouderde vestingwerken naar eisch 
te verbeteren en te versterken of door nieuwe werken te vervangen. 

Amsterdam, Coevorden, G r a v e , Groningen, 's-Her- 
togenbosch, Maastricht, enz. deden zulks, en waar 's Lands 
verdediging zulks vorderde, werd nu tevens in enkele steden Staats 
garnizoen gelegd en op Staatskosten niet zelden nieuw geschut 
en verder materiaal aangebracht en hare vestingwerken onderhouden, 
met dat gevolg, dat de overige steden nu meerendeels hare vesting- 
werken verwaarloosden en in verval lieten komen, waarvan zij in 
1672, toen vele harer, tot verdediging niet meer in staat, zich bijna 
zonder slag of stoot aan de Franschen moesten overgeven, dan ook 
volop het nadeel en al het leed hebben ondervonden. 



118 VESTINGEN. 



Vestingen, tijdens en na de Republiek. 

Was in het begin der XV de eeuw nog bijna elke stad te onzent 
uit welbegrepen eigenbelang, eene goed verdedigbare veste, hoezeer 
meerendeels niet meer ingericht volgens de laatste eischen der ver- 
dedigingskunst, tegen het einde der XVII de eeuw was geen vierde 
harer meer in werkelijk voldoend verdedigbaren toestand. Voor 's Lands 
verdediging hadden dus nog alléén die steden waarde, wier vesting- 
werken naar eiseh waren ingericht, onderhouden en bewapend, deze 
werden nu meer speciaal Vestingen genoemd en hadden ten taak, 
de grenzen te beschermen of in bepaalde gedeelten des lands tot operatie- 
basis, tot steunpunt voor het leger der Republiek te dienen. 

Het aantal dier vestingen werd echter in den loop der XVIII de 
eeuw steeds kleiner en tevens verdwenen in tal van steden van liever- 
lede, met of zonder goedvinden van het gewestelijk of staatsbestuur, 
de omwallingen en verdere verdedigingswerken. Tijdens Koning 
Lodewijk verzochten en verkregen vele steden vergunning tot ophef- 
fing hunner fortificatiën en al of niet voorwaardelijk de beschikking 
over de daarmede bezette terreinen , dit was o. m. het geval met 
Arnhem, Kampen, de Klundert, Nijmegen, Zwolle, enz. 

Blijkbaar verloren zoodoende onder de opvolgende staatsbesturen 
verschillende steden de verdedigingswerken, wier behoud voor 's lands 
veiligheid waarde had, althans een Kon. Besluit van 20 Sept. 1814 
luidt als volgt: „alle besturen van plaatsen, welke sedert de laatste 
vijftig jaren tot sterkte hebben gediend, of met fortilicatiewerken zijn 
omringd geweest, worden provisioneel en tot dat Wij dienaangaande 
nader hebben beschikt, geinterdiceerd het doen sloopen van wallen 
en gebouwen of andere voorwerpen tot de fortificatiën behoorende, 
al zijn ook dezelve bij speciale besluiten, hetzij van Ons, 
hetzij van eenige der voormalige Gouvernementen dezer 
landen, aan die besturen finalijk afgestaan". Tevens werd 
verboden aldaar gebouwen te zetten, te planten ofte tuinieren, enz. 
Verder werd bij Kon. besluit van 26 Nov. 1814 bepaald: „dat als eigen- 
dom van den Staat worden aangemerkt alle gronden en gebouwen, 
welke in den loop der laatste vijftig jaren, tot de fortificatiën hebben 
behoord en gevolgelijk alle terreinen, waarop eenige werken van 
defensie zijn aangelegd geworden, alle wallen, borstweringen, grachten, 
bedekte wegen, glaciën of geavanceerde werken, en alle pleinen, 
waarop militaire gebouwen gesticht zijn, alle liniën, posten, rctranche- 
menten, redouten, dijken, sluizen, kanalen en hunne boorden, enz. 1 ' — 



DE VESTINGEN GELEIDELIJK MEERENDEELS OPGEHEVEN. 11 l > 



Bij de Wet van 21 Dec. 1853 „Staatsblad N°. 128, (de zgn. Wet 
der Verboden Kringen) werden de kleine, middelbare en groote 
kringen bepaald, respectievelijk van 300, van 600 en van 1000 M., 
waarbinnen het verboden was bij vestingen gebouwen te stichten of 
werken uit te voeren. 

In 1854 behoorden volgens de lijst van het Dep. van Oorlog de vol- 
gende steden nog tot 's Landsvestingen : Bergen -op-Zoom, Breda, 
Brielle, Deventer, G eer tru iden berg, Gorinchem, Grave, 
Groningen, 's Her togen bosch, Maastricht, Muiden, Naar- 
den, Neuzen, Nijmegen, Veere, Venlo, Vlissingen, 
We esp, Willemstad, Woudrichem en Zutphen, terwijl 
D e 1 f z ij 1 en Hellevoetsluis mede tot de vestingen werden gerekend, 
en de Helder, Koevorden, Kuilenburg en Rhencn tot de 
respectieve stellingen behoorden. 

Van deze vestingen werd Veere bij Kon. besluit van 24 No\ . 
1861 N°. 16 opgeheven ; bij een volgend Kon. besluit, dat van '2 { > Mei 1807 
Staatsbl. N". 1 7 werd bepaald , dat B ergen-op-Zoom, M a a s t r i c h t, 
V e n 1 o en V liss in g e n geen vestingwerkén meer zullen zijn. 

Bij Kon. besluit van 30 Nov. 1868 Staatsblad N°. 148 werd de 
vesting Breda opgeheven en bij de Wet van 18 April 1874 Staats- 
blad N°. 64 (de zgn. Vestingwet, het Vestingstelsel van het Koninkrijk 
der Nederlanden bepalend) werden opgeheven de vestingen: De ven 
ter, Grave, 's Her togen bo se h, Nijmegen en Zutphen, 
alsmede de werken te Breskens, D e 1 f z ij 1 , E 1 d e n , en de vesting- 
werken in Friesland en G roningen. 

Van af 1875 werden de verdedigingswerken bij Muiden, Naar- 
den en Weesp belangrijk uitgebreid en verbeterd en sperforten 
aangelegd bij Zutphen en Zwolle. 

Bij Kon. besluit van 1 ( ) Mei 1008 Staatsblad N°. 136 werd de vesting- 
Neuzen opgeheven, zoodat thans van al onze vroegere verdedigbare 
steden nog als vesting zijn overgebleven: Brielle, Geertrüiden- 
berg, Gorinchem, Muiden, Naarden, W e e s p , Willemstad 
en Woudrichem en buiten deze nog Hellevoetsluis 1 ). 

') Een volledig overzicht, waaruit van elk onzer steden blijkt, wannen 
en krachtens welk besluit zij ophield eene verdedigbare stad of vesting te zijn, 
en hare verdedigingswerken in plantsoenen ol bouwterreinen veranderden, 
is, vreemd genoeg, in het archief van het Dep. van Oorlog niet voorhanden, 
is nooit gemaakt, bestaat niet. 



120 



DE STEDEN ONTMUREN ZICH. 



De steden onlmuren zich. 

Alle steden, welke op grond harer ligging binnenslands, niet 
de bezwarende eer genoten als vesting voor 's Lands veiligheid in 
aanmerking te komen, zij alle hebben, de eene vroeger, de andere 
later, hare poorten, ommuringen en muurtorens afgebroken, hare 
wallen in plantsoenen veranderd, hare grachten ten deele gedicht en 
zijn van lieverlede weder open e steden geworden, dit laatste vooral, 
na de opheffing der stedelijke accijnzen ten jare 1865, toen daarmede 
het laatste motief ter afsluiting verdween. 

Van onze vele eertijds zoo schilderachtig binnen hare ommuringen, 
poorten en torens gelegen steden, begreep helaas geen enkele het 
belang, om, zooals Ahr weiier, Lüzern of Rothenburg, die 
ommuring, met al wat er bij behoorde, met het oude krijgsmateriaal 
zelfs, in goeden staat en in eere te houden en daardoor te worden 




Afb. N°. 81. Een legertent uit de XV de eeuw. 



DE STEDEN ONTMUREN ZICH. 



121 



de bedevaartsstad 
voor elk schilder, 
voor elk oudheids- 
minner, voor een 
ieder die belang- 
stelt in het vroe- 
gere stedeleven, in 
het stede-verleden. 
Ophetonmee- 
doogendst, op het 

onnadenkendst 
heeft men overal, 
bijna alles uit dat 
verleden gesloopt 
en vernield, ook in 
die steden zelfs, 
die zonder heden 
en zonder toe- 
komst, zich daar- 



■ to(6%..ft>.^ mi.*M<a> 



d\ M$u«tufiaaUMS«ll Jr ,h t |«r bef)} 



r- ■ f* 4 - • i *• . / • • - - "X *»! * •-' . ^V 




Afb. N°. 82. Jan van Brabant ziet zich verplicht in 1418 het beleg van 
Dordrecht op te geven. 



door zonder eenig 

nut weder met een dorp gelijk hebben gemaakt. Een ware ver- 
nielingsstorm heeft in de XIX de eeuw overal in Nederland rond- 
gewoed en heeft ons bijna alles ontnomen, wat wij nog over hadden 
van onze voorheen zoo merkwaardig ommuurde, bepoorte en betoornde 
steden, en heeft ons eene leegte achtergelaten, die met geen afbeel- 
dingen, die met geen beschrijvingen is te vullen of goed te maken. 
Tal van voorheen hoogst interessante kleine steden hebben 
inderdaad, volstrekt doelloos, tegen allen eigenbelang in, juist dat, 
wat nog haar waarde, wat haar cachet was, eigenhandig vernield, 
waarom? — waartoe? - vraag dat aan het kind, dat even doelloos 
soms zijn speelgoed vernielt, en dan den volgenden dag zit te huilen 
om hetgeen het mist. 



De tijd om voor eigen veiligheid te moeten zorgen, het gevaar 
ook voor eene belegering met al de daaraan verbonden ontberingen, 
was hiermede in het stedeleven afgeloopen. 

Niet altijd toch was die afloop even gunstig als voor Dordrecht 
welke stad op Sint Laurensdach van het jaar 1418 Jan van Brabant met 
zijn leger na een vruchteloos beleg weder zag aftrekken, zie afb. N°. 82. 



[6 



122 



BELbGERINGSTOESTANDEN. 



Dat gevaar was echter niet van denkbeeldigen aard, in cene 
overwonnene stad toch beschikte de overwinnaar vrijelijk over aller 
leven en eigendom (zie bladz. 138), en menige stad heeft bij herhaling 




r Stmun ' 

Al ft /amtl •- '.' :i'/, cjrrvfrl" ■ 



fnlff lumvi iet projtarult 



herren miu 
ae/tmet, Inruil qenorm 



ciirnst, Irmiit ürvnhmn tui 
iff tmaA .l'nr.iï i'narncui 1 uja 

Afb. N". 83. Belegering van Steenwijk in 1591'. 



daaraan blootgestaan, Groningen is zelfs twaalf of meer malen 
belegerd, Gr ave en Maastricht beiden elk misschien even 
veel malen. 

Belegeringen. 

Door oude kroniekschrijvers zijn tal van belegeringen beschreven ; 
duidelijker echter spreken de belegeringsafbeeldingen voorkomende 
in oude handschriften (zie afb. N°. 85), op enkele oude schilderstukken 
en in tal van gravures van Braun's Steden-atlas, verschenen in de 
jaren 1572 1616, zie de afb. N" s 83 en 84, voorstellende de belegering 
van S t e e n w ij k in 1 592 en die van Geertruidenberg in 1573. 

Het vroegst, voor zooveel mij bekend, worden te onzent bij de 
belegering van het kasteel IJ se lm on de belegeringswer ktuigen bij 



BELEGERINGSTOESTANDEN. 



123 



name genoemd. Dit kasteel omstreeks A°. 1070 door den Bisschop van 
Utrecht gebouwd ten einde het Sticht tegen Holland te beschermen, 
werd in 1076 door Dirk VII, Graaf van Holland, „met sijne mannen 
ende scutten van Vlaenderen stoutelic aengevallen mit blanckende 
teykenen ende mit trommen vreselike te dimmen voir dit casteel; 
die Bisschop sach, dat die felle strijt emmer meerde, ende dat groot 
verlies van sijn volcke mede aenstaende was pijnde hij hem 't casteel 
te besetten ende die voirborchte mit scutte te bescermen, nier die 
Hollanders die stormdens an mit kratten, mit bliden ende mit 
magnel en, sodat zij die wijchuse des casteels seer te broken, 
ende die Vlamingen verdreven mit scutten die borchsaten van den 







^tniu s Vm m D uxra. 



Afb. N u . 84. De belegering van Geertruidenberg in 1573. 

mure, also dat die Bisscop Coenraet van node moste opgeven dat 
casteel en al Hollant". (aldus De Beka in zijn „Chronyke over Utrecht"). 



De meeste belegeringsbeschrijvingen zijn uitgedrukt in alge- 
meene bewoordingen, zoo wist van die van Aken door Koning 



124 



BELEGERING VAN ZIERIKZEE TEN JARE 1304. 



Willem II ten jare 1248, Mr. J. Heerman l ) slechts te zeggen: 
„alle gereedschappen, waarvan men toen gewoon was zich in bele- 
geringen te bedienen, wierden hier gebezigd om de muren en torens, 
die Aken omcingelden omver te bonsen. Zoodra zich iemand dei- 
stedelingen zonder genoegzame bedekking vertoonde, wierd hij met 
pijlen doorschooten of met ander wapentuig aan stukken geslagen." 

Het zakelijkst is Melis Stoke, waar hij in zijn Rijmkroniek van 
omstreeks 1284 — 1305 beschrijft de belegering van Zier ik ze e, vóór 
Pinkster van het jaar 1304, door Guy van Vlaanderen met zijn 
Vlamingen en Zeeuwen. Hij zegt 2 ;: 



„Her Gye de wort te rade, 
Dat men niet bet en dade, 
Dan men de havene oversloeghe 
Ende de vol corens droeghe, 
5. Ende enen dike daarover make, 
So mach men liggen metghemake 
Alsomme de por te met onsen 

[lieden" 

„Logieren ghinghen si op dat velt 
Ende sloeghen haar pauwelioene 

10. Ente tenten om de port." 

„De Vlaminghe op dier nortsiden 
Dedcr voren rechten bliden, 
Ende worper mede sware sten e, 
Weghende drehondert pont allene. 

15. Benorder havene stonder twee, 
An de Zuutside ene ende niet mee. 
Binnen hadden si bliden vele, 
Die nutte waren te sulken spele. 
De meester conster mede wale. 

20. Hi warp uut te sulken male, 

Dat hi den steen bestede 

[wel;" 

Hi hadde gheworpen met sinen 

[werke, 
Enen steen tot op de kerke 
Ter Jacobinen in die port; 



25. Als de meester dat verhort, 
Dede hi den steen halen doe 
Ende deden in sinen scoe. 
Trac de clincke ende werp uut 
— De steen maecten groet gheluut — 
30. Ende raecte twindaes metten 

[steen ; 
Want de worp en was niet cleen. 
Twindaes vloech al te sticken ; 
Hi raecte den meester ende de- 
[den nicken 
Dathire veiioessineghesonde." - - 
35. „Datte van Vlaendren rusten niet, 
Sine droeghen alle daghen drachte 
Mede te vulne die porten grach- 

fte." - 
„Tallen porten tenen male 
Qua men si toe, weet men wale, 
40. Ende waenden de potte hebben 

[ghewonnen. 
Men sloegh de clocke, het quam 
[gheronnen 
Elc man doe in sine wachte, 
Ende saghen dandre op de grachte. 
Daer ginc men werpen ende scieten. 
45. Men scoet met boghen ende met 

[sprieten, 



l ) Zie: zijne Geschiedenis van Graaf Willem van Holland, Roomsch Koning, 
deel I, biadz. 285. 

-) Zie: van zijn Rijmkroniek het IX de boek, blz. 266 in de uitgave van 
Dr. W. G. Brill. 



BELEGERlXc; VAN ZIERIKZEE TEN JARE 1304. 



125 



Hos tal Ie scoten grote pile 
Ie weet wel , dat men ter wile 
Met bliden uut werp menighen 

[steen." 

„Si dreven se met groten crachten 

50. Over rugghe van den grachte. 
Si verloren so menighen man, 
Dat iet ghesegghen niet en 

[can," - 
„De vrouwen onder hem ghemene 
Droeghen ter mure al de stene, 

55. Die daer laghen op de stra- 

[ten. 
„Gheviel brant, si wouden keren ! 
Si wouden selve zien ten vure, 

Ente mans bleven ten mure " 

„Al was worden groet die gloet; 

60. Si traden die huse onder den 

[voet. " 

„Die moehte ontgaen 
Onghequctst, dat was wonder. 
Daer vloeeh so menich scerp pijl 

[onder. 
Van sterken o e sta Hen ende 

[boghen. 

()."). Weet, datte Qua re el vloghen 
Dichter dan oft waren bien ; 

Men conder cume doersien. -" 

„Den on wille hadden si groet 
Van haren besten, die si daghen: 

70. Want si se met haren oghen 

[zaghen 

Van den huse eten dac. " 

„Si aten van den bedden tstro. " 

„Ent gheviel die Vlaminghen 
Dat si ca tten ende even-oghen 

75. Hadden doen maken , al dat si 

[moghen. 
Ende woutse driven opte gracht 
Ende doen draghen grote dracht. 
Si waren der gracht also naer 
Met ene ca tten, die was aldaer; 

80. So groet, so hoech ende so sterc 
Was dat vermaledide werc, 
Dat men moehte sien al in de port 
Van den werke weder ende vort, 



Ende was comen bi der gracht, 
85. Ende ghingen draghen grote 

[dracht, 
Ende maecten damme te menigher 

[stede, 
Ende brochten vijf brugghen 

[mede, 
De op wielen ghinghen vort. 
„Een meister was in de port 
c )0. Die sulken pile conste maken 
Mocht hi se (die catte) te pontc 
[gheraken , 
Hi soud se berncn up de stat. - 

„Hi dede dat hi hadde vermeten. 
Op enen avont scoet hierc in 
95. Sijn ghescot noch meer noch 

[mijn , 
So datte wort ontsteken 
Ende diere binnen waren weken 
L'ter ca tten ende riepen zere: 
Brinct water! Edel here! 

100. De catte sal al verbernen " 

„De te blussene waren vlugghe, 
Liepen vorte achter rugghe: 
Want si scoten so over sere, 
Dat si ne mochten in ghenen 

[kere 
105. Der ca tten te helpen comen. 
Hadt hem de werelt mogen v re- 
enen. 
Dus wort die brant also stare; 
Men warp met bliden in dat 

[ware. 
Dat so hoghe sloech di brant. 
110. Dat men 't sach in Hollant. - -'» 
„De porters senden altehant 
An den grave enen bode 

Dat hi se quam ontsetten. " 

De grave beide nu den admirale 

115. Die nu mende siere galeiden elve 

Ende acht en dertich groter 

[scepe 
Ende quamen met desen ghesel- 

[scepe 
Up enen dach in de Mase ghevaren. 



126 



BELEGERING VAN ZIERIKZËE TEN JARE 1304. 



De belegering veranderde nu 
mingen hadden ook schepen en oor 
die tot ontzet kwam, opwachtten. 

Ende si (de Vlamingen) waenden 
[herde wale 

120. De scepe bernen in den gront. 
Want si vulden up de stont 
Enen cogghe met droghen stro 
Ende met peke ende waenden zo 
De scepe bernen. daer si laghen — 

125. Endetoghen vort. Alsdonsczaghen 
Dat si dat vier brochten vort, 
Hinghen si seile buter bort 
Ende om dat vier van hem te weren 
Reden si glavien ende speren 

130. Als om 't lier van hem te stoten 
Dandre met armborsten sco- 

[ten. 

Doe de Vlaminghen quamen toe, 

Met groten oestal scoten si doe, 

Ende met spring alen menigen 

[quareel. — — " 

135. „Ende men scoot ten zelven tide 
Met sestig oestal ende sprin- 

[g a 1 e ; 

Ende b a n e - a rmborsten, weet 

[men wale, 

Scoeter twee hundert of te mee. 



in een zeegevecht, want de Vla- 
logskoggen waarmede zij den vijand, 



De pi Ie vloghen alst waer 

[snee. " 

140. „De pilc vloghen dat si roten 

Ghelike recht o ft waren bien." 

„Men stae, men sloegh ende men 

[warp, 

Men scoet menighen pi Ie scarp. 

Mallic andren jeghen thoeft. - 
145. Daer gheworpen menich steen 

Van den koket ten nederwaert, 

Ende van den cast el en dat 

[veel hart 

De Hollanders hadden int be- 
[ghinnen." 

„In een casteel van enen maste 
150. En int coket so waren gaste 

Die tHollandsche heer seerquelden 

Ende menighen man ter eerden 

[velden. 

Want si worper menich steen. 

Ten lesten male sach menre een, 
155. Dat hi van den casteel sprane 

In den watre, ende eer iet lanc 

Viel t koket al te male 

Van den scepe neder te dale." 



Deze scheepsstrijd bij Zierikzee, twee volle dagen met afwisse- 
lend geluk gevoerd, eindigde op 11 Augustus 1304 met de gevangen- 
neming van Guy van Vlaanderen en met het ontzet der stad, waarin 
de Hollanders van hunne overwinning uitrustten, en tot na de Her- 
vorming, door een plechtigen ommegang jaarlijks op dien dag dit 
beleg en ontzet feestelijk werd herdacht. 

Boven gegeven zeer verkorte l ) beschrijving dier belegering en 
scheepsstrijd, ontleend aan een tijdgenoot, aan Melis Stok e, is vooral 
belangrijk, omdat zij ons uitvoerig in kennis stelt met al het krijgs- 



l ) Melis Stoke wijdt er bijna het geheele IX de boek of 1389 versregels zijner 
Rijmkroniek aan. 



BELEG KRING VAN ZIERIKZEE TEN [ARE 1304. 



127 



Ut 




Afb. N°. 85. Belegering van Au ban ton in de XIV'"' eeuw ontleend aan 
een miniatuur uit een der handschriften van J. Froissard. 



materiaal dier da- 
gen. Wij zien de 
Vlamingen de ha- 
ven van Zierik- 
zee eerst afdam- 
men met koren- 
schoven , zich rond 
die stad legeren 
in hun pauweli- 
oenen of tenten, 
en hun werpge- 
schut, hun bliden 
oprichten. Hun 
blidenmeester 
werpt daarmede 
geduchte steenen 
van zelfs 300 pond 
zwaarte, binnen de 

stad, welke de meester der Stadsbliden laat opzoeken en terug- 
werpt; met een dezer in de se o e zijner blide gelegd, treft hij, nadat 
der blideclinck getreden is, niet enkel het windaes van 's vijands 
blide maar tevens diens blidenmeester. De Vlamingen trachten nu 
de stadsgracht te dichten, doch de belegerden, telkens als de nood 
drong door de c 1 o c k e saamgeroepen , schieten zoo duchtig met p ij 1 e n 
uit hun bogen en sprieten en met groote pijlen uit hun o es tal- 
len en wierpen ter zelfder tijd zoo vele steenen of qua ree 1 en, 
door de vrouwen aangedragen , op hen neer, dat zij wel moesten 
wijken. En daar waar binnen de stad door de binnen geworpen 
vier pijlen, brandfakkels of tortsen brand ontstond, werd deze 
door de vrouwen gebluscht, die zoo noodig, daartoe de huizen ('t waren 
houten huizen) onder den voet haalden. 

Tegenover enkele muurtorens der stad werden nu door de Vlamingen 
catten en evenhoghen opgericht, houten torens van gelijke hoogte 
als die muurtorens, die over de daartoe aldaar afgedamde gracht over 
horden muurwaarts werden gerold. Een dier evenhoghen vooral, 
„'t vermaledide werc", verontrustte vanwege zijn hoogte en sterkte de 
belegerden niet weinig, vandaar dat de stad spil erna k er deze met 
vuur pil en trachtte in brand te schieten, hetgeen hem inderdaad zoo 
goed gelukte, dat die geheele toren door de vlammen verteerd werd. 



128 BELEGERINCSWERKTUICEN. - - CATTEN OF EVENHOGEN. 

Het ergste vrcezend zonden zij tevens boden aan den Graai" van 
Holland op spoedig ontzet aandringend, die nu met eene vloot, versterkt 
door Fransen e galeien onder Admiraal Grimaldi de Maas kwam 
opzeilen. Doch ook de Vlamingen beschikten over oorlogsk oggen, 
en Melis Stoke schetst ons nu den daarop volgenden scheepsstrijd. 

Tevergeefs tracht de vijand door branders de Hollandsche 
vloot te vernielen, men dekt de schepen met zeilen, en weet hen 
door lansen en speren van zich af te houden, onderwijl den vijand 
uit armborsten beschietend. Daarop volgde het eigenlijke scheeps- 
gevecht, waarbij men uit oestallen ende banc-arm borsten schoot 
met pijlen en uit springalen wierp met quarelen of steenen. Van 
uit de in den top der scheepsmasten aangebrachte z.g.n. ka steel en of 
koketten, zijnde eene kleine van hout of gevlochten twijgen gemaakte 
met eene borstwering omsloten standplaats, werden bovendien door 
boogschutters en steenwerpers pijlen en steenen geworpen, terwijl 
de Hollanders de Vlamingen tevens met staven te lijf gingen en. na 
langen strijd eindelijk de overwinning over hen wisten te behalen, 
waardoor Zierikzee ontzet, nu met vreugdegejuich en pijpengeschal 
de overwinnaars kon verwelkomen. 

De belegerings- en verdedigingswerktuigen, de enginen of instru- 
menten bovengenoemd, waren feitelijk reeds bij de Romeinen in ge- 
bruik, zooals blijkt uit Flavius Josephus' beschrijving van de 
belegering van Jeruzalem ten jare 71 na Christus en zij bleven in 
gebruik langen tijd nog nadat door het buskruit het vuurgeschut in 
zwang was gekomen. 

De eatlen of evenhogen. 

De catten of evenhogen waren torens van zwaar balkhout, drie 
of meer verdiepingen hoog, met plankhout bekleed en onbrandbaar- 
heidshalve van buiten met ossenhuiden gedekt; torens die op rollen 
werden voortgeschoven tot vóór de stadspoort, of over de daartoe 
gevulde gracht tot vóór een stadstoren. 

Gedekt door horden of schermen trachtte men tevens den voet 
der ommuring door te breken, ter zelfder tijd het bovengedeelte van 
dien muur van uit den evenhoge met magnelen, zijnde zware palen 
met metalen mutsen rameiend, teiwijl boogschutters boven in of op 
den evenhoge staande, den weergang der ommuring bestookten en 
onhoudbaar maakten. 



BLIDEN, STORMRAMMEN. 129 



Op het daartoe gunstigste oogenblik werd dan van af den even- 
hoge, de daaraan verbonden brug tegen of op den weergang of op 
den muurtoren of poort neergelaten en sprong de vijand daarop over, 
gesteund door hen, welke ter zelfder tijd met stormladders het aan- 
grenzend gedeelte muur beklommen en trachtten te bemachtigen. 
Geen wonder dan ook, dat de belegerden hun uiterste best deden 
om die gevreesde aan valstorens, dat geduchte of vermaledide werc, 
zooals zij ze noemden, door ondergraving te doen kantelen, of ze 
bij een uitval met brandfakkels of door beschieting met vuurpijlen 
in brand te steken. Gelukte zulks, dan mocht de vijand weder 
van voren al aan beginnen, en konden de belegerden dien tijd benut- 
ten om hun zwakste ommuringsgedeelten naar eisch te versterken, 
of achter deze een nieuwen, een tweeden muur op te trekken. 

De bliden en storm rammen. 

Alvorens eene stad met catten of cvenhoghen te bestoken, 
trachtte men hare ommuring te vernielen met de daartoe meege- 
voerde grootere en kleinere bliden of balista, het sedert eeuwen 
gebruikelijke werpgeschut. 

Deze werktuigen bestonden in hoofdzaak uit een bijzonder veer- 
krachtige lange houten balk bij wijze van wip gelegd en draaibaar 
bevestigd op den bovenligger van een zwaar onwrikbaar met den 
grond verbonden jukwerk; na eerst het korte einde van den 
draaibaren balk, den z.g.n. bliden-zw engel, met touwwerk onbe- 
weegbaar te hebben vastgezet, werd daarna het lange einde van dien 
zwengel door middel van een windas zooveel doenlijk neergebogen 
en in dien gespannen toestand met een ijzeren pal vastgezet, waarna 
de op dat zwengel-eind aanwezige schoen, slinger of lepel werd gevuld 
met steenen of quareelen, met een vat brandende pek, met afgehou- 
wen hoofden soms, of wat het zijn mocht, welke vulling nu door het 
lossen van de pal, met kracht op den weergang of over de ommuring 
in de stad werd geworpen, welke met hare bliden, die van den vijand 
onschadelijk trachtte te maken en de aanvallers bestookte. 

Ter zelfder tijd werd, onder bescherming der bliden, de ommu- 
ring gebeukt en los en uiteen gestooten door zware of lichtere 
stormrammen, bestaande uit een langen zwaren balk, een z.g.n. 
ronneboem, wiens kop- of stooteinde met ijzer, soms in ramskopvorm 
was beslagen (vandaar de naam). Met touwwerk of kettingen hing 
die stootbalk aan den bovenligger van een hoog jukwerk, dat op 
i. 17 



130 



BLIDEN ., STORMRAMMEN. 



rollen tot vóór de ommuring werd geschoven, alwaar de gemakkelijk 
beweegbare ram nu door tal van wapentuers, gedekt hetzij door hun 
schilden, hetzij door schermen of horden, zóó dikwijls met alle kracht 
tegen den muur werd gebonkt tot deze scheurde en uiteenbrokkelde 
en het vernielingswerk door metselaars met breekijzers onder eene 
afdekking kon worden voortgezet. 

Dergelijke stormrammen of muurbrekers in de Grafelijke reke- 
ningen van 135S— 60 mollen en door Melis Stoke m a g n e 1 e n of 




Afb. N". 86. De belegering eener stad. 

eenarmigen genoemd, behoorden met de bliden, tot het belege- 
ringsmateriaal, dat elk Vorst, dat elke stad van bcteekenis toen in 
voorraad had in een eigen blide- of molhuus. Ontbrak dit, dan werd 
de blidezwengel en de aries, of stootbalk van den stormram, 
geborgen in een der kerken of in een gasthuis of op een marktplein, 
terwijl in de muurbogen meestal groote voorraden blidestiene en vlinten 
werden opgestapeld. 

Aan het maken van één evenhoghe, door hertog Aelbrecht in 
1358 benoodigd om het kasteel Pollanen mede te stormen, werd 
blijkens de Grafelijke rekening van dat jaar op het hof in die Hage 
16 dagen aaneen door tal van timmerlieden druk getimmerd. Bij het 
vooruitzicht eener belegering werden zij echter meestal in voorraad 
gemaakt en uiteengenomen meegevoerd; werden de steden door hun 
vorst opgeroepen aan eene belegering deel te nemen, dan had elke stad 
behalve haar vast aantal gewapenden nog te leveren voor het maken 
der bliden, rammen, mollen en evenhogen een aantal timmerlieden 



PIJL EN BOOG. 



131 



en smeden alsook de 
noodige metselaars voor 
het breken der muren. 

Pijl en boog. 

Pijl en boog waren 
het eeuwenoude wapen 
der scutten, die daar- 
mede in sommige ste- 
den en in enkele landen 
soms een zeldzame bedre- 
venheid en vermaardheid 
bezaten, zooals de Engel- 
sche boogschutters in de 
XIV de eeuw, dank zij de 
volkomenheid van en de 
zorg voor hun wapen, en 
hun zekerheid en snelheid 
van schot. In hun bogen 
en pijlen hadden de scutten 
van lieverlede eene groote 
verscheidenheid gekregen, 
men had de handboog, 

de voetboog, de kruisboog of armborst, de banckarmborst of 
grootere kruisboog, enz., doch bij die alle, was het de veerkrachtige 
door eene pees, met hand of voet, of met behulp eener kleine 
windas gespannen houten, hoornen of stalen boog, welke de van 
boven geijserde en van onderen met ghanse voghele gevederde 
lichte houten pijl met meerdere of mindere kracht en snelheid 
voortdreef naar en in het doel. De sprincalen en o es tallen 
waren zwaardere bogen, die op den voirborch van een kasteel of 
op de stadspoorten en torens of in de oorlogscoggen geplaatst en 
door een windas gespannen, zwaardere of in één schot meerdere 
pijlen afschoten. 

Behalve deze afstandswapenen bediende men zich voor uitvals- 
gevechten en die van man tegen man, van het zwaard, van de 
poignart, van een bijl, van een glavie of lans, van een piek ol 
speer, van zwaren staven en van met ijzeren punten voorziene dorsen- 
vlegels, enz. zich tegen deze wapenen dekkend door een schild, en 




Afb. N°. 87. De Rondassier. 



132 



DE DONDERBUS. 



het lichaam tevens beschermend door een harnas, een helm, 
beenplaten, ijzeren handschoenen en wat dies meer zij, zie de 
afb. N os 87 en 88. 



De donderbus. 

Door de uitvinding van het buskruit, welks samenstelling en 
bereiding in de XIIJ de eeuw nog een geheim, van af 1325 echter reeds 
vrij algemeen bekend was, veranderde, nadat Berthold Schwartz 
dit voor werpgeschut had weten toe te passen, van lieverlede de 
geheele bewapening en krijgsvoering en al het belegerings- en 
verdedigingsmaterieel der kasteelen en steden. Het duurde echter nog 
bijna eene eeuw alvorens dat nieuwe, dat vuurgeschut het oude 
werpgeschut geheel had vervangen, in den aanvang toch, was het 
weinig meer dan een schrikmiddel, dat dikwijls zijn gebruiker zelf meer 
leed veroorzaakte, dan den vijand waarvoor het bedoeld was. 

Blijkens Froissard, waren de haakbussen het eerste schietgeweer 

of oudste vuurgeschut, 
reeds in gebruik in den 
slag bij Crecy, (Aug. 1346) 
en bij de belegering van 
Ca la is in 1347, doch de 
beroemde Engelsche boog- 
schutters gaven tot de 
overwinning toen nog den 
doorslag. In de stadsreke- 
ningen van Deventer 
is er in het jaar 1348 
reeds sprake van : „de 
tribus s a g i 1 1 i s , dictio 
dunrebussen" en in 
die van Arnhem van 
1351 van : „pro una prixi- 
de dicta donrebusse" 
en „pro sex prixidibus, 
üictis don rebussen." 

Van nu af komen de 
donderbussen dan ook bij 
de belegeringen hier te 

Afb. N°. 88. De Rondassier. lande VOOr, ZOOalS in 1351 




BELEGERINGEN. 



133 



bij die van de kasteelen : de Binckhorst, Polanen en Rosenburg, zooals 
bij die van Delft in 1358 door Graaf Alb recht, wien daarvoor 
eene grote donrebusse door de stad Utrecht werd aangeboden, 
die echter ter zelfder tijd nog twee bliden uit Amsterdam liet komen , 
behalve die, welke uit 's Graven bliden-huis te Schiedam werden 
aangevoerd. 

Bij de belegering van Leiden door Graaf Willem III in 1420, 
worden de bliden echter in het geheel niet meer genoemd en heeft 




Afb. N". 89. XV^'-eeuwsch vuurgeschut. 



de steenbusse, het vuurgeschut, deze nu voor goed vervangen, 
welk vuurgeschut van nu af in tal van vormen en afmetingen, zie 
afb. N°. 89, en in tal van namen voorkomend, in draagkracht en in 
zekerheid van schot vooruitgaat en zijn steenen kogels, eerst door 
looden en vervolgens door ijzeren kogels vervangt, terwijl met de 
toename der draagkracht van dit geschut ook de afstand tusschen 
de belegerde veste en haar belegeraars voortdurend toenam. 

Omsloot in den tijd der blijden, vóór en in de XIII de en nog 
in de XIV de eeuw het vijandelijk kamp meestal zóó dicht mogelijk de 
veste, tijdens Prins Maurits, op het laatst der XVI de eeuw, lag het 
niet zelden reeds op een half uur afstands daar van en werd die 
tusschenruimte benut voor het opwerpen van met geschut te bezetten 
aanvalswerken, zie afb. N°. 90. 



134 



BELEGERINGSAFB FEEDINGEN. 



.ssfoi^ 




Afb. N°. 90. Grave belegerd in 1674. 

De bus-scutten, de arquebussiers of kolveniers, konden 
echter met hun haakbus met steunvork en lont, zie de afb. N os 91 
en 92, in snelheid en trefzekerheid van schot niet op tegen de boog- 
schutters, de arciers en armbustiers, vandaar dat tot op het 
laatst der XV de eeuw en ook nadien nog, pijl en boog een gewaar- 
deerd wapen bleef, tot dit door de verbeteringen in het schietgeweer 
geleidelijk aangebracht, eindelijk voor goed als gevechtswapen in 
onbruik is gekomen. 

Belegeringsafbeeldingen. 

Waardevolle afbeeldingen van belegeringen vóór en uit de XIII de 
eeuw zijn mij behalve die voorkomende in het te Bayeux bewaarde 
beroemde borduurwerk van Koningin Mathilde, voorstellende de ver- 
overing van Engeland in het jaar 1066 l ) niet bekend, wel uit het 
laatst der XIV de ; uit dien tijd dagteekent o. m. afb. N°. 85, ontleend 



') Dit borduurwerk, dat cene lengte heeft van '214 voet bij 18 duim hoogte 
is in deel VI en VII van de Academie des Belles-Lettres in 12 platen volledig 
afgebeeld en door Lancelot toegelicht en mede opgenomen door Montfaucon in 
deel I en II de la Monarchie Francaise. 



BELEGERINGSAFBEELDINGEN. 



135 





T^ 


J . 


3^j^~ ^r-^M ■ ' ^' ' > 


il/M 








BI^F 




<z ■ 



Afb. N°. 91. Arquebussier. 



aan een handschrift van J. Froissart 
(1333—1410), de bekende kroniek- 
schrijver en tijdgenoot van Ael- 
brecht van Be ij e ren, eene afbeel- 
ding, de belegering der stad Au- 
banton bij Mózières in Picardie 
op de grens van Henegouwen voor- 
stellend. Voor de eene der beide 
daarop zichtbare stadspoorten staat 
een kerre ingericht voor twee groote 
steenbussen, gedekt door een juk- 
werk, dat belegd met bosseschermen 
ten doel had den bussemeester en 
zijn gezellen bij het laden, richten 
en afvuren te beschermen tegen de 
pijlen der belegerden. Bij de andere 
poort is het zware valhek en mede 
de tusschen de vóórtorens aanwezige klapbrug opgehaald en doen 
de stedelingen met zwaard en schild gewapend een uitval; boog- 
schutters doen over en weer hun best elkaar te treffen, een storm- 
ladder is aangezet en wordt beklommen en de belegerden werpen 

van af de muurtorens niet enkel 
steenen en potten, maar tevens ban- 
ken, kasten, al wat maar werp- 
baar is, terwijl een groote groep 
piekeniers blijkbaar het tot den 
aanval te geven sein afwacht. 



In de Sint-Bavo, de hoofdkerk 
van Gent, bevond zich tot op het 
laatst der XVIII de eeuw eene hoogst 
merkwaardige schilderij uit het einde 
der XY de eeuw, lang 1.70 M. hoog 
0.31 M., voorstellende de belegering 
van Jeruzalem, Anno 70 na Chr., 
een schilderstuk sedert verdwenen, 
doch vóórdien door Ch. Onghena in 




Afb. N°. 92 Arquebussier. 




<ü 



BELEGERINGSAFBEELDIXC.KN. 



ia: 



gravure gebracht l ). Hoezeer in naam de belegering van Jeruzalem voor- 
stellende, geeft het feitelijk een beeld van die eener Vlaamsche stad, over 
wier hooge ommuring eene reusachtige blide of catapult zijn steenen werpt. 
Niet minder waardevol is Frontispice II, voorstellende de inname 
van Rh en en in Hooimaand 14 ( )0, door den Hertog van Kleef. 




Afb. N°. 94. In het eigenlijk kamp. 

Terwijl een gedeelte van den vijand van plan schijnt een aanval te 
doen op de dubbele poort met haar opgetrokken klapbrug gelegen 
over de droge gracht tusschen den dubbelen ringmuur, rukt een ander 
gedeelte met wapperende banieren de brandende stad binnen, en 
hebben reeds in de St.-Cunerakerk allerlei moord- en rooftooneelen 
plaats J ). De boog, de lans, het zwaard, de speer en de sikkel zijn 
de eenigste wapenen die er op voorkomen. 

Het opbreken van het beleg voor Dordrecht in 1418, op afb. 
N°. 82 voorgesteld, is mede geen tijdstuk, maar blijkens het geschut 
en zijn opstelling en de versiering der groote op den voorgrond 
staande tent van lateren tijd ; de er op voorkomende vlammende oven 
diende tot het rood-gloeiend maken van ijzeren kogels. 



i) In deel V van het Vaderlandsch Museum door C. P. Serrure te 
Gent, uitgegeven in 1863, is deze gravure opgenomen en uitvoerig beschreven. 

2 ) In jaargang I (1899 — 1900) van het Bulletin van den Nederlandschen Oud- 
heidkundigen Bond is dit schilderstuk beschreven. 

I. > 8 



138 



BELEGERINGSAFBEELDIXGEN. 



Karakteristieker zijn dan ook de afb. N os 83 en 84, voorstellende 
de inname van Sint-Geertruidenberg in 1573 en die van Steen- 
wijk in 1592. Uit vrees voor den vijand die Ge er truiden berg 
over de ommuring reeds binnenstormt, vlucht alles ter poorte uit, 
om al vluchtend achterhaald en afgemaakt te worden. De inname 
van Steenwijk toont ons die stad, door 45 kanonnen beschoten, 
aan twee zijden in brand staande; op een groot schavot op de markt 
is de beul reeds met zijn onthoofdingsarbeid bezig en terwijl der 
Staten-folck de stad door de eene poort binnentrekt, trekt des Koning- 
folck de tegengestelde poort uit. 

Afb. N°. 93 geeft ten slotte nog eene zeer duidelijke voorstelling- 
van eene stad in de tweede helft der XIV de eeuw met hare ommuring 
en omgrachting, met hare kasteelvormige poorten en zware muur- 
torens, het is de stad Brugge, genomen naar een miniatuur uit een 
der handschriften van J. Froissard. Buiten de omgrachting zijn de 
Bruggenaren in strijd met de Gentenaren en in die strijdende groep, 
ziet men reeds de mitrailleuse dier dagen, bestaande uit drie kleine 
donderbussen, naast elkaar op één verrolbaar onderstel bevestigd. 




Afb. ' N". 95. Het kanon in 't begin der 
XVlI^e eeuw. 




Frontispice II. 



Rh en en. Belegering en inname dier stad in 149 c >. 

Naar een schilderstuk op het raadhuis aldaar. 




Afb. N°. 96. Aanzicht van Ti el in de XVII de eeuw. 



HOOFDSTUK II. 

De Stad, als Woon- en Handelsplaats 
in haar aan- en uitleg. 



„Elke stad toont in haar aanleg nou steeds in 
meerdere of mindere mate: haar afkomst, haar 
wordings-, haar ontwikkelingsgeschiedenis." 

Onze steden zijn niet gesticht, zij zijn niet op last van een 
vorst of door haar eerste bewoners, volgens een vooraf nauw 
gezet overwogen plan van indecling, op een daartoe eerst in eene 
gunstige landstreek met alle zorg gekozen terrein aangelegd en gebouwd. 

Eerst vele eeuwen soms na haar eersten groei tot een buurt- 
schap, tot een woonbuurt, hebben enkele dezer, door bijzonder gunstige 
ligging bedrijvig geworden, zich allengs tot eene stad weten te ontwik- 
kelen en waren zij misschien feitelijk reeds eene stad, alvorens zij dit 
zelve wisten en zóó genoemd werden. 

Onze oudste steden: Deventer, Groningen, Maastricht, 
N ij m e g e n , Stavoren, T i e 1 , Utrecht, \V ij k - b ij - D u u r s t e d e , 
enz. die alle reeds in de lX de eeuw bestonden, hadden zich onge- 
vraagd reeds lang van kleine handeldrijvende rivierplaatsen tot destijds 
belangrijke en welvarende steden ontwikkeld, alvorens zij bij kanse- 
larijbrief van heur Heer of Vorst Stad- of Poortrecht hadden gekregen , 
en door de schrijvers der Annalen en Kron ijken een Civitas, een 
Oppidum ofPortus werden genoemd. 



142 DE WOONBUURT WORDT MARKTPLAATS. 



Het woord stad, door de historici nu meestal in juridischen 
zin opgevat, had in het begin onzer middeleeuwen in hoofdzaak eene 
zakelijke beteekenis, deze, dat eene buurtschap, grooter geworden, 
tot dorp gegroeid en zich ontwikkelend tot een handels- en bedrijfs- 
centrum, nu ook in overeenstemming daarmede de noodige voor- 
zieningen en regelingen had getroffen, voorzieningen en regelingen, 
later bij zoogenaamde^ stadsbrief door den Vorst bevestigd. De 
stadsbrief door den Koning van Frankrijk ten jare 1187 aan die van 
Doornik gegeven zegt zulks uitdrukkelijk: „Nous donnons (aldus 
dit charter) a nos bourgois de Tournai une institution de paix et de 
commune, avec les mêmes usages et coutumes que ces bourgois 
tenaient avant 1'établissement de la commune". 

Onze steden zijn werkelijk niet gesticht, zij hebben zich alle, 
bijna zonder uitzondering, van lieverlede uit buurtschappen ontwikkeld. 

Welke waren de daartoe noodige voorwaarden? 

In de eerste plaats een gunstige ligging, aan of bij een grooten 
verkeersweg, en die verkeerswegen waren oudtijds, behalve enkele 
heerwegen, de viae regiae, onze groote rivieren: de Rijn, de Maas, 
de Waal, de Schelde en de Ijs el. 

Aan die rivieren vinden wij dan ook, Groningen alleen uitge- 
zonderd, onze eerste, onze oudste steden, en wel de oudste daar, 
waar een oude heerweg den loop van een harer kruiste en een over- 
zetveer of later eene brug was. 

Groningen maakte eene uitzondering; haar gunstige ligging 
toch werd minder bepaald door de bevaarbare riviertjes de A en de 
II unze, die benoorden haar vereend zeewaarts stroomden, als wel 
door den Hondsrug, op welks uiteinde, veilig voor alle overstroomingen 
der zee en midden in een vruchtbaar gewest, haar eerste bewoners 
zich hadden gevestigd en hun hoeven en de hutten hunner onder- 
hoorigen hadden gebouwd. Die veilige ligging met een bevaarbaren 
weg zeewaarts en een altijd begaan- en berijdbaren weg oostwaarts, 
de Hondsrug zelf, was de oorzaak van de vroegtijdige ontwikkeling 
dezer woonbuurt tot een dorp, tot eene stad. 

De rivieren zijn onze oudste verkeerswegen. 

Haar altijd doorstroomend water, dat een ieder aan haar oever 
deed vragen, van waar komt ge, waarheen gaat ge? lokte tot onder- 



DE WOONBUURT WORDT MARKT- EN BEDRIJFSPLAATS. 143 



zoek en van af het moment, dat door het samenbinden van enkele 
boomstammen, het vlot, en door het uithollen van een z waren stam, 
de holk of hulk, het schip was uitgevonden, belastten die rivieren 
zich, zonder eenige kostenrekening daarvoor in te dienen met het vervoer 
beneden waarts en vond men haar afzakkend, andere buurten, andere 
gewesten en eindelijk de zee, en werden zij dus van zelf de ver- 
bindingswegen tusschen die buurten en gewesten onderling en met de zee. 

Er ontwikkelen zich marktplaatsen. 

En de aan die rivieren 't gunstigst gelegene woonbuurten, bij een 
veer, of waar een inham de kleine vaartuigen een veilige of rustige 
ligplaats bood, werden nu van lieverlede verkeersmiddelpunten, de 
verblijfplaatsen gedurende een of meer dagen van doortrekkende comans 
of kooplieden, langzamerhand zelfs markt- of ruilplaatsen, alwaar de in- 
en omwonenden, hetgeen zij te missen hadden, op bepaalde tijden 
inruilden tegen hetgeen zij van de goederen dier kooplieden noodig 
hadden of wenschten. 

Allengs ontstonden daar ter plaatse nu vaste, regelmatige markten, 
voor- en najaarsmarkten. De voorjaarsmarkt, waarop men van de 
hand zette, hetgeen er van den wintervoorraad was overgebleven, 
tegen hetgeen er voor hoeve of veld of kleeding noodig bleek ; de 
najaarsmarkt, waarop men een deel van den binnengehaalden oogst 
en van het vee verruilde, tegen hetgeen de winter vroeg, alsook tegen 
wapens, voer- en werktuigen. 

Met de beteekenis dier marktplaats nam tevens toe het aantal koop- 
lieden, die van verre, die van uit den vreemde zelfs, met hun baerdsen, 
hun pleyten, hun scuyten, hun verdoende (overdekte) schepen, of in 
hun haecboten (visschersvaartuigen) de rivier afkwamen, of met hun 
hessewagens veelal met ossen bespannen, of met hun lastdieren langs 
de heerwegen trokken en het meegebrachte aanvankelijk in die schepen 
en wagens ter plaatse ten verkoop aanboden, tot eerst enkelen en 
vervolgens meerderen, hun waren uitstalden in daartoe op het markt- 
veld opgezette en met een zeil of doek overdekte kramen. 

Behalve die groote, behalve die vele dagen durende vóór- en 
najaarsmarkten, kwamen er allengs nog tusschentijdsche en later zelfs 
bepaalde weekmarkten, en die alle eischten ter voorkoming van 
wanorde, geschillen en twisten, alsook ter beëindiging van deze, nu 
tal van voorzieningen en tal van regelingen. 



144 DE .MARKT- EN BEDRIJFSPLAATS IN HAAR OPKOMST. 



De marktplaats vraagt voorzieningen. 

Die vreemde kooplieden toch hadden noodig een eigen lig- 
plaats voor hun schip, een eigen standplaats voor hun kraam, 
bescherming tegen en bestraffing bij diefstal, zekerheid van maat en 
gewicht; zij verlangden een scheidsgerecht bij voorkomend geschil, 
hulp bii ziekte en ongevallen, en velen een onderdak mede. Zij brachten 
daarentegen mede nieuwe denkbeelden, andere en vaak betere werk- 
tuigen en wapens, nieuwe kleedingstoffen en sieradiën, en tevens 
leven en gang in bijna alle plaatselijke ambachten en bedrijven. 

Naast het landbouw- en het visschersbedrijf, vóórdien de eenigste 
bedrijven van eenige beteekenis, ontwikkelde zich met en door die 
markt het handwerk van den smid en dat van den leerbereider, het 
handwerk van den wagen- en wapenmaker en dat van den wol- 
bereider en van den wever; en zij die vroeger in hoofdzaak land- 
bouwer en slechts ten deele ambachtsman waren, zij gaan zich nu 
meer en meer uitsluitend aan hun ambacht wijden, zij gaan nu voor 
de markt in voorraad werken, zij staan straks ook met een kraam 
ter eigen markt en gaan allengs ook ter markt elders. 

Door en met die bedrijven neemt de handel, neemt het vertier 
toe en uit en naast de landbouw- en visschersbevolking ontwikkelen 
zich nu nieuwe groepen, die der nijveren, die der kooplieden, welke 
laatste zich allengs splitste in die der plaatselijke en gewestelijke 
kramers of kremers, de latere wankeliers, en in die der merca- 
tor es of comans, die met hun waren tevens andere landen bezoe- 
kend, deze aldaar inruilden en het van daar meegebrachte hier ter 
markt brachten. 

Bestond het bezit der landbouwbevolking bijna uitsluitend in een 
stolphoevc, in een stuk land, in eenig vee, in een aandeel in de 
marke, en misschien in een boot of schuit met wat vischgerei, alzoo 
bijna uitsluitend in onroerend goed, dat der nijveren en koop- 
lieden bestond bijna uitsluitend in hun voorraden, in roerend goed. 

Stonden in de oude woonbuurt de houten, met riet gedekte stolphoeven 
alle ver uiteen, op een groot erf door een voerweg omgeven, sedert 
hare ontwikkeling als marktplaats zijn nu, inzonderheid aan het markt- 
veld, die voorheen groote erven meerendeels gesplitst en hebben zich naast 
en tusschen de hoeven allengs bedrij f s- en koopmanshuizen gevestigd. 



DE MARKT- EN BEDRIJFSPLAATS WORDT EENE STAD. 145 



Bepaalde een brand zich voorheen meestal tot de enkele op zich 
zelf staande hut of hoeve met haar inhoud, waarin hij ontstaan was, 
nu, in die zooveel dichter ineengebouwde kom, slaat de brand niet 
zelden van stroodak op stroodak, van huis op huis over, de geheele 
plaats soms met vernieling bedreigend, en veler geheele bezit dan 
in een ommezien verslindend. Het brandgevaar was nu verveelvoud 
en een vijand van zoodanige beteekenis geworden, dat er tal van 
voorzorgen moesten genomen worden om brand te voorkomen en tal 
van voorzieningen om hem op 't spoedigst te kunnen blusschen. 

Met het roerend bezit nam echter ook de gelegenheid en lust tot 
diefstal toe, met al den last daartegen te waken, en, was deze 
gepleegd, den dief te ontdekken en te berechten; kortom, in de zich 
ontwikkelende markt- en handelsplaats moesten gaandeweg in aller 
belang, tal van maatregelen worden genomen en voorzieningen ge- 
troffen, in de stille woonbuurt van vroeger ten eenenmale onbekend 
en onnoodig, welnu, juist het totaal dier maatregelen en voor- 
zieningen, onderscheidde de marktplaats van de woonbuurt en maakte 
haar in dat opzicht tot eene stad. 

Onder die voorzieningen was er eene van bijzonder ingrijpende 
beteekenis voor haren vorm, voor haar afmeting en groei, eene voor- 
ziening van hoogst kostbaren en bezwarenden aard tevens, te weten, 
h are v e i 1 i g h e i d s voorzien i ng. 

De oude woonbuurt, markt- en handelsplaats wordend, gevoelde 
zich, geheel open naar alle zijden als zij was, op den duur niet rustig 
meer; onbeschermd tegen nachtelijke of verraderlijke overvallen, bloot- 
gesteld aan diefstal en meer dan ooit te voren beducht voor brand, 
gaf zij eindelijk toe aan den herhaalden aandrang zoo van de vreemde 
als van haar eigen kooplieden, welke meerdere veiligheid eischten. 
Het uitzetten van gewapende wachten onvoldoende achtend of 
gebleken, gaat zij nu, met hulp en zakelijken steun dier kooplieden, 
zich omgrachtcn, omwallen en bepoorten, zich aldus isoleerend van 
hare omgeving, zich daarvan afsluitend en zich terzelfdertijd omge- 
vend met een veiligheidsgordel, die haar tevens tot verdedigingsgordel 
kon en moest dienen. 

In zich was dit eigenlijk niets nieuws. 

Om menig eenzame hoeve toch, om menige woonbuurt vond men 
destijds eene omwalling met dicht kreupelhout of een doornenhaag 
i. 19 



146 DE MARKT- EN BEDRIJFSPLAATS WORDT EENE STAD. 



begroeid en door een grup omgeven, ter afsluiting der plaats tegen 
wilde dieren, of om 't eigen vee bijeen te houden, of wel ter bescher- 
ming eenigermate tegen overstroomingen, eene omwalling, in tijden 
van oorlogsgevaar tevens tot verdediging dienend. 

Welnu dat, wat zoo menige hoevebezitter en zoo menige dorps- 
buurt ter eigen beveiliging sedert overoude tijden reeds had gedaan, 
datzelfde, doch nu zooveel breeder opgevat, deed de marktplaats. 

De grup wordt nu eene gracht van een 15 M. breedte bij een 5 M. 
diepte, de lage met geboomte bezette wal van voorheen wordt nu 
eene 6 tot 10 M. hoogen wal met breeden voet, door een rij scherp 
gepunte palissaden van buiten omzet, het teenen of houten afsluithek 
veranderd in eene poort met sluitbare deuren en een vasten 
wachtpost en waar voorheen een dam in de grup den toegang aan- 
duidde, ligt nu eene ophaalbrug over de breede gracht. 

Niet zelden begon men met de plaats te omtuinen, te omsluiten 
met een vlechtwerk van zwaar rijshout, of met doornenhagen, of 
een planketsel, staketsel, of eene palissadeering, dit eerst later 
door eene omwalling vervangend. Men deed dit alles, als zijnde een 
natuurlijk beveilingsrecht, ongevraagd en ongestoord; slechts in bijzon- 
dere gevallen werd daartoe vergunning gevraagd aan den geweste- 
lijken Heer, en dan gold zulks meestal eene ommuring en niet de 
omwalling, terwijl niet zelden ook, op aandrang van den gewestelijken 
Heer zelf, en met diens steun, eene plaats zich omgordde en omvestte. 

De woonbuurt is een dorp, dit dorp is eene markt- en han- 
delsplaats geworden, en die markt- en handelsplaats, heeft 
zich nu omwald, omgracht en bepoort, en heeft tevens het in haar 
nieuwen toestand noodige geregeld, zich een zelfbestuur gegeven, 
bestaande uit de ervarendsten der in de belangen der plaats zelve 
betrokken inwoners, welke nu die belangen bepleiten bij haar Heer of 
diens baljuw, en als haar vertegenwoordigers optreden en handelen. 

Door dit alles heeft zij nu van lieverlede een geheel ander karakter, 
geheel andere bestaanstoestanden gekregen ; zij heeft zich uit de omge- 
ving, waarvan zij voorheen een deel uitmaakte, afgescheiden, zij is nu 
eene stad geworden, ook al wordt zij in de oorkonden van dien 
tijd nog niet als zoodanig betiteld, daar haar feitelijke toestand nog 
niet bij kanselarij-brief is bekrachtigd, nog niet bij privilegie-brief, 
wegens zoo menig bewezen trouwen dienst, is erkend. Van onze oudste 



DORPSTYPEN. — HET RIVIERDORP. 147 



steden missen wij ook de oorkonden dier erkenning; afgaande op hare 
in de officieele bescheiden voorkomende benamingen van : villa, 
civitas, portus, oppidum, enz., leidt men soms eenigermate af, 
op welk tijdstip zij reeds stadsrecht bezaten. 

De stadsrecht-kaart, door wijlen Mr. A. Telting, in de jaren 
1904 — '07 met de meeste zorg saamgesteld, en als afb. N°. 1 vóór in 
dit werk geplaatst, geeft aan, voor zooveel zulks uit nog voorhanden 
oorkonden bewijsbaar is, het jaar, waarop aan elk onzer steden stads- 
recht is verleend. Van die steden echter, waarvan zulks uit de oor- 
konden niet blijkt, wijst het jaar met het daarvóór geplaatst — teeken 
aan, dat zij alstoen reeds stadsrecht bezaten. 

Omgracht, omwald, omsloten en omgrensd als zij zijn, dient nu 
haar in- en uitwendigen vorm, hare afmeting, in het kort, het stede- 
lichaam te worden bezien en besproken. 

Dorpstypen. 

Uit de woonbuurt, uit het dorp ontstaan, nam zij, die handels- 
plaats, die jonge stad, van dat dorp dan ook den vorm, het 
lichaam over. 

Welnu, hoe was die vorm, hoe was dat dorpslichaam? 

Van zeer onderscheiden, vaak zelfs van vrij willekeurigen aard, 
veroorzaakt door plaatselijke toestanden en omstandigheden, soms 
ook door het toeval; trots dit, is het echter mogelijk in die dorps, 
lichamen eenige typen te onderscheiden. Ten einde die verdeeling 
niet te veel uit te breiden, want elk type heeft weder zijn variëteiten, 
bepaal ik mij tot de hoofdtypen, zijnde: de rivier- of d ijkdorpen, 
de wierde- of kringdorpen, de brink-, esch- of komdorpen, 
de langs weg- of streekdorpen, het kruiswegdorp en het 
verspreide dorp. 

Sommige dezer behooren gelijktijdig tot twee dezer typen, ofwel, 
veranderden door aanbouw allengs in vorm, in karakter, in type; 
van het meerendeel onzer steden is dan ook de oorspronkelijke, de 
eerste dorpsvorm vrij moeilijk met zekerheid meer vast te stellen. 

Waarin zit nu het karakteristieke onderscheid van elk dier 
dorpstypen ? 

Het rivierdorp. 

Het rivierdorp ontstond meestal uit eene visschersbuurt. 



148 HET RIVIERDORP. 



Hen of meer visschersgezinnen vestigden zich met hun kleine 
hulken op ecne gunstige plaats in een rivierbocht, gedekt tegen den 
af komenden stroom, of rond een inham of bij den mond van een 
riviertak, bij een aldaar gelegen kasteel en plaatsten nu met toestem- 
ming van den kasteelheer, langs of in den rivieroever boven op enkele 
palen, hun v;in rijshout gevlochten, met leem besmeerde en met riet 
gedekte hutten, een paalwerk ruimschoots boven de hoogste rivier- 
standen uitkomende, zoodat de bewoners zich volkomen veilig gevoel- 
den, terwijl hun hulk, aan het paalwerk dier woning vastgebonden, 
er onder of in 't onmiddellijk bereik lag. 

Bij die eerste bewoners voegden zich dra andere en zoo vormde 
zich nu langs de rivier ecne visschersbuurt, bij voorkeur den oever 
volgend of zich in lengterichting uitbreidend, met de rivier tot voed- 
ster, tot bestaansfactor. 

En de enkele nijveren en landbouwers welke zich daarbij aan- 
sloten, zij plaatsten hun kleine hoeven en hutten op eenigen afstand 
achter die visschershutten, op den daartoe bij wijze van dijk opge- 
hoogden grond, en zoo ontstond er nu eene dubbele woningrij door 
een achterweg gescheiden, met een dwarspad rivierwaarts naast bijna 
elke visschershut. 

Zoo ontstonden onze steden Amsterdam, Dordrecht, Kam- 
pen, Nijmegen, Rotterdam, enz. 

En daar waar de rivier zich had verbreed tot een zeearm of 
zeeboezem, vestigden zich nu rond dien inham, die tot haven of veilige 
ligplaats hunner vaartuigen diende, meestal op en langs een zee- 
keerenden dijk, de woningen der visschers en nam de buurt dan 
veelal den vorm aan door die haven bepaald, aldus in Blokzijl, 
Harderwijk, Stavoren, Vlissingen, enz. 

Bij smalle rivieren en aan de monding ecner rivier, werden echter 
meestal de beide tegenover elkaar gelegen oevers bezet en kreeg 
men dus eene door de rivier in tweeën gedeelde dubbele doch minder 
lange buurt, beide met haar achterweg en achterwoningen, zooals in 
Gouda, Leiden, Utrecht, enz. 

Die visschersbuurten , ontwikkelden zich geleidelijk tot dorpen, 
en die hunner, wier bewoners, meerendeels van visschers koop- 
lieden waren geworden, zij groeiden aan tot handels- en marktplaatsen , 



HET KRTNCDORP. — HET KOMDORP. 149 



tot onze eerste steden, tot steden in hcur plan- of grondvorm ten vollen 
haar herkomst uit het rivierdorp verradend, en soms nog eeuwen lang 
in hoofdvorm een enkele of dubbele langs- of havenbuurt blijvend. 

Het kringdorp. 

Het kring- of wierdedorp ontstond op de tegen overstroomin- 
gen der zee in enkele onzer gewesten door de bewoners opgeworpen 
vlucht- of woonheuvels. Die heuvels, wierden of terpen genaamd, 
en in verloop van tijd niet zelden bij herhaling verhoogd, waren van 
twee tot tien of meer hectaren soms groot en bijna altijd rond van 
vorm. Midden op die wierde staat meestal het kerkje met bijbehoo- 
rende begraafplaats en priesterwoning, en daaromheen aan den breeden 
weg rond dat kerkhof, stonden de hoeven der vrijen en achter deze, 
in wijden kring langs den achterweg, de hutten hunner hoorigen. Die 
kringvormige aanleg verdween echter grootendeels met een deel van 
de hoogte der wierde, in de latere tijden van het wierdedorp en vooral 
als dit stad geworden, herhaalden aan- en verbouw onderging, van- 
daar, dat wij in de uit die dorpen ontstane steden, zooals Bols war d, 
Dokkum, Leeuwarden, (welke stad uit eene samenvoeging van 
twee wierdedorpen ontstaan op drie terpen is gelegen) enz., die oor- 
sprong niet direct, meer uit het heuvelachtige op- en afloopen harer 
straten als wel uit dezer beloop herkennen. 

Een zoodanige kringdorpvorm had ook oud-M id delburg, (zie afb. 
N°. 9) als buurt en dorp ontstaan en gegroeid rond den tegen de 
Noormannen in de IX de eeuw opgerichten burcht, terwijl de stad 
1 den zaal (zie afb. N°. 15) het sterkst nog den kringvorm bewaard 
heeft van de buurt, welke rond de eerste christenkerk aldaar ontslaan, 
zich reeds vroeg had omwald, en bij haren herbouw na den grooten 
brand van 1426, deze door aanleg van straalsgewijze loopende 
straten nog verduidelijkte. 

Het komdorp. 

Het kom- of brinkdorp, het eigenaardigst als Drentsen dorp, 
ontstond, doordien de eerste hoeven bij voorkeur geplaatst werden 
aan en om een met zwaar geboomte bezet middenveld, de brink, 
waarover tevens de oude heer- of landweg liep zich aldaar dikwijls 
met een anderen kruisend. Hoezeer die brink meestal in verloop van 
tijd werd versmald en ingekort, en slechts zelden de afmeting behield 
als die te Zuidlaren, hij bleef toch altijd de kom, het middenplein 



150 HET KRUISWEGDORP. 



van het dorp en van de daaruit ontstane stad, welke brink wij, 
behalve in enkele Utrechtsche dorpen, terugvinden in de steden Assen, 
Deventer, Groningen, Harde r w ij k , Steen w ij k , enz. 

Ook onze Zeeuwsche dorpen zijn bij voorkeur komdorpen ; hoe- 
zeer minder breed en ruim van aanleg als de Drentsche, alwaar de 
grond veel minder waarde had. Midden in den ronden of rechthoe- 
kigen kom staat in die Zeeuwsche dorpen dan met boomen omzet de 
kerk, en, recht daarop aanloopende ligt meestal in de lengte-as dier 
kom de met eene dubbele huizenrij bezette hoofdstraat, o. m. in Arne- 
muiden en Goes, in de stad aan het Haringvliet en in Willemstad. 

Het kruiswegdorp. 

Het kruiswegdorp behoort tot eene onzer alleroudste buurt- 
en dorpsvormen; zijn ontstaan, zijn opkomst en ontwikkeling geheel 
en al dankend aan de kruising van twee hoofdwegen. Ons land, nu 
overdekt met een netwerk van goede wegen, van straat-, grind- en 
landwegen, kende voorheen geen steen- of straatwegen en geen grind- 
wegen ook, slechts klei- en zandwegen; kleiwegen echter voor- en na- 
jaars, en zandwegen 's zomers vaak onbegaanbaar, of slechts te paard 
bruikbaar. Op die lange, moeitevolle, toen eenzame wegen was een 
rustpunt, een onderdak menigeen dan ook hoogst welkom, zoodat 
daar, waar die wegen elkaar of eene rivier kruisten, zich reeds 
spoedig eene buurt, een dorpje, allengs eene stad ontwikkelde, die, 
hoe haar omvang en beteekenis in verloop van tijd ook toenam, haar 
oorsprong uit twee elkaar kruisende verkeerswegen kennelijk bleef 
behouden. Het kruispunt dier wegen verwijdde zich in die stad niet 
zelden tot een ruim marktplein als verkeersmiddclpunt en bij of op 
dat middelpunt verrees dan de kerk of het raadhuis. Op het duide- 
lijkst spreekt dit type nog in de steden Groningen, Nijmegen, 
Utrecht, enz. 

Niet elke buurt, niet elk dorp echter wist tot ontwikkeling en 
bloei te komen en eene stad te worden; als de handel de wegen 
waaraan het was gelegen en ontstaan niet volgde of verliet en tegen 
andere verwisselde, dan was het gedaan met de verdere ontwikkeling 
en mocht het ten einde toe een dorp blijven. Zoo hebben wij nog 
tal van kruisdorpen, als: de Bilt, Doorn, Hoofd plaat, Kruis- 
land, Midden-Beemster, Loenen, Schoon dij ke, Sint-Kruis, 
Vreeland, Woudenberg, enz., terwijl het kruisdorp 's- Graven- 



HET STREEKDORP. — HET VERSPREIDE DORP. 151 



hage, hoezeer zich in allen deele tot eene stad ontwikkelende, nooit 
dien naam heeft gedragen. Daar echter waar de handel de kruis- 
wegen, waaraan de dorp geworden buurt was gelegen, bij voor- 
keur volgde, daar ontwikkelde dit zich reeds vroegtijdig tot eene 
stad , zooals : Alkmaar, Arnhem, Deventer, Gouda, M a a s- 
t richt, Roermond, Sneek, enz., die allen tot deze groep behooren. 

Het streekdorp. 

Het Langs weg- of Streekdorp, het meest voorkomende type, 
ontwikkelde zich door tal van oorzaken, bij voorkeur langs dijken en 
langs oude land- of heerwegen. 

Uit den lateren tijd, van uit en na de XVÏI de eeuw, dagteekenen 
in de veenstreken de veendorpen van dit type: Heer en veen, 
Hoogeveen, Hoo gezand, Sappe meer, de Sm il de, Stads- 
k a n aal, \Y i 1 d e r v ank, enz. en uit den laatsten tijd nog N i e u w 
Amsterdam. 

Die veendorpen ontwikkelden zich echter niet meer tot steden, 
daartoe was de tijd reeds voorbij, zulks had in maatschappelijken en 
economischen zin toen bijna geen waarde meer, en van daar dat ze ook 
de aandrang daartoe miste. In vele onzer kleine steden echter, hoofd- 
zakelijk bestaande uit ééne breede, haar over de volle lengte door- 
loopende en in tweeën doelende hoofdstraat, spreekt nog op het 
duidelijkst de afkomst uit het langs- of streekdorp, zooals in Amers- 
foort, E dam, Harden berg, 's- Hee ren berg, Kuilenburg, 
L o c h e m , Monnikendam, Purmerend, Rhcncn, S choon- 
hoven, S i 1 1 a r d , V i a n e n , Wageningen, IJ 1 s t , enz. 

Het verspreide dorp. 

Het Verspreide dorp is dat, waarin het meerendeel der hoeven 
en hutten oorspronkelijk op het willekeurigst geplaatst zijnde, de 
wegen en straten alle regelmaat of plan vorm missend, zich soms zelfs 
bij wijze van doolhof kronkelen en slingeren. Vooral in vele Drentsche 
dorpen is dit het geval, waarin de grond oudtijds zóó weinig waarde 
had, dat de hoeven met bijbehoorend erf, op het willekeurigst om of 
bij den esch gelegen, rondom door een voerweg waren gescheiden, 
waarvan eerst later enkele van eigen wegen dorpswegen zijn geworden. 

Het schilderachtige dier dorpen zit juist in hun breede, soms 
met vier of meer rijen boomen beplante wegen, welke zich tusschen 
de oude houten hoeven met heur bemoste rieten daken doorkronkelen, 
door een met kreupelhout begroeiden wal van de erven gescheiden. 



152 HET VERSPREIDE DORP. 



Het meest typisch verspreide dorp, is echter Molk we rum, oud- 
tijds het Friesche Doolhof genaamd, bestaande uit acht eilanden of 
pollen, door een 20 bruggen verbonden, een dorp, waarin evenmin als 
in Giethoorn, het schilderachtigste verspreide eilanddorp, voorheen 
een wagen kon rijden. Op „zijn Molkwerum's" wil dan ook zeggen, 
dat alles op 't wanhopigst in de war is. 

Steden uit zulke dorpen ontstaan, onderscheidden zich aanvan- 
kelijk dan ook door een netwerk van straten waarin de vreemdeling 
bijna geen uitweg kan vinden ; in verloop van tijd echter verbeterd 
en veranderd, zou ik thans onder onze steden geen doolhofstad meer 
kunnen noemen, zooals Soest in Westphalen dit ten deele nog is. 

Behalve deze hoofdtypen, de meest karakteristieke dorpsvormen 
vertegenwoordigende, zijn er nog tusschen- of overgang s- en 
ook gecombineerde typen. 

Tot de tusscli en-typen bchooren de _L- en de L-vormige dorpen. 
De T- of t-vormige zijn die, op het midden van wier doorgaanden 
hoofdweg een landwaarts gaande weg zich aansluit en zijn begin 
neemt , zooals in : Baarn, Houten, J u t fa as, Renswoude, Zuilen, 
enz. Bij de L- of clleboogvormige dorpen, buigt zich de hoofdweg bij 
of in dat dorp met een rechten of stompen hoek om, zooals in 
Heer-Abtskerke, Kort gen e, Renesse, Ril land, enz. 

Tot de overgangstypen behooren die dorpen, waarin een of 
meer der genoemde vormen minder beslist tot uiting komen, terwijl 
tot de gecombineerde typen o. m. behooren het rivier- tevens k ruis- 
dorp, het k o m- tevens 1 a n g s dorp, zooals F ij n a a rt, Ni e u w k e r k e n , 
Ooi t gensplaat, Serooskerke, enz. 

Hoezeer onze steden, enkele slechts uitgezonderd, zich alle uit 
een dorp, dat uit eene woonbuurt was ontstaan, hebben ontwikkeld, 
is echter bij vele harer, in verloop van tijd, de primitieve dorpsvorm 
grootendeels of bijna geheel verdwenen, in welk geval het dan ook 
hoogst moeilijk is, om in haar tegen woordigen planvorm dien vroegeren 
dorpsvorm nog aan te wij/en. Door de vele veranderingen toch, welke 
het dorpslichaam, een stedelichaam geworden, geleidelijk onderging, 
loste, althans in de grootere steden, dat vroegere dorpskarakter zich 
vaak geheel en al op in het nieuwe, in het stedekarakter. Alvorens de 
oorzaken en gevolgen dier veranderingen te behandelen, vraagt een 
laatste, een bijzondere dorpssoort nog vermelding, het kasteeldorp. 



HET KASTEELDORP. 153 



Het kasteeldorp. 

Tijdens de invallen der Noormannen vooral, in de IX de eeuw, doch 
misschien ook reeds vroeger, hadden enkele Graven en hun ver- 
wanten en sommige groot-grondbezitters, hun hoeden wier ligging zich 
daartoe eigende, in verdedigbaren toestand gebracht. Zij hadden deze 
omgracht, omwald en ompalissadeerd, tot zij, het onvoldoende hiervan 
inziende, op eene gunstige plaats, aan een riviermond of rivieroever, 
zich een verdedigbaar steen en huis', een sterkte of kasteel bouwden, 
door eene wijde gracht met palissadeering omsloten, alwaar zij, veilig 
tegen onvoorziene overvallen, zich zoo noodig konden verdedigen en 
van waar uit zij strooptochten op hun goed konden beletten. Op de 
hen toebehoorende gronden buiten de omgrachting, stonden zij allengs 
enkele hunner lijfeigenen en onderhoorigen, welke een eigen gezin 
hadden of wenschten, een stuksken grond af om zich eene hut te 
bouwen en het noodige daarop te kunnen verbouwen. Zoo ontstond 
er nu bij of achter of bezijden van het kasteel, allengs eene kleine 
woonbuurt. Enkele visschers, landbouwers en nij veren, aangelokt door 
den beschermenden invloed welke van dat kasteel uitging, vroegen 
en verkregen vergunning zich aldaar mede te mogen vestigen, zij 
vroegen en verkregen onder enkele voorwaarden mede wat grond 
en een erf om zich een hut of kleine hoeve te kunnen bouwen, 
en zoo werd die buurt grooter; in beteekenis toenemende, naarmate 
hare ligging gunstiger was en de kasteelheer het belang inzag, welke 
die zich ontwikkelende buurt voor zijn kasteel en bezitting kon of 
zou opleveren, en hare ontwikkeling daarom leidde en bevorderde. 

Terwijl bij de vorming en eerste ontwikkeling eener woonbuurt 
en bij haar geleidelijken overgang tot dorp en van dorp tot stad, 
behalve plaatselijke omstandigheden, het toeval, niet zelden de plaat- 
sing der hoeven en hutten, hun onderlingen afstand en de daartusschen 
vrijblijvende voerwegen bepaalde, trad bij de vorming en ontwikkeling 
der kasteelbuurt, meestal altijd de belanghebbende, de kasteelheer, 
op. Deze bepaalde hier de plaats voor de hoeven of hutten, de grootte 
der erven, de richting der wegen en hun breedte, er voor zorgend, 
dat door die buurt den toegang tot zijn kasteel niet werd belem- 
merd, deszelfs verdediging niet werd bemoeilijkt of geschaad, en 
het uitzicht en de vrijheid der kasteelbewoners in geen enkel opzicht 
werd gehinderd. 



154 HET KASTEELDORP. 



Wel is waar blijkt uit geen enkel schriftelijk gegeven, uit geen 
enkele oorkonde of document, dat de kasteelheeren zoo hebben 
gehandeld, maar des te afdoender blijkt zulks uit de plattegronden 
der uit die kasteelbuurten ontstane kasteelsteden. 

Vergelijkt men haar indeeling met die der overige steden, dan 
is het opvallend, zóó duidelijk, als uit het meerendeel dezer een vast 
plan van aanleg spreekt, een aanleg vooraf ter degc overdacht, 
ten volle rekening houdende met de locale omstandigheden, en dat, 
eens vastgesteld, zoo lang mogelijk is gevolgd, gehandhaafd. En dat 
doordachte, dat goed overwogene, dat in zijn hoofdlijnen van meet 
af vastgestelde plan, het spreekt nog het allerduidelijkst bij onze 
jongere en jongste kasteelsteden . 

Waarom? Wat is daarvan de reden? 

Omdat bij dezer ontstaan de ontwikkeling en groei van enkele 
der vroegere kasteelsteden reeds eene beteekenis had gekregen, voor- 
heen vermoed noch voorzien. 

Menige kasteelbuurt toch, oorspronkelijk enkel bestaande uit 
enkele armoedige leemen of houten hutten, was veranderd in eene 
nijvere bedrijfs-, in eene handelsbuurt, die van beteekenis geworden 
voor hare omgeving, eindigde met zich geheel van haar lieer vrij 
te koopen niet alleen, maar zelfs diens kasteel met aangelegen gronden 
aan te koopen. 

En toen? 

Toen werd dat kasteel gesloopt, de grachten gedicht en terzelfder 
plaatse huizen gebouwd en straten aangelegd, van het verdwenen 
kasteel geen spoor overlatend, zoodat een vijftig jaar later het vroeger 
bestaan van dat kasteel slechts aan enkelen meer bekend was, en 
nog vijftig jaar later dit ten ecnenmale vergeten, ja zelfs reeds 
door velen betwijfeld, misschien wel betwist werd. 

De eigenaardige ontwikkeling van zoo menige kasteelbuurt, met 
al daaruit voortvloeiende directe en indirecte voordeden voor het 
kasteel, was menig kasteelheer inderdaad niet ontgaan en vandaar 
dat velen hunner met die mogelijke ontwikkeling nu van den aanvang 
af eenigermate rekening hielden, ook al volgden zij niet het voorbeeld 
van den Heer van het kasteel Sla verden op de Veluwe, die tenjare 
\'2 ( )H bij voorbaat voor zijn kasteelbuurt, die nog niet eens bestond 
en nooit tot ontwikkeling is irekomen, stadsrecht vroeg en verkreeg. 



DE KASTEELSTAD HAARLEM. 



155 




Afb. N n . 97. Plan van Haarlem na den uitleg in de XVIIJe eeuw. 

Een vooraf, althans in hoofdlijnen vastgesteld en gevolgd plan van 
aanleg, spreekt uit den plattegrond van menig onzer kasteelsteden, 
men behoeft deze slechts goed te bezien, om zich daarvan te overtuigen. 

De kasteelstad Haarlem. 

Afb. N°. 07 stelt voor het plan van oud-Haarlem; ter weers- 
zijden van het Grafelijk kasteel, waarvan het tegenwoordige raadhuis 
nog eene kleine reste is en welk kasteel zich oudtijds waarschijnlijk 
west- en zuid westwaarts uitstrekte tot aan de oude gracht, had zich 
met 's Graven toestemming allengs een buurt gevormd, over eene 
breedte van ± 100 M. en ter volle diepte van 330 M., of tot het 
Spaarne toe, midden vóc3r het kasteel een tournooi- of steekspelveld 
vrijhoudend, dat op markttijden tot marktveld werd afgestaan, en naar 



156 DE KASTEELSTAD HAARLEM. - - HET KASTEELDOR1' DIE IIAOHE. 



dat marktveld de van buiten komende hoofdstraten gericht en de 
overigen straalsgewijze daarop aangelegd. 

Op dat groote marktplein, dat later, nadat het kasteel tot Raad- 
huis, tot een Domus Civitatis was afgestaan, werd versmald en bij 
het Spaarne ingekort, was reeds vroegtijdig met goedvinden van den 
Graaf, H a a r 1 e m's hoofdkerk , haar S i n t - B a v o gesticht , en komen nu 
nog negen hoofdstraten uit, waarvan er zes, voorheen door poorten in 
de ommuring gesloten, zich buitenpoorts als landwegen voortzetten. Een 
dergelijke breed opgevatte centraal-aanleg in deze op wel wat heel kleine 
schaal gegeven plattegrond (afb. N°. 97) toch nog duidelijk zichtbaar, 
ontstaat niet bij toeval, niet zonder leiding; en die leiding kon hier slechts 
uitgaan van den Graaf als bezitter, als uitgever van den grond, buiten 
wiens goedvinden en zonder wiens aanwijzing zulks niet kon plaats hebben. 

Het kasteeldorp die Haghe. 

Een regelmatiger! aanleg van geheel anderen vorm, toont het plan 
van het rond het Grafelijk kasteel in die Haghe ontstane dorp. 

Dat kasteel door de Graven Willem II en Floris V in de tweede 
helft der XIII de eeuw gesticht en met zijn binnen- en buitenhof, zijn 
vijver, reigersbosch en kooltuin een oppervlak van 4<S hectaren 
beslaande, wordt benoorden begrensd door den heerweg van 's-Gra- 
vcsande naar Leiden, en bewesten door den landweg van Delft 
naar Sche velingen. Op het kruispunt dier beide wegen, werd in 
het verlengde van de as van het kasteel een markt- en kerkplein 
afgestaan en langs die wegen en om dat plein door de C.raaflijkheid 
kleine erven op grondrente of in erfpacht uitgegeven, terwijl de aan 
's Graven Hol verbonden edelen zich op de grootere erven, hen langs 
den Vijverberg, het Tournooiveld en in het Voorhout geschonken of 
op erfpacht afgestaan, woningen bouwden. Beoosten van het kasteel, 
waar dit met zijn tuinen grensde aan het Haghe hout, 's Graven 
bosch en wildpark, werd echter vóór de XVII de eeuw geen enkel erf 
uitgegeven ; wel werd in de jaren 1344— '45 ten behoeve van het kasteel 
en van de bewoners der reeds tot een dorp aangegroeide woonbuurt, 
een vaart, het Spui, gegraven tot aan den Delftschen vliet en zoo 
eene scheepvaartverbinding tot stand gebracht met Delft, Leiden 
en het aansluitend gedeelte van het gewest, langs welke vaart nu 
reeds spoedig ter weerszijden woningen verrezen, evenals langs den 
achterweg der aan de markt staande huizen, welke weg Spuijewaerts 
gaende, de Spuistraat werd genoemd. 



DE KASTEELSTAD MONTFOORT. 157 

Een grafelijk kasteel en een oordeelkundige aanleg van de zich 
daarbij ontwikkelende buurt, was echter niet altijd voldoende om die 
plaats tot een dorp van beteekenis en dit tot een stad te doen 
worden. Dit blijkt uit 's-Gra vesande, dat, hoe doelmatig en ruim 
ook van aanleg, doch na den bouw van het kasteel in die Haghe 
nog slechts bij uitzondering tot Grafelijk verblijf benut, het nooit 
verder dan tot een hoogst bescheiden dorp heeft kunnen brengen, 
terwijl Haarlem, waarin de Graven om dezelfde reden mede nog 
slechts af en toe voor korten tijd resideerden en zij zelfs hun kasteel 
aan de poorters tot Raadhuis afstonden, zich, dank zij zijn gunstige 
ligging, tot eenc beteekenisvolle handels- en bcdrijfsstad wist te 
ontwikkelen. 

De kasteelstad Montfoort. 

Op het duidelijkst spreekt de van meet af voorziene, doordachte 
aanleg van enkele onzer kleinere kasteelsteden, echter in dien van 
Montfoort, zie afb. N u . 44. 

Het groote kasteel ten jare 1170 door Godfried, Bisschop van 
Utrecht, aldaar gebouwd, is op deze afbeelding, dagteekenende 
van + A°. 1650, nog in volle beteekenis en door eene breede gracht 
omgeven, die, tevens een deel der stadsgracht, met het Nederhoff een 
diepen insprong maakt midden in de achterzijde van het stedelichaam. 
Van dat Nederhoff leiden drie bruggen stadwaarts, twee, ter weers- 
zijden een, naar de binnen den stadsmuur gelegene tot het kasteel 
behoorende tuinen, terwijl de derde, de in de kasteel-as gelegene 
voorste brug, oorspronkelijk uitkwam midden op een groot markt- 
plein, in het centrum der stad. Dat marktplein werd toen links 
begrensd door de Haven, zijnde eene binnengracht, die tot ligplaats 
diende voor kleine IJselscheepjes, die door eene waterpoort binnen de 
ommuring kwamen en strekte zich rechts uit tot den ouden Bogaert; 
een zeer groot markt veld dus, dat met het kasteel de stad in tweeën 
scheidde en doorliep tot aan de huizen gelegen langs de ommuring aan 
de vóór of IJselzijde. Een dwarsstraat links, gaf van af die markt op 
het eind der haven toegang tot de Hesickerpoort, en eene dwarsgracht 
rechts tot de Willich-Schipperpoort, terwijl de lange Achterstraat links 
en twee kortere rechts de verdere indeeling bepaalden. 

Aanvankelijk besloeg dus het kasteel met zijn tuinen en met het 
er vóór gelegen marktveld bijna Va gedeelte van het geheele oppervlak 
dezer stad, binnen hare ommuring groot 16 hectaren, zijnde 510 M. 



158 DK KASTEELSTAD MONTFOORT 



lang en 310 M. breed. Toen echter de kapel op het slot te klein werd 
om langer mede tot kerk voor de steeds in aantal toenemende buurt- 
bewoners te kunnen dienen, stond de Heer zijn dorpers toe zich op 
het marktplein eene eigen kerk te bouwen, die later vernieuwd en 
vergroot en met een ruim kerkhof omgeven en ombouwd het markt- 
veld een 60 M. versmalde, terwijl ter zelfder tijd of reeds vroeger 
aan de andere zijde der markt langs de Haven huiserven werden 
uitgegeven, totdat eindelijk, met uitzondering van een klein plein 
vóór het Raadhuis, de Plaats, het geheele marktplein aan huiserven 
en straten was verbruikt. Zóó verdween, hetzij uit behoefte aan bouw 
grond binnen de ommuurde stad, hetzij uit geldgewin, dat in ver- 
houding eenig groot marktplein van 180 M. breedte bij 150 M. diepte. 

Het kasteel door de Franschen in 1672 tot eene ruïne herleid, 
verdween mede en toen bij den grooten brand in het begin der 
XVIII de eeuw behalve haar kerk een 70 huizen eene prooi der vlammen 
werden, was Montfoort voor goed geknakt. Zelve vernielde zij 
daarna doelloos en noodeloos, al hetgeen haar nog restte uit haar 
middeleeuwseh verleden, hare poorten, hare ommuring, haar muur- 
torens, zich ongevraagd het stedelijk karakter dat zij nog bezat, ont- 
nemend en tot den dorpstoestand terugkeerend. Al wat er nog typisch 
was binnen die oude stad, en dat de brand gespaard had, werd te niet 
gedaan, de kasteelruïne grootendeels gesloopt en een klein gedeelte 
van de gebouwen op het gewezen Voorhof tot een gesticht ingericht 
en benut. 

Op de afbeelding, hoe klein ook, komt alles toch op het dui- 
delijkst uit; men ziet het viervleugelig, een binnenplein omsluitend 
kasteel met zijn drie torens in renaissance karakter en het daarvóór 
gelegene nog middeleeuwsche Nederhof; men ziet de volledige stads- 
ommuring met hare 21 halfronde ongedekte torens, de vier poorten 
met hare houten jukbruggen over de stadsgracht, de drie singels om 
die gracht en aan de voorzijde de rivier de IJsel. De groote of Sint- 
Janskerk van 55 M. lengte bij 23 M. breedte, die getuigt van den 
vroegeren welstand dezer stad, is, opdat het koor toch vooral precies 
in het oosten zou liggen, storend scheef in dat overigens zoo hoogst 
regelmatig stedeplan geplaatst. In den rechter benedenhoek der afbeel- 
ding ziet men een poel, het „Paerde Wedt", dat in geen onzer oude 
steden en dorpen voorheen mocht ontbreken en tot heden toe dan ook 
nog op de noordoostzijde van den Vijver in 's-Gra venhage bestaat. 
De vele hooischelven op de erven zichtbaar, toonen, dat zij omstreeks 



DE KASTEELSTEDEN MONTFOORT EN ASPEREN. 159 

1650 in hoofdzaak ccn landbouw- en geen bedrijfsstad was. Het eigen- 
aardige karakter dat zij toen nog bezat, had zij in eere moeten 
houden, doch helaas door de epidemische sloopziekte, die in de XIX de 
eeuw geheel Nederland teisterde, werd ook zij bevangen en zoo heeft 
dit typisch stadje zich zelve vernield en weer tot een dorp gemaakt. 

Terwijl in Montfoort het kasteel door zijn insprong en ligging 
ten opzichte der stad, deze in planvorm en silhouet geheel beheerschte, 
zóó zelfs, dat het bijna schijnt alsof hier de stad ter wille en ten bate 
van het kasteel, ter verlevendiging van het uitzicht en ten pleiziere 
der kasteelbewoners is aangelegd, zien wij daarentegen in het kasteel- 
stadje As peren aan de Linghe, zie afb. N°. 24, het kleine kasteel 
gelegen op en in den noordwestelijken hoek dier stad, wier ommu- 
ring daartoe bij de slotpoort zooveel terugspringt. 

Die afbeelding genomen naar eene teekening van het jaar A° 1549, 
stelt waarschijnlijk die stad voor omstreeks het laatst der XIV de eeuw, 
althans in veel vroegeren toestand nog als op hare afbeelding in 
vogelvlucht van 1517 *) „soo als die (in 1745 nog) tegens de kerktoren 
afgetevkent staat in de kerk." Ik vermoed echter, dat dit jaarcijfer 
1517 verkeerd gelezen is en 1617 moet zijn. 

Midden vóór het kasteel ligt ook hier het marktveld met de kerk 
en aan dat marktveld het Raadhuis, kenbaar door zijn buitentrap en 
zijn dakruiter. Het stadje is geheel ommuurd, heeft drie poorten en 
eene waterpoort, terwijl de zestien ronde muurtorens alle op een enkele 
na, met een boogfries en leispits zijn afgedekt, en drie hunner tevens 
van een gekanteelden omgang zijn voorzien. De vele groote hooi- 
schelven verraden ook hier het landbouwbedrijf, evenals in het stadje 
Leerdam, ten deele mede op dezelfde afb. voorkomende. 

Stond in Asperen het kasteel onmiddellijk aan en met zijn 
vóórhof nog binnen de stad, in het kasteelstadje Heukelom, daar- 
entegen mede aan de Linghe gelegen, zie afb. N°. 23, liggen kasteel en 
stad geheel vrij en zelfs op eenigen afstand van elkaar, een afstand, die 
zekerlijk verdwenen ware, zoo die stad meer levensgroei had bezeten. 



1 Mr. M. Beekman heeft in zijne beschrijving van Asperen, uitgegeven 
in 1745, die afbeelding, door F. van Bleijswijk gegraveerd, opgenomen, en mede 
een vogelvluchtplan der stad van + 1740, waarop het kasteel, behalve het „voor- 
geburgte" echter reeds verdwenen is. 



160 DE KASTEELSTAD CULENBORG. 



Ommuurd reeds omstreeks het jaar 1230, toont het zijne drie 
poorten, zijne gekanteelde ommuring met binnenwal door vierkante 
en ronde torens en op elk der beide langszijden bovendien nog door 
een iets naar voren springend blokhuis versterkt. In het midden der plaats, 
daar waar hare vijf straten saamkomen, ligt het marktveld en daarop 
de kerk, terwijl groote hooischelven ook hier het bedrijf typeeren. 

De kasteelstad Culenborg. 

Van de stad Culenborg aan de Lek, zegt A. J. van der Aa 
in zijn Aardrijkskundig Woordenboek, „dat zij ten jare 1144 door den 
Heer van Beusichem ten behoeve van een zijner zoons zou zijn 
gebouwd, van landerijen voorzien en tot eene heerlijkheid verheven, 
en dat ter beveiliging der stad in 1271 daarbij een kasteel werd 
gesticht, dat ten jare 1351 door een nieuw werd vervangen. 

Dat hier in 1144 eene stad zou zijn gesticht, is niet aanneem- 
baar, van stede-stichtingen is te onzent in de Xll de eeuw nergens 
sprake, althans betrouwbare gegevens daaromtrent heb ik niet kunnen 
vinden. Ik veronderstel dus, dat genoemde Heer destijds eenige visschers, 
schippers of veerlieden vergunning heeft gegeven zich te mogen ves- 
tigen op zijne gronden gelegen aan den weg van Zaltbommel naar 
Utrecht, ter plaatse waar die weg de rivier de Lek kruiste. Zoo ont- 
stond daar een buurt, die aangroeide en waarschijnlijk in de tweede 
helft der XIII de eeuw bij een der vele twisten tusschen de Hollanders 
en Gelderschen is verwoest, waarom alstoen te harer beveiliging en 
die van het veer aldaar in 1271 een kasteel zal zijn gesticht, later 
door een nieuw kasteel bcoosten de buurt, die in 1318 stadsrechten 
had gekregen, vervangen. 

Het is dit kasteel, dat op afb. N°. 47 met zijn voorburch, stallingh, 
voorhofif, picuerhuys, cruyt- en bloemhoff, lusthuys 1 , boomgaarden, 
caetsbaen en dreeven op het duidelijkst is voorgesteld en de geheele 
oostzijde der stad dekt. Dit plan in vogelvlucht, ontleend aan Bleau's 
Steden- Atlas, werd door hem den Graaf van Culemborg opgedragen, 
zoodat men mag aannemen, dat alles daarin op het nauwkeurigst is 
afgebeeld; het kasteel grenst benoord-oosten aan de binnenstad. 

Van af het ruime Voorhoff leidt eene jukbrug over de stadsgracht 
door de Slotpoort in de stadsommuring, en door deze in de Slot- of 
Gasthuisstraat, welke de stad over hare volle breedte doorsnijdt en 
door de Golberpoort toegang geeft tot de aldaar buiten de ommuring 
gelegen haven, die uitloopt in de Lek. Eene lange houten voetbrug 



DE KASTEELSTAD CULENBORG. 161 

geeft bovendien van het kasteel zelf nog toegang over de kasteelgracht 
naar den stadsmuur tot een daartegen bijwijze van dienst-voorhof 
gelegen omsloten kleine boomgaard. 

Een lange straat doorloopt van af de Havenpoort tot aan de 
Lansemerpoort, de stad over hare volle lengte en was aanvankelijk 
over 3 / 4 gedeelte harer lengte, tot aan de Slotstraat, zóó breed, dat zij 
tevens tot marktplein diende ; door den bouw van het nieuwe Raad- 
en Vleyshuys werd echter in 1534 het noordelijk gedeelte van dit 
plein belangrijk ingekort. Aan het marktplein staat de groote St.-Barbara- 
kerk, met haar ommuurd kerkhof, door straten omsloten, terwijl verder 
twee langsstraten en enkele dwarsstraten op het ruimst en regelma- 
tigst het middelste of oudste stadsgedeelte indeelen, dat door een op 
bogen rustenden breeden weergang, met de noodige muurtorens om- 
sloten en van vier poorten voorzien is. De groote ruime erven waarin 
oudtijds die binnenstad was ingedeeld, bleven hier behouden, door- 
dien de kasteelheer tijdig, tot twee malen toe zelfs, de noodige 
gronden tot uitbreiding en uitleg der stad beschikbaar stelde. Daardoor 
ontstond hier eene kleine Nieuw-stad benoorden de oude stad langs 
den Lekdijk, en eene groote Nieuw-stad bezuiden haar aan den Bom- 
melschen kant, beide met eigen gracht, met eigen ommuring, met 
eigen poorten, met eigen kerken of kapel ; beide ook op het rcgelma- 
tigst ingedeeld zich doelmatig aansluitend aan de oude of middenstad, 
en bezet met ruime huiserven bewoond meerendeels, te oordeelen naai- 
de vele hooischelven, door een landbouwdrijvende bevolking. 

Vooral uit het plan dezer kasteelstad blijkt den doorgaanden, 
den tot zelfs na het midden der XVII de eeuw nog merkbaren invloed 
van den kasteelheer op de vormontwikkeling en op den groei van het 
stedelichaam, en stellig zou die invloed zich nog langer hebben doen 
gelden, ware het kasteel niet in 1672 — 73 door de Franschen vernield, 
zoodat het, sedert niet meer bewoond, in 1735 is afgebroken en tot 
puin voor den Muider-zeedijk mocht dienen ; alleen de Wittctoren van 
het kasteel is tot in 1812 blijven staan. Ook de ommuringen en de 
poorten der stad zijn nu alle verdwenen, tevergeefs zoekt een vreem- 
deling nu zelfs de plaats waar het groote kasteel zooveel eeuwen 
gestaan heeft; van het, blijkens de afbeelding, in 1650 nog zoo 
karakteristiek geheel, is het kasteel en de geheele ommuring met 
al de poorten en torens dier drieledige stad, geheel verdwenen, alléén 
de binnenpoort op het zuideinde der markt, eene reste van de 
gewezen Lansemerpoort, is alles wat daarvan is overgebleven. 

I. 2 1 



162 DR KASTEELSTAD GORKUM. 

De kasteelstad Gorinehem. 

Onder het overgroot aantal onzer oude kasteelsteden is nog eene 
enkele, die in het bijzonder vermelding verdient, Gorinehem. 

Een der Meeren van Arkel vond goed ten jare 1240 of daarom- 
trent, op zijn gronden aan de rivier de Linge, ter plaatse waar 
deze in de Merwede uitstroomt, zich een kasteel te bouwen, en zou 
nu, volgens de kroniekschrijvers 1 ), ter snellere ontwikkeling eener 
woonbuurt bij dat kasteel, de hem plichtige bewoners van het dorp 
Wolfaren genoodzaakt hebben hun huizen of hutten af te breken, 
en bij zijn kasteel aan de Linge te herbouwen, zelf de steenen kerk 
van daar overplaatsend. 

„Al de Beelden, Boeken, vercierzelen en noodigheden van de 
kerk van Wolferen, dê hij brengen in dees nieuwe kerk te Gorinehem, 
die na de Roomse manier gewijd wierd in d'eere Godts, en de santen 
Martij n en Vincent. Hij dê de Stadt al om bemuyren en sterk maken, 
met hooge dikke Toornen en sonderlingh aen de Westzijde tegen 
Holland, met thien hooge Toorens, behalve de kleyne en die namaals 
gemaakt wierden". (Aldus de kroniekschrijver). 

Is werkelijk die stad toen door den Heer van Arkel gesticht en 
ommuurd, dan zou hij stellig toch in de eerste plaats gezorgd hebben 
om stadsrecht voor haar te verkrijgen, zooals toen gebruikelijk en 
noodig was, daarvan blijkt echter niets, wel dat zij ten jare 1322, 
dat is eene eeuw later, stadsrecht had, zoodat ik vermoed, dat ook 
hier die stichting zich heeft bepaald, tot het beschikbaar stellen van 
gronden voor huiserven eerst langs de eénc zijde der Linge, en bij 
toename der bevolking ook aan de overzijde. Die toename werd 
inderdaad door enkele kasteelheeren dikwijls bevorderd, hetzij door 
vrijgeborenen bijna kosteloos een huiserf en grond aan te bieden, 
hetzij door bedrijfs- en kooplieden de meest gunstige voorwaarden ter 
vestiging in uitzicht te geven 2 ), als vrijdom van lasten, van tolrecht, 
enz. binnen hun gebied, terwijl ook het aanbod soms gedaan, kosteloos 
als poorter te kunnen worden aangenomen, dikwijls niet weinig ver- 
lokkend werkte op de hoorigen uit den omtrek en van elders. 

Uit eene kleine landbouwers- en visschersbuurt zal zich ook hier 



*) Zie: De beschrijving dor stad Gorinehem door A. Kcmps, verschenen 
in 1656. 

2 ) Zoo wist Bisschop Cadalus omstreeks 1033 tal van kooplieden uit Grossjena 
naar Naumburg te lokken, door hun verschillende privilegiën te verzekeren. 



DE KASTEELSTAD GORKUM. 



163 




Afb. N". 08. De kasteelstad Gorkum omstreeks A°. 1650. 



in Gorinchcm allengs eene grootere, een dorp en eindelijk eene 
stad ontwikkeld hebben, die toen, hetzij op eigen kosten, hetzij op 
die van haar Heer, ommuurd, bepoort, en betoren d, den vorm en de 
afmeting kreeg, die zij behoudens een uitleg aan hare oostzijde, bijna 
onveranderd heeft behouden en op afb. N°. 98 is voorgesteld. 

Aan de onderzijde der stad, aan de Merwe, ligt het kasteel, 
ter plaatse waar dit in 1412 opnieuw was gebouwd. De Linge loopt 
door de stad, haar in tweeën scheidend in de eigenlijke of oude stad, 
het westelijk gedeelte en in de later aangebouwde Nieuw-stad, het 
oostelijk gedeelte, dat door drie bruggen, de Petrusbrug, de Visbrug 
en de Koornbrug met de oude stad verbonden, met zijn breede opslag- 
plaats in hoofdzaak diende voor den handel, voor de pak- en woon- 
huizen der kooplieden. 

Van af de Tol- of Havenpoort op haar zuid- tot aan de Arkel- 
poort op haar noordeinde, heeft de oude stad binnen hare ommuring 
eene lengte van ± 520 M. bij eene gemiddelde breedte van 380 M., 
alzoo eene afmeting van ruim l l ) hectaren, die in zich reeds aantoont, 



164 DE KASTEELSTAD GORKUM. - - SINT-MAARTENSDIJK. 



dat zij als stad van die grootte, niet zoo maar is gesticht, aangelegd 
en ommuurd, zooals haar kroniekschrijver ons dit wil doen gelooven. 
De afb. stelt de stad omstreeks 1650 in vogelvlucht voor, westwaarts 
over de volle lengte uitgelegd, terwijl beoosten de Nieuw-stad nog een 
derde uitleg spreekt, nog grootendeels voor blcekerijen dienend. 

De oude ommuring met haar torens is verdwenen en vervangen 
door een bcmuurden breeden wal met 12 scherp naar voren springende 
bastions door eene breede gracht omsloten, één dezer bij de Arkel- 
poort nog met een voorwerk voorzien. Het kasteel geheel van vorm, 
omvang en beteekenis veranderd, is reeds een Tolhuis geworden en 
in een bastion besloten, dat zoowel de Haven- of Waelpoort als de 
kade langs de Merwe dekt. Een marktplein, ter grootte van 75 M. 
bij 150 M. ligt midden in de oude stad, en was waarschijnlijk 
aanvankelijk, toen het zich uitstrekte tot aan de breede dwars- 
straat, die op de Kansepoort uitloopt en tot aan het kasteel zuid- 
waarts, groot 200 M. bij 150 M. 

Midden op dat groote plein staan de hoofdkerk en het raadhuis; 
welk plein door het Schuttershol' of de Doelen en huiserven noord- en 
zuidwaarts van 200 M. is versmald tot 75 M., welke afmeting het 
reeds in 1650 had. 

Sint-Maartensdijk. 

Wat den Heeren v a n A r k e 1 gelukte , bij hun kasteel te G o r k u m : 
eene buurt te zien opkomen en aangroeien tot eene bloeiende, blij- 
vende stad, dat gelukte echter den Heeren van Borselen niet bij 
hun Hof of kasteel Sint-Maartensdijk op het eiland Tholen. 
Ofschoon zij op ongeveer 180 M. afstands van hun kasteel aan de 
Kreek, daarvoor een groote uitgestrektheid gronds beschikbaar stelden, 
zorgden voor eene ruime en doelmatige indeeling, voor een groot 
marktveld met raadhuis, voor eene haven met spui-kom, voor een 
kerkplein met kerk en die kerk ten jare 1400 zelfs met een kapittel 
beschonken en misschien ter zelfder tijd of reeds vóórdien aan de plaats 
stadsrecht bezorgden, ofschoon zij goedvonden, dat de buurt zich 
omwalde, omgrachtte en met poorten afsloot en dit alles misschien 
ten deele zelf bekostigden, toch heeft dit in aanleg breed opgevat 
dorp, het hoogstens tot den naam van een klein stadje kunnen bren- 
gen en is het feitelijk een dorp gebleven. 

Ten jare 1621, alzoo een 2 1 /-, eeuw na zijn stad-wording, had 
Maartensdijk het echter nog niet verder gebracht dan afb. N". ( J ( ) 



166 VORMVERANDERING DER WOONBUURT. 



zulks voorstelt, zijnde alstoen nog eene groote meer leege dan 
bezette ruimte, omgracht en omwald, met ééne verdedigbare poort, 
de Spuipoort, en 2 hekpoorten, waarvan die benoorden de markt, 
de Hof poort, de kasteellaan afsloot. Op het langwerpige met huizen 
omzette marktveld is bij G zichtbaar de dubbele opgang met zijn 
wapenschildhoudendc leeuwen van het kleine raadhuis, waarvoor 
een overdekte markthal staat en eene groote ophaalput. Ook het aan 
het marktplein grenzend kerkplein is aan drie zijden, evenals de 
binnenzijde der haven met aaneengesloten huizen bezet, de overige 
ruimte echter nog door vrij staande grootere en kleinere hoeven, door 
landbouwerswoningen en schuren, meerendeels nog met rieten daken, 
terwijl groote tuinen de verdere ruimte vullen en het geheel een goed 
beeld geeft van een dorp in overgangstoestand, op weg om stad 
te worden. 



Vormverandering der woonbuurt. 

Hoezeer, al naar hare ontwikkeling uit een rivier- of uit een 
wierdedorp, uit een langs- of uit een kruiswegdorp, en bij of rond 
een burcht of kasteel, de plattegrondsvorm onzer steden in den aan- 
vang grootelijks verschilde, onderging die vorm, zoodra eene stad 
zich ging omgrachten en omwallen, zich ging ommuren en ompoorten, 
reeds onmiddellijk eene eigenaardige verandering. 

De woonbuurt, het dorp, wier omtrek vóórdien in het landschap 
stillekens overging, daarin als 't ware vervloeide, hebben nu door 
een wal of muur omsloten, een duidelijker sprekenden vorm en eene 
vaste afmeting tevens aangenomen; zij hebben zich nu geheel uit 
en van dat landschap afgescheiden en afgesloten, zich voor goed 
geïsoleerd . 

Terwijl vóór dien de juiste omtrek der plaats verre van vaststond 
en bijna elk jaar veranderde, is nu voor meerdere tientallen van jaren 
die omtrek onveranderbaar vastgelegd, en de open plaats van voor- 
heen is nu werkelijk in eene gesloten plaats veranderd. 

Die omsluiting was echter niet enkel een veiligheidsgordel, maar 
in hoofdzaak een verdedigingsmiddel, en vandaar, dat zij niet angst- 
vallig den bestaanden omtrek volgde, maar, waar mogelijk, een zóó- 
danigen vorm aannam, als ter verdediging het doelmatigst, het meest 
gewenscht was. Behalve met de eischen der verdediging, moest ook nog 



VORMVERANDERING DER WOONBUURT. 167 



rekening worden gehouden met de mogelijkheid tot eenigen aanbouw. 
Vooral deed men zulks iater, nadat men bij herhaling had onder- 
vonden, welke lasten, zorgen en kosten het gaf, als bij eene eerste 
ommuring eener stad niet of te weinig aan haar groei was gedacht 
en daarvoor geen beschikbare grond binnen die ommuring was 
opgenomen. 

Ommuringsvorm. 

Waar dus de plaatselijke toestanden zulks toelieten en men een 
open oog voor de toekomst had, hetgeen volstrekt niet overal het 
geval was, daar plaatste men die omwalling of ommuring in cenigs- 
zins ruimen kring om de jeugdige stad en wel bij voorkeur in den 
cirkel- of ovaalvorm, als zijnde de in alle opzichten daarvoor een- 
voudigste en doelmatigste vorm. 

Lag de plaats echter langs eene rivier, dan koos men den halven 
cirkel- of halven ovaalvorm en slechts daar, waar de omstandigheden 
dit eischten, kreeg het ommuringsbeloop een vierkanten of een lang- 
werpig rechthoekigen vorm. Uitwendig kregen dus vele plaatsen daarbij 
een geheel anderen, een althans veel sterker sprekenden hoofdvorm, 
dan zij oorspronkelijk hadden, terwijl zij bovendien alle door de 
ommuring met haar poorten en haar torens, nu in silhouet op het 
duidelijkst als een gesloten geheel, als een stedelichaam in het land- 
schap uitkwamen. 

Inwendige verandering der woonbuurt. 

Was die omsluiting met muur en gracht in de eerste plaats van 
invloed op de afmeting, de begrenzing en den omtreksvorm onzer 
steden, tevens werd zij veeltijds reeds spoedig ook var. invloed op 
den inwendigen toestand. 

De meerdere veiligheid binnen eene ommuurde stad, gevoegd bij 
de vele voordeden aan het poorterschap verbonden, werkte aanlokkend 
op tal van hoorigen en lijfeigenen uit de gewestelijke omgeving, deed 
mede tal van vrije bedrijfslieden besluiten zich binnen die steden 
metterwoon te vestigen en tot poorters te doen opnemen, en was ook 
oorzaak, dat vele grondbezitters van buiten, zich nu van een veilig 
huis binnen de stad voorzagen en daar poorter werden. 

Aangemoedigd niet zelden door bijzondere voorrechten hen in 
uitzicht gesteld, brachten soms enkele vreemde kooplieden er hun 
huis of zaak over, of stichtten er een kantoor, zoodat door dit alles 



168 VORMVERANDERING DER WOONBUURT. 

te zaam, de vroeger zoo stille landbouwers- of visschersplaats allengs 
meer het karakter van een bedrij fs-, van een handelsplaats kreeg. 

En terwijl het landbouw- en het visschersbedrijf, er nu meer af- 
als toeneemt, wint het bedrijfs- en het handelsleven daarbinnen nu 
met elk jaar in omvang en beteekenis, doet de bevolking verdubbelen 
en brengt tevens welvaart en met deze, nieuwe behoeften. 

Er komen tal van nieuwe behoeften zelfs. 

Handel en bedrijf beide vragen markt- en havenruimte, een weeg- 
en een rechthuis, keur- en opslagplaatsen, gasthuizen ter herberging 
van vreemden en ter verpleging van zieken, en grond om nieuwe 
huizen te bouwen, zoo ter bewoning als ter uitoefening van het bedrijf. 

Er komt allengs welvaart. 

Die welvaart brengt van lieverlede mede betere woningen, brengt 
kunstontwikkcling, en meerdere en sierlijker kerken; kleeding en 
huisraad, zij worden smaakvoller en rijker behandeld, nevens de wapen- 
smid komen er ook goud- en zilversmeden en eerst enkele, doch straks 
meerdere vrouwenkloosters. 

Voor die markt- en havenruimte, voor die meerdere en betere 
woningen, voor die meerdere en ruimere kerken, voor die kloosters, 
gasthuizen en hallen is echter weldra al de nog beschikbare bouw- 
grond binnen de ommuring verbruikt en bezet, zoodat reeds spoedig 
de grondprijs stijgt en de groote erven zich splitsen in kleinere. Zij 
splitsen zich dra zoowel in de breedte als in de diepte, zoodat er nu 
tusschen- en achterstraten ontstaan, en de huizen eindelijk alle in rij 
en in gelid aaneenstaan, en de voerweg of het voetpad dat de erven 
oorspronkelijk scheidde nu versmald is tot een wand, ternauwernood 
breed genoeg om aan de zijwaarts overstekende rieten daken nog 
een vrijen drup te verzekeren. 

Alles is nu vrijwel volgebouwd. 

De huizen staan nu aanéCn, en het stolphuis met zijn van binnen 
ziende open dakruimte, het huis gelijkvloers, verandert nu eerst 
in een huis met een doorgaande zoldering en allengs in een huis met 
eene verdieping. Aanvankelijk had dit enkel of in hoofdzaak plaats 
bij de woningen gelegen op het drukste, in het bedrij fsgedeel te, 
rond de markt en langs de hoofdstraten, doch gaandeweg, naarmate 
de stad meer werd volgebouwd, meest overal. 

Kortzichtig als men dikwijls was, of aangelokt niet zelden door 
de aangeboden pacht- of koopsom, verkwanselde menige stad nu 
voor eenige zilverlingen een stuk van haar brink of van haar markt- 



HET MARKTVELD — DE VRIJ-MARKTEN. 169 

of kerkplein, dat zoodoende ingekort of versmald, voor altijd zijne 
vroegere afmeting verloor, en zoo verdween soms mede het binnen 
de stad gelegen bloemhof of de boomgaard of het groote voorhof van 
het kasteel en eindelijk het kasteel zelf met al wat er oudtijds 
toe behoorde. 

De woonbuurt is een dorp, dat dorp is eene stad geworden en 
die stad na zich ommuurd en omgraeht te hebben en steeds meer in 
eene bedrij fs- en handelsplaats te zijn veranderd, is nu uit- en 
inwendig geheel van vorm en aanzien veranderd en heeft, behalve de 
ligging en richting harer oorspronkelijke straten of wegen en haar 
kerk, slechts weinig overgehouden wat aan haar vroegeren dorps- 
toestand herinnert. Doch weldra zal zij nog meer veranderen, tot 
dusverre had zij haar oorspronkelijke afmeting in hoofdzaak nog 
behouden, doch door uitleg verliest zij nu ook deze, eindelijk zijn ook 
de laatste hoeven binnen haar verdwenen en is van haar vroegeren 
toestand zoo goed als niets meer binnen haar overig. 

Het marktveld. 

Onder de nieuwe behoeften der zich ontwikkelende handels- en 
bedrij fsplaats, stond bovenaan die aan markt- en ha ven ruimte. 

Als marktruimte gebruikte men, waar een Brink was, zooals in: 
Deventer, Cxroningen, Harderwijk dien Brink, daar waar eene 
breede straat of breede weg binnen de plaats was, zooals in: Alkmaar, 
Culenburg, Leiden, Sneek, Vianen, Zutphen, enz. die 
Breedstraat, en waar zulks ontbrak een open veld binnen of op een 
weide buiten de stad, doch niet zelden ook, waar dit althans bestond, 
het ruime kerkplein, voor zooveel het nog niet als begraafplaats was 
ingenomen. 

Voor de gewone weekmarkten was zulks voldoende, doch voor 
de bijzondere weekmarkten, en voor de Vrijmarkten vooral, werd die 
ruimte niet zelden op den duur geheel onvoldoende. 

Die bijzondere weekmarkten toch duurden niet één maar meer- 
dere dagen, en die Vrijmarkten duurden van vier tot acht en zelfs 
tot zestien of meer dagen. 

Op die bijzondere markttijden, kwamen, althans in de daarvoor 
't gunstigst gelegene plaatsen, van heinde en van verre, zelfs uit andere 
gewesten en landen, tal van kooplieden met hun waren, geladen hetzij 
in huif- of hessewagens, hetzij op lastdieren, hetzij in verdekte sche- 
pen, hetgeen een stroom van koopers, belanghebbenden, nieuwsgierigen 



170 DE VRIJ-M ARKTEN. 



en bedelaars uit de omgeving of zelfs van verre lokte. Bijzondere vrij- 
stellingen en voorrechten voor die markttijden juist aan de termarkt- 
gaanden verleend, stempelden deze tot zoogenaamde Vrij -markten. 

Geen koopman of marktbczoeker mocht alsdan, behoudens voor 
schulden ter markt zelf aangegaan, voor penninck- of geldschulden 
worden aangetast, of voor begane misdrijven, tenzij van bijzonderen 
aard, worden gevat of gestraft; hij genoot derwaarts gaande en 
keerende, voor een groot deel vrijgeleide en zelfs vrijdom van tollen; 
het gewone recht werd tijdens den duur der markt vervangen door 
het marktrecht, dat de misdrijven niet zelden dubbel zwaar strafte '), 
het leven en het eigendom der ter marktgaanden dus in dubbele mate 
beschermend. 

Het Gilderecht, in bijna elke stad den vrijen invoer van 
gelijksoortige goederen en voorwerpen als door de plaatselijke Gilden 
werden vervaardigd verbiedend, werd alsdan opgeheven, en een 
ieder genoot dus volle vrijheid van handel, volle markt- vrijheid 2 ). 
En om elk bezoeker de grenzen dier markt- vrijheid zichtbaar aan te 
toonen, werd met den aanvang der vrij-markt op de uiteinden van 
het stadsgebied, van het stadsvrije, een houten kruis opgericht en na het 
beëindigen der markt weder weggenomen, als zichtbaar teeken van den 
marktvrede, de markt- vrijheid, welke zich in de alleroudste tijden 
niet zelden uitsluitend tot het marktveld bepaalde. Op het duidelijkst 
spreekt dit alles uit onderstaanden vergunningsbrief van het jaar 
1270, luidende: 

„Florents, Graaf van Holland, aan alle zoo tegen woordigen als 
toekomenden in den Heere Zaligheid. 

„Wij willen dat het een ieder kennelijk zij, hoe wij, te gelijk met 
onze Beminde Moeje, Vrouwe Aleydis, Gemalin van wijle den Hcer 
Jan van Avennes, volgens voruytzigt onzes raads, te Nieuwe Schie- 
dam (het tegenwoordige Schiedam) eenc jaarlijksche Markt gesteld en 
bewilligd hebben. 



1 ) Het oud-Groningcr wetboek, dat reeds vóór 1425 gold, bepaalt: 
„Van Broke ende boete, in de Vrijmarket: 

„Alle broke ende boete, die in der vrije market verscinen, ende die buten 
die vrijmarket eenvolt sint, sullen wesen dubbelt, ende die dubbelt sint sullen 
in die vrijmarket wesen viervolt, also lange als die vrijmarket duurt." 

2 ) „Voert (aldus de Groninger gildebrief van 1434) in den Vrije market mach 
een jegelijck vrecmt kremer de hyr compt, cremen en vcreopen na sijnre gadinge." 



DE VRIJ-MARKTEN. 171 



„Op welke jaarlijks altijd, den derden dag naar onzer Lieve Vrouwe 
Maria Geboorte, het kruys zal opgerecht en op den achtsten dag naar 
zijne oprechting, volgens het gebruyk der andere Jaarmarkten afge- 
nomen en weggedaan worden. 

„Deeze Markt willen wij dat met al zoodaanig volkomen recht, 
zooals dat op de andere Jaarmarkten onzes Graaffschaps onderhouden 
wordt, aan onze voorzeyde Moeje, even als haar ander goed, zal 
toebehooren. 

„Verzoekende diensvolgens alle kooplieden, en uytslijters en alle 
anderen zoo in- als uytlanders, bekenden en onbekenden, dat zij 
veylig dezelve met hunne goederen, koopmanschappen of koopwaeren 
willen bijwoonen en voortzetten : zullende wij hen in opzigte van der 
zelver goederen en persoonen, komende, blijvende en keerende alom 
te land door ons gebied, onder onse bescherming en vrijgeleyde neemen ; 
gelijk als de andere steden van ons Graaffschap jaarmarkten houdende, 
zooals wij bij deezen brief betuygen, welke wij met ons zegel hebben 
doen versterken. 

„De weeklijksche markt aldaer willen en vergunnen wij dat 
insgelijks met volle vrijheid en op de voorschrceve wijze alle vrijdagen 
zal gehouden worden. 

„Gegeeven in 't jaar onzes Heere MCC en zeventig op den achtsten 
dag naa des Heere Hemelvaart." 

Ten einde aan die Vrij-markten een des te grooter toeloop van 
bezoekers te verzekeren, werden zij meestal gesteld en geopend op 
den patroonsdag der kerk of op den naam- of gedenkdag van een ter 
plaatse bijzonder vereerden heilige; er hadden dan vaak bedevaarten 
plaats, de reliquieën werden tentoongesteld , aflaten verkrijgbaar gesteld 
en met een plechtige mis werd alsdan die markt geopend en ingewijd, 
waarom de aldus geopende markt, naar die kerk-mis toen en sedert 
verkort de kermis werd genoemd. 

Omgekeerd waren er ook geestelijken, die, om aan het wijdings- 
feest hunner kerk of aan den gedenkdag dier wijding meer beteekenis 
te geven, van den Heer van het Gewest voor geld of goede woorden 
vergunning tot het houden eener dergelijke jaarmarkt wisten te 
verkrijgen '). 



*) Zie Mr. G. v. Loon: „Verhandeling over de Kermissen in Holland", 
bladz. 12; verschenen 1743. 



172 DE VRIJ-M ARKTEN. 



Zoo verkreeg Bisschop Bernulphus op 4 Juli 1048 van Keizer 
Hendrik III vergunning, „dat dye van Oldenseel dat gansse jair 
doir hebben mochten alle weke twe vrije merrichken, des dynsse- 
dages en des donderdages ende een jairmerrichte opten 22 Octobris, 
op dye c arm is se, dye twe daghen over dye ker misse begynnen 
ende twe daghen dairnae durren sai" l ). 

Elders vinden wij hetzelfde ; daarentegen gaf o. m. de Engelsche 
Koning Willem II ten jare 1088 eene eigen markt, de bekende „the 
St. Gilles Fair", aan de cathedraal en aan het klooster te Winchester, 
welk klooster zeil daarop uitsluitend handel dreef. Tijdens die markt, 
die vooral door vreemde kooplieden druk bezocht werd, moesten alle 
bedrijven stilstaan, en alle winkels en kramen zoo in de stad al zeven 
mijlen in den omtrek tot zelfs te South ampton gesloten blijven, en 
de haven van Winchester werd alsdan streng afgesloten 2 ). 

De stedelijke autoriteiten werden zelfs voor den vollen duur dier 
markt, zijnde 16 dagen, door den Bisschop, nadat deze bezit had 
genomen van de stadspoorten en deze met eigen wachters had bezet, 
op de Fair Court op St. Giles' Hill ontslagen van hun ambt en door 
de daartoe gerechtigden alsdan een eigen Mayor, Bailiff en Coroner 
benoemd en alle twisten en vergrijpen in dien tijd gepleegd, door 
'sBisschop's Hof beslecht en bestraft. Uit de opbrengsten dier markt, 
die in hoofdzaak aan het klooster ten goede kwamen, bekostigde men 
den grootschen herbouw der Cathedraal en dien van het Chapterhouse 
en Cloister aldaar. 

Iets dergelijks als te Winchester had van af ongeveer 1341 
ook te Dordrecht plaats. 

Met de heeren van het bijgelegen kasteel van de Merwede werd 
toen overeengekomen, dat zij, ter schadeloosstelling voor het verlies 
van hun rechtsgebied over dat gedeelte hunner heerlijkheid, dat hun 
onttrokken en bij de stad Dordrecht gevoegd was, jaarlijks gedu- 
rende de achtdaagsche Vrij-markt, de rechtspraak over de geheele 
stad zouden uitoefenen. Op den 5 den Juni van elk jaar, zijnde de dag 
waarop die markt begon, nam dan de baljuw van de Merwede op den 
Rietdijk bij den Rodentoren der stad op plechtige wijze de roede van 
justitie over uit handen van den schout der stad, om hem deze op 



x ) Ontleend aan A. Toe Boecop. 

2 ) Zie Winchester door G. W. Kitchin, Dean of Winchester, in de serie 
„Historie towns", verschenen 1890. 



HET MARKTPLEIN. 173 



even plechtige wijze na afloop dier markt ter zelfde plaatse weder te 
overhandigen. Naar Heer Daniels van de Merwede, met wien deze 
regeling ter bijlegging van langdurige twisten, eindelijk was getroffen, 
werd die markt sedert de Danielsmarkt genoemd. 

Het marktplein. 

De omvang en de beteekenis welke in vele steden haar week- 
doch vooral haar vrij-markten „de Mercata Publica" verkregen, wier 
aantal in verschillende speciaal-markten, in eene vrije paarden-, in 
eene vrije ossen-, in een vrije koorn-, hout- of turfmarkt, enz. nog 
was toegenomen, was oorzaak, dat de ruimte waar die markten werden 
gehouden, dat het marktveld zelf, van lieverlede grootere afmetingen 
vroeg en waar dit mogelijk was ook verkreeg en dat dit een bijzonder 
door nijveren en handeldrijvenden gezochte woonbuurt werd. 

In de stad Groningen, die uit een markedorp ontstaan, 
beschikte over een haar in volle lengte doorloopenden Brink, was die 
Brink de als van zelf aangewezen plaats tot marktveld. In de kasteel- 
steden Delft, Go es, Gorinchem, Gouda, Haarlem, Kuilen- 
burg, Montfoort, Tholen, IJselstein, enz., waar het eigenbe- 
lang van den kasteelheer bij den bloei der markt betrokken was, zien 
wij door dezen reeds vroeg een groot marktveld beschikbaar stellen. 

In het meerendeel der riviersteden echter was, bij dezer ont- 
wikkeling tot dorp en van dit tot stad, daarop bijna in het geheel 
niet gerekend, en de rivieroever zelf aanvankelijk meest tot 
markt benut, van daar dat, in Amsterdam, Bolsward, Edam, 
Enkhuizen, Hoorn, Rotterdam, Utrecht, Zierikzee, enz., 
een veilige lichtplaats voor de schepen, een haven, in hoofdzaak de 
marktruimte verving elders benoodigd. 

Markt en haven beide werden nu in inderdaad alle steden, 
welke zich door handel en bedrijf hadden ontwikkeld en verder ont- 
wikkelden, de centra van het stedelijk leven, en inzonderheid was 
zulks met de markt het geval, zoo zelfs, dat in tal van steden waarin 
de markt het groote middenplein vormt, waarop alle hoofdstraten 
uitloopen, men onwillekeurig tot de gevolgtrekking komt, dat zij door 
en om die markt zijn ontstaan, gegroeid en door deze plaatsen van 
beteekenis zijn geworden. 

In vele onzer jongere steden echter en in enkele dorpen zelfs, 
alsook in de weinige steden die gesticht of na een groote ramp 
geheel of grootendeels herbouwd zijn, is dan ook werkelijk met de 



174 HET MARKTPLEIN. 



behoefte aan eene groote marktruimte rekening gehouden en haar 
geheele aanleg daarop soms berekend. 

In de oudere steden echter, met geen of onvoldoende marktruimte 
zien wij deze gaandeweg vergrooten, doch daarentegen in steden 
wier marktbezoek en omzet terugliep of geheel verliep, weder kleiner 
worden en eindelijk bijna verdwijnen. Van vele onzer steden zou 
men zelfs kunnen zeggen: de geschiedenis der markt is in hoofdzaak 
die der stad. 

Het marktveld in de stad Groningen. 

De oude woonbuurt Groningen op het einde van den Honds- 
rug, op + 7 M. boven Amst. peil veilig voor alle overstroomingen 
gelegen, was aanvankelijk (zie het Historisch plan dier stad, afb. 
N°. 40) door een breeden met eiken overschaduwden Brink in twee 
helften, een noordelijke en een zuidelijke verdeeld. De noordelijke was 
grootendeels ingenomen door het keizerlijk praedium of landgoed en 
ten deele bezet met de hoeven der daarop wonende cijns- of schat- 
plichtigen, langs de zuidelijke helft stonden de stolphoeven der vrije 
landbouwers. Op dien breeden Brink nu kwamen saam en kruisten 
zich de zuid- en noordwaarts, de west- en oostwaarts gaande wegen. 
Zuidwaarts liep over den Hondsrug de „Via Regia", de groote Heer- 
weg over Coevorden naar Munster, noordwaarts over het B e d u m 
het gewest ingaande; westwaarts liep in 't verlengde van den Brink 
een weg over Dockum naar West-Friesland en oostwaarts een weg 
over Emden naar Oost-Friesland. 

Geen wonder dan ook, dat zich ter plaatse waar die vier oude 
wegen, waarop weder andere aansloten, samenkwamen, reeds vroeg- 
tijdig eene markt ontwikkelde en dit te eer, daar op korten afstand 
daarvan de riviertjes, de A en de Hunze, zich vcreenigden en de 
scheepvaart een vrijen weg bij de Lauwers Noordzeewaarts in, aanboden. 

In aansluiting met de A werd reeds vroegtijdig langs de zuidzijde 
van de westelijke Brink-helft eene haven gegraven en aan onderscheiden 
kooplieden nu benoorden deze grond voor een huiserf uitgegeven, waar- 
door dat gedeelte van den Brink belangrijk versmald werd. Bovendien 
was reeds lang vóórdien het oostelijk Brink-uiteinde in gebruik geno- 
men voor de kerk met bijbehoorend kerkhof en priesterwoningen met 
omtuining en school, zoodat slechts het middengedeelte van den ouden 
Brink voor de Vrij-markt was overgebleven, een marktplein echter, nog 
een 140 bij 240 M. of ± 3 l / 2 hectare groot, en in de eerste helft der 




Afb. N°. ioo. De Vismerckt, Brede Merct, Osse Merct enz. uit het | 




ogelvlucht-plan der stad Groningen van A°. 1643, door E. Hanbois. 



HET MARKTPLEIN. 175 



XIII de eeuw met 2 3 / 4 hectaren vergroot, toen de binnenhaven boven- 
genoemd werd gedempt en vervangen door een buitenhaven , zoodat 
de Vischmarkt, sedert het verlengde vormde der Brede Merct. 

Midden op die Brede markt (zie afb. N ü . 100) werd het raadhuis 
gebouwd en rond dat raadhuis plaatsten nu tijdens de Vrij-markt, 
welke elk jaar op Onze Lieve Vrouwenavond (7 Sept.) werd ingeluid, 
en drie volle weken duurde, de kooplieden in lange rijen hun 
kramen of hun schraagtafels, totdat eindelijk enkele hunner ver- 
gunning vroegen om bewesten het raadhuis hun kramen in een winkel- 
huis te mogen veranderen, waartoe hun een stuk marktgrond in 
erfpacht werd afgestaan. Zóó ontstonden nu op en ten koste der 
marktruimte een paar straten de Guldenstraat en de Suupstraat ') 
en werd de Groote Markt van de Vischmarkt gescheiden, en eindelijk 
stond men zelfs toe, dat bezijden tegen het Raad- en Wijnhuis 
aan, koopmanshuizen werden aangebouwd. 

En de eigenaars van de huizen gelegen om de Brede Merct, 
niet zelden de Raadsheeren zelve, wisten hun stoepen, hun 
potkasten en kelderingangen steeds verder ten koste dier markt 
vooruit te schuiven en bij eiken nieuwen bouw de grond door die 
vooruitgeschoven stoep of potkast ingenomen als eigendom te doen 
gelden en den gevel dan zooveel vooruit te plaatsen, met dat gevolg, 
dat de hoofdingang der Sint-Maartenskerk, de monumentale Martini- 
toren, op het einde der XV de eeuw nog ter volle breedte aan de 
Markt zelve gelegen, allengs van die Markt werd afgedrongen en 
geheel verscholen raakte achter die vooruitgebouwde huizen ; en ten 
slotte vond de overheid goed den trotschen doorgang door dien 
toren door een daartegen aangebouwd huis maar voorgoed te 



*) Hetzelfde had ook plaats in Lübeek, alwaar oudtijds het marktplein 
noordwaarts grenzend aan de Maria-Kerk, nu door een dubbel huisblok met 
twee dwarsstraten, de Grosse und kleine Budengasse daarvan gescheiden is, 
terwijl de hoofdstraat voorheen in 't verlengde van de oostzijde dier Markt 
gelegen, sedert door het aldaar gebouwde raadhuis daarvan gescheiden is. 

Te Amersfoort (zie afb. N°. 13) lag waarschijnlijk de St.-Joriskcrk voorheen 
midden op het grootere marktplein, dat zich aanvankelijk uitstrekte tot aan de 
Langestraat en tot aan de binnenhaven 

Tc Nijmegen (zie afb. N". 10) liep de markt oorspronkelijk ten westen 
door tot aan de St.-Stevenskerk en ten oosten tol aan de Grootestraat, toen 
misschien mede de ruimte innemende der latere Kannen- en Koorn markt. 




Afb. N n . 102. De Markt met Raadhuis en Nieuwe Kerk te Delft, uit h< 




ft, uk het groote vogelvluchtplan dier stad van A°. 1675, door J. de Ram. 






OUD-DELFT. 177 



sluiten, en was de Markt zelve door dit alles nu tot de helft harer 
vroegere afmeting teruggebracht. 

lietzelfde wat in Groningen plaats had, eene geleidelijke ver- 
kleining en vervorming der marktruimtc, vond ook in vele andere 
steden plaats, ik noemde reeds Haarlem en Montfoort, terwijl 
niet zelden ook de vergrooting der kerk, want Kerk- en Marktplein 
waren veeltijds één, van grooten invloed was op de vorm en afmeting- 
der Markt. Waar de Vrij-markten , er kwamen van lieverlede te vele, 
in beteekenis afnamen, werd de daarvoor bestemde ruimte niet zelden 
voor andere doeleinden benut en bebouwd, iïnkele steden echter 
hebben haar groote marktruimtc van vroeger nog grootendeels 
behouden, o. a. Delft en Gouda. 

Oud-Delft. 

Delft, met haar opvallend regelmatigen aanleg (zie afb. N". 101), 
behoort tot de Kasteelsteden. Van haar opkomst en groei, de plaats 
komt reeds voor in stukken van het jaar 985, is niets met zekerheid 
bekend; ik vermoed, dat toen Hertog Godfried met den Bult ten jare 
1071 — '72 in of bij Delft zich een kasteel stichtte en de plaats omwalde 
en omgrachtte, zij toen begrensd werd westwaarts als gracht door de 
oude Delft, noordwaarts door de Kolk, oostwaarts door de Verwers- 
dijkgracht en zuidwaarts door de Burgwalsgracht, toen doorloopend 
tot in de oude Delft, aldus eene lengte beslaande van 640 M., bij eene 
gemiddelde diepte van 230 M., dus ter grootte van ± 14 Vi hectare. 

Nagenoeg in het midden der stad, welke echter eerst na zijn 
uitleg de afmeting verkreeg welke zij blijkens afb. N°. 101 omstreeks 
1580 had, ligt het groote marktveld, bij wijze van eiland, besloten 
tusschen vier grachten, en dat, 75 bij 275 M. of ruim 2 hectaren groot, 
misschien wel oorspronkelijk met zijn naaste belending heeft gediend 
tot standplaats van het kasteel van Godfried, van welks bouw, ligging 
en verdwijningstijd tot dusverre al heel weinig bekend is. 

Dat groote veld, dat op afb. N°. 102 veel duidelijker uitkomt, 

was althans Grafelijke grond. Op het oosteinde, met riet omheind, 

was de Justitieplaats en stond de houten galg en het overige gedeelte 

was aan de stad tegen eene kleine betaling als markt afgestaan, 

totdat Philips de Goede in 1436, „overmits veele goede diensten, 

die Ons onse goede Stede van Delft ende die gemeenen poorteren, 

ende inwoonderen onser Stede voorschreven gedaen ende bewijst 

hebben", de stad toestond: „dat marct-velt vrij te hebben, behouden 
i. 23 



178 OUD-DFXFT. — OUD-GOUDA. 



ende gebruycken totter Stede bchouf, als hem nutste ende proffite- 
lickste wesen sal tot eeuwigen daigen, behoudelick dat wij aldaer, ende 
overal, onse vrijheden, tollen ende rechten hebben en behouden sullen." 
Vóórdien, ten jare 1381, was de galg echter reeds verdwenen, 
en de Justitieplaats afgestaan voor den bouw eener tweede Parochie- 
kerk, de Sint-Ursula of Nieuwe kerk, en op het Westeinde, met 
toestemming der Grafelijkheid in de XIV de eeuw reeds een Stede-huys 
gebouwd. Na in het bezit der stad te zijn gekomen, werden nu allengs 
langs drie zijden der markt smalle en ondiepe erven voor koopmann- 
en bedrij fshuizen afgestaan, en verkreeg de markt haar tegen woor- 
digen vorm en afmeting van 56 M. breedte en 176 M. lengte, eene 
afmeting, die veel grooter schijnt dan zij is, niet enkel omdat zij 
ter weerszijden omzet is met betrekkelijk lage en kleine huisjes, maar 
ook wijl de Sint-Ursula met haar rijzigen en eleganten toren haar 
aan de oostzijde niet afsluit maar nog verlengt. Op afb. N". 102, het 
middengedeelte der stad voorstellende, zooals dit was ten jare 1675, 
ziet men de vier grachten welke het groote marct-velt oudtijds geheel 
omsloten, men ziet de Nieuwe kerek met haar door een muur van de 
markt afgescheiden kerkhof, het Stadt-huys met zijn XIII de -eeuwschen 
toren en de daarachter gebouwde Waeg en verdere huizengroep , door 
een smal straatje tegenover de Boterbrug in twee blokken verdeeld. 
Ter weerszijden der Groote Marct ziet men de ondiepe winkelhuizen, 
met hun achtergevels in de zijgrachten staande en, deels aldaar voor- 
heen op het leukste soms uit- of overgebouwd ; een vijftal steenen 
boogbruggen geven over die grachten toegang tot het Marctvelt in 
welks midden in 1595 een van blauwe en witte steenen rond perk werd 
gemaakt, voorstellende een kompas met het stadswapen met het rand- 
schrift: „Elck Wandel in Godts Wegen". 

Oud-Gouda. 

Bij het kasteel ter Gou de, ter plaatse waar de rivier van dien 
naam met eene elleboogvormige kromming in den IJsel uitmondt, had 
zich eene buurt tot dorp, tot stad ontwikkeld, welke door bemiddeling 
van haar Heer in 1272 van den Graaf van Holland stadsrecht had 
gekregen. Die stad, Gouda genaamd, is mede in het bezit eener 
buitengewoon ruime markt, midden in 't oude stadsgedeelte gelegen. 
Waarschijnlijk vormde het tegenwoordig markt- en kerkplein hier 
voorheen óén groot vrij veld, voordat daarop in de laatste helft der 
XIII de eeuw de parochiekerk werd gesticht, deze aan hare noordzijde 



OUD-GOUDA. 



179 




werd ombouwd en zich met het kerkplein van dat veld afscheidde. 
Het driehoekig marktveld, dat daarbij overbleef, werd op 1 Juli 1365 
door de stad gekocht van den Heere van der Goude en met „300 



180 OUD-GOUDA. 



oude Vranckrijcxe Vrancken in gereede penningen betaelt ende met 
noch 40 schellingen Hollant goets gelts 's jaers te betaelen op St. Jan 
te midsomer; des mach men op 't voorsz. Markt-vclt wel timmeren een 
Halle, Raethuys, Wanthuys ende Vleeshuys, alsoo groot als 't die 
stede oirbaer ende nut dunckt te wesen tot der stede behoef. De pi acts 
leggende omtrent de Halle sal onbetimmert blijven." 

Eerst in het jaar 1449 werd nu midden op dat groote plein het 
Raadhuis gebouwd, op welk plein, toen of reeds vroeger met huizen 
ombouwd, de vier hoofdstraten uitkomen, en dat, door de vele kleine 
en lage huisjes waarmede het omzet is, buitengewoon groot en ruim 
schijnt, zie het plan der stad van A° 1585, afb. N°. 103, alstoen waar- 
schijnlijk op stadskosten gemaakt en G. Braun ter opname in zijn 
Atlas toegezonden J ), evenals zulks blijkens de Stadsrekeningen plaats 
had in 1612 ten behoeve van L. Guicciardini's „Beschrijving dei- 
Nederlanden", plannen, beide uitmuntend door hare duidelijke, nauw- 
gezette en volledige voorstelling. 

Arnhem. 

In Arnhem behoorde de Oude of Groote Markt met het daaraan 
grenzend Sint Eusebius-kerkplein, hoogstwaarschijnlijk tot den grond 
van het Hof van Gelder, een kasteel, het latere 's Graven- en Prin- 
cenhof, deels dat plein beslaande en verder begrensd door de Sint- 
Walburgistraat en de Beek, later door den Stadswal, Dat ruim 3 hec- 
taren groote plein werd echter door den bouw der Sint Eusebiuskerk, 
door het daaraan toegevoegd en ommuurd kerkhof en vervolgens door 
den bouw van een raadhuis niet weinig verkleind, tot het in 1840 



l ) A° 1612. Betaelt aan Hendrick Cornsz. Vosch, landmeter, de somma van 
sestyen gld. thyen stuvers, over sijnc moeyten ende vacatien, van dat hij over- 
syen ende gecorrigeert heeft een oude ligurc ofte afbeeldinge van de stadt van 
der Goude (zijnde de afb. der stad van 1585), ende dat hij tot Amsterdam is 
geweest, alwaer bij den plaetsnijder dye het van nyeuws wederom snijden 
soude om gevoucht te worden in de boucken van de Translatie Guicciardini 
mondeling onderwesen heeft gelijck in de requeste daervan broeder sijnde ver- 
haelt wort XVI gl. X st. 

Item A° 1613. Betaelt aan Hugo Leendertsz. franchoyse schoolmeester, ten 
behouve van Reynice Vitcllius tot Amsterdam, de somma van 20 gl. die den 
selven sijn toe gevoucht tot een vereeringhe van dat hij de stadt geschoncken 
heeft een exemplaar Guicciardini bij hem overgeseth int Latyn, daerinne mede 
comende es de beschrijvinge van de stadt van der Goude XX gl. 



HET MARKTPLEIN. 181 



door de afbraak van dat alstoen bouwvallig middclccuwsch raad- 
huis en de aantrekking van het zuidelijk gedeelte van het kerkhof 
zijn tegenwoordige grootte van 85 M. bij 135 M. of van ruim 1 heet. 
verkreeg, eene afmeting voor de wekelij ksche Vrijdagsmarkt echter 
verre van altijd voldoende. 

Amersfoort. 

De stad Amersfoort, heeft zich als woonbuurt waarschijnlijk 
ontwikkeld bij een kasteel gelegen aan de Eem, aan den weg van 
Utrecht naar Deventer, althans de grond welke dat kasteel besloeg, 
vormt nog de kern van het oudste stadsgedeelte, het Hof met de 
St.-Joriskerk (zie het plan van A° 1580, afb. N°. 13). Waarschijnlijk 
vormde dat Hof en de Vijverstraat, de tegenwoordige markt, met het 
kerkplein en de verder gelegen Groente- en Appelemarkt voorheen 
één groot marktplein, door den bouw der kerk en door aanbouw van 
straten in drieën gesplitst, waarvan alleen het Hof nog eenige afmeting 
van beteekenis, 50 M. bij 94 M., heeft behouden en nu tot hoofdmarkt dient. 

Naast de groote groep der kasteelsteden, welke meerendeels, 
dank zij het inzicht en de voorzorg van haar Heer, of dank zij de 
aanwezigheid van een groot plein of hof of van groote boomgaarden 
bij het kasteel, reeds vroegtijdig, zoodra de zich aldaar ontwikkelde 
markt zulks vroeg en de kasteelheer met het buurt- of dorpsbestuur 
daarvan het nut en voordeel inzagen, in het bezit kwamen van ruime 
marktpleinen, is er eene andere groep, waartoe het meerendeel onzer 
riviersteden behoort, welke die gunstige omstandigheden mistte, deels 
ook het nut en het belang om een groot marktplein ter beschikking 
te hebben niet tijdig inzag, en het nu zoolang mogelijk zonder 
marktplein deed. 

Terwijl wij in eerstgenoemde groep de groote marktvelden in vele 
steden allengs weder zagen verkleinen ') en tot andere doeleinden be- 



! ) Victor Hugo geeft daarvan in zijn „Paris a vol d'oiseau", een zeer juist 
beeld, zeggend : 

„Philippe Auguste emprisonnc Paris dans une chaïne circulaire de murs 
et de grosses tours hautcs et solides. 

Pendant plus d'un siècle les maisons se pressent, s'aceumulent et haussent 
leur niveau dans cc bassin comme 1'eau dans un réservoir. 

Elles commencent a devenir profondes; elles mettent étages sur étages; 
elles montent les unes sur les autres; elles jaillissent en hautcur comme toute 



182 



.MAASTRICHT. — OUD-UTRECHT. 



nuttcn of bezetten, trachten de steden der laatstgenoemde groep allengs 
in het bezit eener kleine marktruimte te komen en deze bezittend, te 
vergrooten, of wel zij splitsen de markt en verdeden deze nu over 
de verschillende stadswijken. 

Tot de riviersteden, die voorheen eene markt misten, behoorde 
in de eerste plaats: 

Maastricht. 

Het Campus Liber of Vrijthof, het bijna 2 hectaren groote plein 
midden in het oude stadsgedeelte gelegen, behoorde tot het keizerlijke 
paleis, dat op den zuidwestelijken hoek was gelegen en ten jare 1213 
aan het kapittel van St.-Servaas werd afgestaan. Dat plein toen of 
reeds vroeger ommuurd, had een fontein in zijn midden en diende 
tot Justitieplaats en voor kerkelijke feesten, doch nimmer tot markt. 
Tot Zaterdagsche markt diende, doch eerst in Uiteren tijd (zie het 
Hist. plan afb. N°. 3) het driehoekige plein beoosten en tot Holt- 
markt, het driehoekige plein bewesten de Hal, welke beide pleinen 
eerst bij den bouw van het nieuwe Raadhuis in 1656, na de afbraak 
der oude Hal tot een marktplein, tot de markt die Maastricht 
nog heeft, werden vereend. 

Oud-Utreeht. 

Ook de oude stad Utrecht, gelegen langs het kronkelend beloop 
van den Rijn, die onder den naam van Oude Gracht nog voor een 
klein gedeelte die stad doorloopt, miste een markt. Aan de beide 
oevers der rivier vormde zich bewesten den keizerlijken Burcht en 
v;m 's Bisschops Hof reeds vroegtijdig eene handelsbuurt, een portus, 
die bij den laatsten inval der Noormannen ten jare 1007 door haar 
bewoners zelf in brand werd gestoken, ten einde die roovers niet tot 
verblijf te kunnen dienen. Reeds spoedig daarna herbouwd, nam zij 
in bloei en omvang toe en zij had reeds vier vrije jaarmarkten, toen 
zij zich omstreeks 1125 — 1150 ommuurde en bepoortte, te gelijker tijd, 

sève comprimée, et c'est a qui passera la tête par-dessus ses voisines pouravoir 
un peu de 1'air. 

La rue de plus en plus se creuse et se rétrécit; toute place se eomble 
et dis par alt. 

Et enfin les maisons sautent par-dessus Ie mur et s'éparpillent joueusement 
dans la plaine, sans ordre et tout de travers comme des échappecs." 



OUD-UTRECHT. — OUD-LEIDEN. 183 



zoowel noord- als zuidwaarts langs de rivier, eene groote uitgestrekt- 
heid weidegrond binnen de veste opnemend. 

Midden door de stad werd alstoen, ten behoeve van haar handel 
en in aansluiting met de rivier eene breede gracht gegraven en de 
ligplaats voor haar schepen tot een haven verbreed en die nieuwe 
gracht ten jare 1 14<S zuidwaarts tot in den IJsel en later noordwaarts 
tot in de Vecht doorgetrokken. 

De Rijn toch, Utrechts oude handels- en transportweg, begon 
langzamerhand te verlammen en eindelijk bij Katwijk geheel te 
verzanden, waarom de poorters uit nood een uitweg zochten naar den 
IJsel en naar de Vecht; feitelijk echter verlamde met den Rijn ook 
Utrecht's zeehandel en Utrecht's verderen groei. 

De XII de eeuw was en bleef dan ook de eeuw harer grootste 
ontwikkeling; sedert is zij blijven stilstaan, zoodat, ware zij niet de 
Bisschopsstad geweest en gebleven, en als zoodanig de hoofdstad van 
het Sticht en van het Oversticht, in het bezit van vijf rijke Kapittel- 
kerken, zij wellicht een onbeteekenend landstadje zou zijn geworden. 

In die Xll de eeuw had zij dan ook feitelijk reeds de afmeting, op 
haar plan van 1598 (afb. N". 18) voorgesteld, welke afmeting zij tot 
in de XVIII de eeuw bijna onveranderd behield. 

Met haar rivier verviel ook haar haven ; het terrein daardoor 
ingenomen werd nu daarom grootendeels bebouwd en het overblijvend 
gedeelte, de Neude, dient sedert tot marktplein. In hoeverre rond het 
Catharijn e-Klooster, dat in 1528 op last van Karel V plaats maakte 
voor het kasteel Vredenburg, mede eenige marktruimte was, is bij 
gemis aan betrouwbare plattegronden uit het begin der XVI de eeuw 
niet meer na te gaan. Nadat door de burgers dat dwangkasteel in 
157(S was gesloopt en is verdwenen, dient het daardoor ontstane 
groote Vreeburgplein tot marktplein, evenals de Mariaplaats, het 
pleintje door de slooping der Mariakerk en voorheen ook het Dom- 
plein, door de verdwijning van het langschip der Domkerk ontstaan. 

Oud-Leiden. 

De rivierstad Leiden, zie afb. N°. 104, aan den Rijn gelegen, 
had oudtijds mede geen enkel marktplein ; zij kreeg eerst marktruimte 
bij enkele harer uitleggingen. Zij was trouwens meer bedrijfs-, dan 
wel handelsstad, meer gebaat met tal van binnengrachten, langs welke 
een ieder zijn te verwerken of reeds verwerkte goederen, onmiddellijk 
aan of van huis kon laten vervoeren. Tot markt diende, voor zooveel 






'i-^r 











X, 






AFWEZIGHEID VAN MARKTRUIMTEN IN DE RIVIERSTEDEN. 185 

noodig, haar Bredestraet, inzonderheid het gedeelte bij het Raadhuis, 
terwijl ook haar kerkpleinen voor zooveel deze niet als begraafplaats 
waren ingenomen, daartoe benut werden. Haar rivier- of Rijnoevers 
waren echter haar eigenlijke markt- en opslagplaatsen, evenals trouwens 
in alle riviersteden; daar woonden de handeldrijvenden, deze hadden 
daar hun opslagplaatsen, daar lagen de schepen met de marktwaren, 
deels op eigen dek, deels op de naastgelegen kade ten verkoop uitge- 
stald, inderdaad die rivieroevers vervingen oudtijds in die steden 
bijna overal het Marktplein. 

Oud- Am sterdam. 

Op het duidelijkst blijkt dit mede uit den plattegrond van 
Amsterdam van A°. 1536, zie afb. N°. 21, waarop echter het 
Damrak, zijnde de uitmonding van het riviertje de Amstel in het IT, 
wel wat al te breed is voorgesteld. De eenvoudige visschersbuurt, 
welke zich bij het kasteel aan dien Amstel had gevormd en met 
toestemming van den kasteelheer in het jaar 1240 die rivier ter halve 
breedte had afgedamd en verder met een sluis had gesloten, ontwik- 
kelde zich eerst tegen het laatst dier eeuw en in het begin der volgende 
van lieverlede tot eene handelsplaats. Tot marktplein had zij slechts 
dien dam in de rivier, door vischbanken bezet, met de daarvoor 
gelegene Plaetse, welk marktplein, trots herhaalde vergrooting door 
aankoop van aangelegen huizen, in het begin der XVII de eeuw, van 
af de Vischhal tot aan het oude Stadhuis, nog slechts eene breedte 
had van 24,50 M. bij eene lengte van 45 M. gerekend tot de Waag 
en met deze en met de benoorden daarvan gelegen ruimte van 79 M. 
Bij den uitleg der stad op het einde der XVI de eeuw kreeg zij haar 
Nieuw-Markt bij de Sint-Anthonijspoort, en bij den grooten uitleg in 
de XVII de eeuw haar Wester- en Noorder-, haar Boter- en Veemarkt, 
marktruimten op den plattegrond van 1536 echter nog onbekend; de 
eenigste ruimte, die zij behalve de Plaetse toen had, was de kolk, eene 
vroegere kleine havenruimte, aan den Nieuwe Zijds Voorburgwal. 

Oud- Rotterdam. 

Ook de visschersbuurt, welke vooral na de gedeeltelijke afdam- 
ming van de rivier de Rotte bij haar uitmonding in de Maas, bij de 
kasteelen Wena en Bulgerstein was ontstaan, ontwikkelde zich tot 
eene handelsbuurt, tot eene stad eindelijk, welke in 1340 als Rot- 
terdam stadsrecht verkreeg. Alhier vervulden de oevers dier Rotte 
i. 24 



186 



AFWEZIGHR1D VAN MARKTRUIMTEN IN DE RIVIERSTEDEN. 



feitelijk de taak van marktplein; want tot markt diende hier gedurende 
een paar eeuwen enkel het over een binnengracht geslagen verwulft 
(zie afb. N°. 105), later versierd met het standbeeld van Erasmus, 
welk verwulft eerst, nu drie jaar geleden, na demping dier gracht is 
afgebroken en in een vast marktplein is veranderd. 

Ook Dordrecht, de visschersbuurt bij het kasteel de Merwede, 
alwaar Graaf Dirk III in het jaar 1017 een versterkt tolhuis vestigde, 
welke buurt zich reeds spoedig met 's Graven hulp tot eene stad 




Afb. N". 105. De Markt te Rotterdam (1694). 



ontwikkelde, mist feitelijk een marktplein, want de kleine, over- 
kluisde ruimte vóór het raadhuis gelegen, kan als zoodanig bezwaarlijk 
meetellen. 

Ook de rivierstad Rh en en, zie afb. N ü . 106, verkeert in ditzelfde 
geval, en bezit slechts een klein marktplcintje vóór haar Raadhuis. 

Oud-Kampen. 

Kampen, een bedrijvige handelsstad in de XIII de eeuw, heeft 
mede geen markt, haar koornmarkt toch, het pleintje aan de binnen- 
zijde der Veerpoort gelegen, is slechts 30 M. breed en 45 M. diep en 



AFWEZIGHEID VAN MARk'TRUIMTEN IN DE RIVIERSTEDEN. 



is: 




dus hoogstens een wagenplein. De vele nog aanwezige dwarsstegen 
en -straten, niet minder dan 18 stuks, zie achterstaanden plattegrond 
in vogelvlucht dezer stad van 1598, afb. 107, alle van uit haar Oudc- 
en Nieuwe straat op den IJseloever uitmondend en voorheen aldaar 
door poorten gesloten, zij bewijzen dat die oever voorheen het markt- 
plein verving. 

Hetzelfde is ook het geval in Nijmegen, ook daar toonen de 
vele nog op den Waaloever uitloopende straten voldoende, de vroegere 
beteekenis van dien oever voor haar handelsverkeer en voor haar 
nijveren en handeldrij venden, die alle dicht bij huis een weg oever- 
waarts wenschten of zochten. Ook onze zeesteden, de oude zoowel als 
de jongere, missen marktpleinen, of vergenoegden zich daartoe met 
ecne hoogst bescheidene ruimte. Edam, El burg, Enkhuizen, 
Harlingcn, Heusden, Hoorn, Medemblik, Monnikendam, 
enz., zij alle missen een eigenlijk marktplein. Harderwijk alleen 
heeft een betrekkelijk klein marktplein midden in de stad, en kreeg 
eerst bij haren uitleg in lateren tijd een ruime Ivoorn- en Vischmarkt. 




w 



; o 




Afb. N°. 108. Alkmaar. De Waegh en Kaesmarckt 




i 1675, naar de gravure van Rom. de Hooghe. 



STEDESTICHTINGEN. -- OUD-'S HERTOGENBOSCH. 1<S ( ) 



Hoe eene gracht met daarlangs gelegen kade een marktplein kan 
vervangen, toont de zeer karakteristieke afbeelding N ü . 108, van de 
„Waegh en Kaesmarckt van de stadt Alckmaer in 1675", welke 
kade door aankoop en bijtrekking van verschillende huizen nog bij 
voortduring door de stad wordt vergroot en zoodoende allengs in 
een werkelijk marktplein is veranderd. 



Gestichte en herbouwde steden. 

Bij een derde, zeer kleine stedengroep eindelijk, bij de inderdaad 
gestichte of na eene groote ramp grootendccls herbouwde steden, 
komt niet alleen de markt, maar ook de meestal zeer regelmatige 
aanleg op het duidelijkst uit en spreekt niet zelden het marktplein 
in zijn volle beteekenis, in zijn volle verwachting. 

Oud-'s Hertogenbosch. 

Bepaaldelijk gestichte steden hebben wij, voor zooveel bekend, 
in ons land slechts enkele en daaronder is 's Hertogen b o se h eene 
der voornaamste en meest typische. Zooals op bladz. 34 reeds is 
meegedeeld, had zich om het jachthuis van den Hertog van Brabant 
bij Orthen in 's Hertogen Bosch een gehuchtje gevormd, dat door 
de naijverige bewoners der naburige stad Heusden verbrand, dooi- 
den Hertog met behulp zijner trouwe steden: Antwerpen, Brussel 
en Leuven nu als eene fes te stede herbouwd werd, ten einde 
tevens als voorburcht te kunnen dienen, tegen de Gelderschc invallen. 

Die nieuwe stad bestond feitelijk enkel (zie afb. N". 17) uit 
een groot driehoekig marktplein met huizen omzet, oostwaarts in eene 
korte straat, den Steen wegh uitloopend. Midden op dat marktplein staat 
het Gewandhuys en aan die markt 'sHeerehuis, 's Hertoghs herberghe, 
de kerk en de huizen Rodenburgh, de Morian en het Windje. Zoo klein 
en bescheiden was de eerste aanleg van 's Hertogenbosch; om die 
oude kern, om dat marktplein nu als middelpunt, is door achtereen- 
volgenden uitleg, vooral zuid- en oostwaarts, die stad tot haren tegen- 
woordigen omvang gegroeid. 

Nieuwpoort. 

Niet minder karakteristiek als 's Hertogenbosch in heur aan- 
vang is nog steeds het tegenover Schoonhoven aan de Lek 



190 STEDESTICHTINGEN. — NIEUWPOORT. 

gelegen stadje Nieuwpoort. Het is een stadje met slechts een 800 
inwoners, nog bijna geheel omwald en omgracht en nog grootendeels 
in vorm, aanleg en omvang zooals het was in het midden der XIII dc 
eeuw, na door de Ridders Herbaren van den Berch en Wouter van 
Langerack tot „ene nyeuwe poirte tusschen de Ammers ende Lecke" 
gesticht te zijn. Het beslaat een langwerpige vierhoek van 240 M. 
breedte bij 340 M. lengte, over die volle lengte door eene gracht, die 
tevens tot haven dient en met de Lek in verbinding staat doorsneden, 
welke gracht terzelfder tijd tot hoofdstraat dient en halverwege wordt 
gekruist door de Hoogstraat, die zich, eenerzijds op den weg naar 
Schoonhoven, anderzijds op dien naar Gorkum aansluit. Op het 
kruispunt is die binnengracht tot eene zoodanige breedte overkluisd, 
dat aldaar de noodige ruimte verkregen werd voor een klein markt- 
plein en tevens voor een Raadhuis met bijbehoorende Waag. Behalve 
die gracht ter weerszijden met kastanjeboomen beplant en die Hoog- 
straat, heeft het stadje in lengterichting nog twee onbestrate achter- 
wegen, den Noordooster- en den Zuidoosterachterweg, toegang gevend 
tot de tuinen, de achterhuizen en eene enkele woning. 

Rij herhaling overvallen, ingenomen, geplunderd en verbrand, 
werd het na den grooten brand van 1517 waarbij slechts 6 huizen 
ongedeerd bleven, grootendeels verlaten; in 1524 opnieuw verbrand, 
werd het slechts met moeite ten deele herbouwd, en eerst langzamerhand 
weder bevolkt, en opnieuw een stadje, dat inplaats van het cachet 
eener omveste stede te bewaren zich dit noodeloos heeft ontnomen 
door zijn drie poorten te sloopen en zijn bastions te vergraven. De 
Alblasserwaardpoort had een kitijnsch opschrift, zeggend: „Ter Ver- 
dediging van de Godsdienst en van de Vrijheid des Lands is deze 
stad met wallen en Grachten omringd, Anno 1673", aldus een her- 
levingsmoment in de geschiedenis dezer stad memoreerend. 

Graaf Floris V, opgewekt misschien door hetgeen hij in Frankrijk 
had gezien of in Engeland had gehoord, vatte het plan op om zoowel 
op Walcheren als op Schouwen eene stad te stichten en vroegen 
verkreeg daartoe van Hertog Jan van Brabant op Sin t-Nicol aasavond van 
het jaar 1288 voor die beide steden , voor A r n e m u y den op Walcheren 
en voor Bridorp op Schouwen tolvrijheid door al diens landen. 

Am cm uiden toen gesticht, werd reeds spoedig, dank zij hare 
gunstige ligging, welke toeliet dat zelfs de zwaarst beladene schepen 



STEDESTTC1 1 TINGEN- 



ARNEM UIDEN. 



191 



aan haar hoofd konden laden en lossen, eene belangrijke koopstad, 
handel drijvende vooral op de Oostzee. Doch de zee haar opkomst 
en bestaansfactor tevens, werd langzamerhand haar vijand; bij her- 
haling toch overstroomd, verkleind en voortdurend bedreigd, besloten 
haar bewoners ten jare 1438 de oude stad te verlaten en zich 
eene nieuwe stad te stichten op den dijk naar Middelburg, en 
bouwden deze toen rond een vierkant marktplein met de kerk in 




Afb. N". 109. Gezicht op Arneinuiden. 



het midden, eene stad op 10 Maart 14S1 echter geheel afgebrand en 
daarna herbouwd. 

Die nieuwe stad kwam daarna in botsing met de handelsbe- 
langen der bewoners van Middelburg, die bij de Gewestelijke Staten 
wetten wisten uit te lokken, welke hun groothandel en hoofdnering 
bevoordeelden ten koste van die van Ar n cm uiden en eindelijk wist 
Middelburg geheel beslag te leggen op de verdere ontwikkeling en 
op den handel van Ar nem uiden, haar zelfs niet eens de kruimkens 
van den disch gunnend, zoodat zij, gedoemd tot stilstand, tot achteruit- 
gang, feitelijk weer een dorp werd. 

Zóó ongeveer is in enkele woorden de geschiedenis van Arne- 
m uiden, de geschiedenis trouwens van zoo menig andere onzer 
kleine steden, die door eene naburige, naijvcrige grootere zusterstad 
in de Middeleeuwen is verlamd en vernietigd, of wel, zooals die van 
Heusden deden met het opkomende 's Her togenbosch kortweg 
werd verbrand en vernield. 

En toch waren het alle in-brave Christenen destijds, vol goede 
werken, zoolang het geloof maar niet al te veel in strijd kwam met 
hun materieele belangen. Die belangen gingen bijna altijd voor, 



192 STEDESTICHTINGEN. — BROUWERSHAVEN. — LES VILLES-NEUVES. 



het aan de kerk overlatend, om het leed daardoor veroorzaakt te 
balsemen en voor de zonden daardoor begaan, vergiffenis te bewerken. 
In de uitgave van Guicciardyn van A°. 1609, is Arnemuiden 
nog in volle fleur als zee- en koopstad afgebeeld, omwald en omgracht, 
voorzien van haar beide land- en haar beide waterpoorten en met 
de kanonnen op haar bastions een voorbijgaand oorlogsschip het 
saluut brengend. 

Brouwershaven of Bridorp. 

Voor Bridorp was aan Floris V in het begin van het jaar 1285 
octrooi gevraagd tot het maken van een haven, een aanvraag die 
hem op het denkbeeld bracht daar eene stad te stichten, waartoe hij 
den 16 den Maart van dat jaar van Jan van Renesse aldaar 100 gemeten 
(41 Va heet.) ambachtsgrond verzocht en verkreeg. Tot eene bepaalde 
stedestichting en tot den bouw eener omveste stad is het echter, 
misschien wel door den ontijdigen dood van Floris V, niet gekomen; 
wel wist Bridorp zich, dank zij den steun van de Graven van 
Holland, en zijn haven snel te ontwikkelen en door de brouwers bij 
voorkeur voor hun bier-in- en -uitvoer benut, kreeg het dra (reeds 
in 1321) den naam van Brouwershaven, die het tot nu toe heeft 
behouden. Een groot marktplein, waarop de haven uitmondt, vormt 
de kern der plaats en aan dat plein staan de kerk en het raadhuis 
en rond dit plein woonden de nij veren, de handcldrijvenden en zaken- 
doenden; doch haar brouwerijen en haar handel, zij verplaatsten zich 
en de stad der toekomst, die zij misschien gedroomd of gehoopt had 
te zullen worden, is nu een klein visschersplaatsje, zich beroemend de 
geboorteplaats te zijn van Jacob Cats, die aldaar den 10 den November 
1577 het eerste levenslicht mocht aanschouwen. 

Les Villes-Neuves in Frankrijk. 

Wat Floris V waarschijnlijk in Frankrijk had gezien, althans 
had kunnen zien, waren enkele der meer dan 50 kleine steden, der 
„Villes Neuves" of „Villes Franches", tegen en in de tweede helft 
zijner eeuw, de XIII de , voornamelijk in Guienne en in Languedoc, 
gesticht x ). Een twintigtal dezer, hetzij aan eene bevaarbare rivier, 



] ) Didron zcn;l in zijne Annales, dl. VI, p. 85: „En Guienne, les Bastides 
régulières fourmillent; ils appartiennent au grand siècle du moyen age, au 
XIII le siècle." 



STEDESTICHTINGEN. 



LES VILLES-NEUYES. 



193 



hetzij aan een grooten verkeersweg gelegen Bastides werden door de 
Engelschen in het alstoen door hen in Frankrijk bezette gebied gesticht. 
Zij waren alle volgens een vooraf vastgesteld plan ontworpen en meest 
quadratisch aangelegd met twee elkaar in het midden op een groot 
vierkant marktplein rechthoekig kruisende hoofdstraten, straten bij de 
vier poorten eindigend en het marktplein meestal door ecne galerij 
omsloten, zooals in Montauban, in Saint-Foi, enz. Op of aan het 
marktplein stonden de Kerk en het Raadhuis, de Hal, de School en 
de Gildehuizen. 

Onderstaande plattegrond , afb. N°. 110, van de stad Montpazier, 
ten jare 1284 door koning Hendrik III gesticht, toont duidelijker dan 
eenige beschrijving den eenvoudigen en hoogst regelmatigen aanleg dier 
kleine alle in de tweede helft der XIII de eeuw gestichte steden. Zij 
beslaat een rechthoekig grondvlak, groot 220 bij 400 AL, geheel om- 
muurd, met het marktplein in het midden, met eene overdekte straat 



MONTPAZIER(üORDOGNe) GESTICHTE ,3284 dooh HENKI lil. 



man' Mini] :nm "UQinun. imim 

ffiïüfi llllimil lilll OLMHI-Il KÜPT 

" mi iiiis] mm ft rum mmmii ihiuud 

mmm bh m mm mmsm mem 

" rffliiiiij iiiiÉiör ' jf, as.ii iniin MM 

mmmnm ra nmmsmssm 

mum iiiniiii- ! ,i '• il hij muil 



A. MARRT. 

B. HAL 

C. PUT 



D. GALERIJ. 

E. KERK 

F. KAPITTEL HUIS. 



Afb. N". no. Plattegrond van de stad Montpazier. 



of omgaande galerij omgeven, en op die markt is de Hal en de 
groote put. 

Eene der grootste dier „Villes Neuves" was Libourne, gelegen 
aan de samenvloeiing van de Dordogne en de Isle, eene stad van 
10,000 inwoners, een oppervlak beslaande van 32 hectaren, met een 
marktplein groot 5700 M 2 . en met eene sterke ommuring, eene om- 
grachting en bepoorting. 



194 STEDESTICHTINGEN. LES VILLES-NEUVES. — NAARDEN. 

Niet enkel door den Franschen koning- zelf, maar ook rijke edelen 
stichtten met 's konings toestemming, op eigen kosten deze steden, 
die daartoe op een gunstig terrein werden aangelegd, ommuurd en 
voorzien met de noodige openbare gebouwen, eene kerk, eene school, 
een raadhuis en een hal, terwijl bewoners werden gelokt, hetzij 
door hen kosteloos een erf en Hink huis af te staan of bouwmaterialen 
daarvoor ter beschikking te stellen, en hun tevens voor geruimen tijd 
vrijdom van lasten, en voor zooveel zij kooplieden of nijveren waren 
bovendien nog bijzondere voorrechten, vrijdom van tollen, als anderszins 
te verzekeren. 

En ook later, nog in de XYH de eeuw zelfs, zien wij op gelijke 
wijze in Frankrijk verschillende steden ontstaan. Zoo stichtte o. m. 
Charles, hertog van Ne vers in 1 606 de stad Charleville, zoo 
stichtte minister Sullv, de door hem naar koning Hendrik IV genoemde 
stad Henrichemon t, zoo stichtte kardinaal Richelieu in Poitou, bij 
zijn kasteel, de stad Richelieu, naar het ontwerp van den architect 
Le Merci er. 

LodewijkNIV stichtte de steden Neuf-Brisac, Rochcfort 
en Versailles, van welke laatste stad de avenuen en straten alle 
straalvormig zijn gericht op de Place d'Armes, het groote plein, 
gelegen midden voor den hoofdingang van 's konings paleis. 

Doch hoezeer in Frankrijk en elders tal van nieuwe steden in 
verloop van tijd gesticht zijn, te onzent had zulks slechts bij hooge 
uitzondering plaats; tot die uitzonderingen behooren behalve de 
reeds genoemde, de steden: Naarden, F 1 burg, Kortgene, en 
Willemstad. 

Naarden. 

Nadat de aan de Zuiderzee gelegene stad Naarden den 15 den 
Mei 1350 door de Hoekschen was overvallen, genomen, uitgeplunderd 
en verwoest, gaf Graaf Willem V reeds op den 17 den Mei d.a.v. aan de 
tot hem om hulp gevluchte bewoners der „om onsentwille van onsen 
vrinden sweerlijck verdorfte Stadt", het privilegie, om op 1000 schre- 
den van het strand der zee en op 4 stadiën van de verwoeste stad, 
op een aldaar eenigszins oploopend stuk grond, zich eene Nieuwe 
Stede te maken, die te betimmeren en te bezitten en om tevens „eene 
Veste te maecke orame Stede", alle omwonenden gelastend hen daarbij 
te komen helpen. Tevens werd hun toegestaan om eene haven te 
maken van uit de Zuiderzee tot in en door hunne stad, terwijl door 



STEDESTICHTINGEN. — NAARDEN. - ELBURG. 195 



het vcrlccncn van bijzondere voorrechten en gunstige bepalingen velen 
werden verlokt zich in Nieuw-Na er den te vestigen en zich daarin 
als poorter te doen aannemen. Zóó ontstond Nieuw-Naarden. 

Volgens een regelmatig plan aangelegd, beslaat zij binnen hare 
omgrachting een onregelmatig ovaal van + 300 M. breedte bij 560 M. 
lengte, dat in allen deele eer te klein als te breed is opgevat. Eene 
middenstraat haar over de volle lengte en eene middenstraat haar 
over de volle breedte doorloopend en elkaar in het centrum der stad 
kruisend, verdeelen haar in vier gelijke deelen ; in het midden- of 
kruispunt lag vermoed ik in den aanvang een groot markt- en kerk- 
plein, een kerkplein ter wille der oriëntatie der Groote kerk later 
echter bedorven en ombouwd, welk marktplein eerst groot 65 bij 
115 M., later mede nog met twee huizenblokken bezet, waardoor het 
karakteristieke ruime middenplein dier stad, een plein waarop hare 
beide hoofdstraten samenkwamen en zich kruisten, geheel zoek is 
geraakt. Wat Naarden echter, in onderscheiding met onze overige 
steden heeft behouden, dat is haar karakter als vestingstad. Feitelijk 
is zij nog de eenigste stad van dien aard, althans de eenigste, welke 
dat karakter nog zóó in allen deele, nog zóó goed, nog zóó beslist bezit. 

Elburg. 

Naar de tijdsorde harer stichting volgt nu Elburg. 

Het eigenaardigst is die stichting beschreven in de Kronyk van 
Arent toe Boecop (geschreven omstreeks het midden der XVII de 
eeuw) welke kroniek ik daarom woordelijk zal laten volgen. 

Die kroniek zegt op het jaar 1365: 

„Arent toe Boecop, richter van Villuwen ende ghencraell rent- 
mester des fforsten heeren Wyllims hertigh van Ghelrc ende grave 
van Sutphen (sedert A°. 1363) was seer groet bij hertich Wyllim, 
ende dye was seer gherenne tot Elburrich, waer Arent oik woen- 
achtich was; dye stadt van der Elburrich was op dat pas noch 
onghemuert und lach daer nu noch dye olde stadt licht, dan hadde 
stadrecht, soe helft hem hertich Wyllim van Gelre bevollen, dat hij 
dye stadt van der Elburrich solde bemurren und anders ord in- 
neren; soe lachter Elburrich daer nu dye stadt noch ys, dye 
strate daer nu dat hijllighe Ghist (Heilige Geesthuis) in lacht. 

Soe helft hij een stucke landes van sijn erven, dye hij in dat 
Oldebroek hadde ligghen, uyt laten sticken, soe groet als hem dochte 



196 STEDESTICHTINGEN. — ELBURG. 

dat dye stadt nae proportie van dye hijllighe ghistes strate solde 
wessen, und helft dye voers. stadt recht viercant gheordineert, und 
dye straten daer in doer laten sticken ende eyn beke daer recht 
myddeldurrich dye stadt kant in dye zee gheleydet, und hefft dye 
grafifte daeromme laten graven ende bemurren, und hefft daer een 
goedt eedelmans woeninghe daerin, hoghe myt tinnen, op dye olt 
ffransche wijsse, bij dye Kerrichke, myt trappen, onder myt kelderen 
laten tymmeren, und ys in dye strate bij dye kerrichke, ende daerbij 
noch een huys, dat hij tot dye cokenne van dat sellive hus ordenirde 
ende daerover tymmerde hij noch 3 huyssen tot stallynghe voer dye 
forste myt alle sijn gansse hoffgesyn, myt sijn perden mach logeren, 
und dyt alle op costen van den vorst van Gelre soe hij sijn gheneraell 
rentemester was." 

„Soe hefft het sych begheven, dat hertich Wyllim van Gelre is 
ghecoemen bynnen dye stadt van der Elburrich (als Arent van toe 
Boecop dye huvsen bije nast hadde volletymmert) bij den richter van 
Veiluwen ende sijnnen rentmester ende ontffanghet hem myt aller 
eeren. Syttende over taffelen goedt syer makende, vraget hi: „Boecop, 
dat ghi hyer dess tymmeren, doe ghi dat op uwen eyghen budel off 
van onsen domminen?" waer op hij antworde: „ghenigher herre ende 
fforst, ick doe dat nyet van dat mijnne, dan van U. ff. gn. ghelt, soe 
ick van U. ff. gn. well vermerket hebben, dat U. iï. gn. hyer toe 
Elburrich gherenne sijnnen ende U. ff gn. dye Stadt heft" laten 
bemurren ende begraven, und hyer allsullicke huvsen nyet en sijnnen, 
daer U. ff. gn. can leegiren; omdat eeyn guedt verblijft' moeghen toe 
hebben, hebbe ick het sellive U.E. ter eeren ghetymmert, verhoepe 
mij oick nyet U. ff. gn. mij 't sallive in ongheneden sullen affnemmen." 

Waerop dye hertich antworde, nemmende eenen groten sulveren 
cros in dye hant ende sprack: „Boecop, neyn, dan ghij hebbe ons 
daer dankelick angheden ende behaget ons seer well, dat ghi ons 
sullick antwort hebben ghegheven, ick brenge u den cros myt dye 
huyssen ende schenckesse U." 

Unde hefft allsoe dye huyssen tot sijn sterriffdach besetcn ; sijns 
soens soene hefft dye prinssepael huys an dye stadt van Elburrich 
vercofft ende ys hoer stadthuys noch tegen woerdich, dye andere 



STEDESTICHTI \ GEN. 



ELBURG. 



197 




huyssen hebben 
oik van sijn erff- 
genamen vercoft, 
soe sye daer nu 
nyet en woennen, 
ende twee besitten 
sye noch daer- 
van." 

Tot zoover die 
kroniek. 

Uit den platte- 
grond, zie afb. 
N". 111, blijkt haar 
volkomen regelma- 
tigen aanleg en in- 
deeling, een recht- 
hoekig terrein be- 
slaande van 250 M. 
breedte bij 415 M. 
lengte, doorsneden 
in het midden door 
twee elkaar krui- 
sende hoofdstra- 
ten, zijnde de 
Beekstraat met de 
Beek of binnen- 
gracht, eindigende 
bij de Gemeente- of 
Meedepoort oost- 
en bij de Ghoor- 

poort westwaarts en de Vischpoort of Jufferstraat, eindigende noord- 
waarts bij de Zee- of Vischpoort en zuidwaarts bij de eerst van 
lateren tijd dagteekenende Kleine poort of Graaf Hendriks-Toren. 

Tot marktplein dient het daartoe overkluisd gedeelte der Beek op 
het kruispunt der beide hoofdstraten. In het noordoostelijk gedeelte 
der stad staat het huis van den Hertog, Arent toe Boecop's burcht, 
dat nu tot stadhuis dient en daarneven in den noordelijken ommu- 
ringshoek de Sint-Nicolaaskerk. In den zuidoostelijken ommuringshoek 



l> S^Cti. wtÊZ %&*?£*-■ 

Il Mn*. t><HAJtt~ 



Afb. N u . ui. Plattegrond van El burg, vóór hare ontmuring. 



198 STEDESTICHTINGEN. — KORTGENE. — MIDDELBURG. 



bevond zich het St.-Agnietenklooster en in den zuidwestelijken hoek 
het Heilige Geest Gasthuis. Een muur met ongedekte half ronde 
torens, en met overdekte zware hoektorens, in de jaren 1365 — 74 
gebouwd, omsloot de stad, die met hare omgrachting een oppervlak 
van 20 hectaren beslaat, en buiten die omgrachting eene kleine haven, 
eene veilige ligplaats voor hare visschersvloot had. Trots haar hoogst 
bescheiden afmeting vormt zij een volledig stadsgeheel, en is zij een 
eigenaardig en regelmatig type eener niet bij toeval, niet in verloop 
van tijd geleidelijk ontstane, maar volgens een bepaald plan in de 
XIV de eeuw aangelegde en bepaaldelijk gestichte Geldersche stad. 

Kortgene. 

De stad Kortgene werd op den zuidkant van Noord-Beveland 
door Filips van Borsselen, de rentmeester van Zeeland bewester en 
beooster Schelde, in de jaren 1410— '13 met goedvinden van Graaf 
Willem VI gesticht, bemuurd, bepoort en omgracht; van haar 
vorm en afmeting is helaas niets zekers meer bekend, geteisterd en 
zwaar gehavend door den zeevloed van 5 November 1530, verdween 
zij bij dien van 2 November 1532. 

Smallegange geeft wel is waar in zijn „Kroniek van Zeeland" 
een prospect of buitenaanzicht dezer door de zee verzwolgen stad, 
maar hij verzwijgt de bron waaraan hij zoowel deze als andere zijner 
afbeeldingen ontleende, wier waarde daardoor wel eenigszins twijfel- 
achtig is geworden. 

Middelburg in Vlaanderen. 

Op vrij korten afstand bezuidwesten Aer denburg werd in die- 
zelfde eeuw. door den Hof- en Finantiemeester van Philips den Goeden, 
door den edelman Pieter Bladelin van Brugge, in de jaren 1452 — '58 
bij zijn kasteel eene stad gesticht, waartoe hij aldaar, in de parochie 
van Heyle, aankocht eene groote hoeve met land van de Cistercienser 
abdij uit Middelburg op Walcheren. Ter herinnering aan die abdij 
gaf hij zijne stad, gelegen aan het Lapscheursche Gat, mede den 
naam van M i d d e 1 b u r g. 

Het schijnt, dat herhaalde overstroomingen, vooral die van 
1(> Juli 14;» en van 22 Januari 1440, waaraan de bewoners dier 
streek blootstonden, hem er toe brachten, om een schuilplaetse, 
eene versekerde woonplaetse voor die vele ongelukkigen te stichten. 



STEDESTICHTINGEN. — MIDDELBURG TX VLAANDEREN. 199 



Eerst in het jaar 1464 werd het hem vergund haar met muren en 
poorten te omsluiten '). 

In het midden der kleine stad ligt het rechthoekig marktplein 
met aangrenzend Schuttershof en het groote kerkplein, waarop Bla- 
delin, met goedvinden der geestelijkheid ter vervanging van de 
Parochiekerk van Heyle, de Sint-Pieterskerk liet bouwen, welke hij 
daarna met een kapittel verrijkte. 

In al hetgeen de nieuwe stad tot haar opkomst en bloei noodig 
had, werd door haar stichter afdoende voorzien. 

Op zijn verzoek gaf de Hertog haar eene foire of vrijmarkt van 
6 dagen, „dacr alle slach van koopwaren mogten gebragt worden, 
en de koopliên het voordeel hadden twee dagen te vooren te mogen 
aenkomen en twee dagen later te mogen vertrekken, voor het uit en 
inpakken hunner goederen ; geen handelaers mogten op die foire 
aengevat worden voor schulden, ten ware gemaekt ten nadeele van 
den Hertog of van den Koning van Vrankrijk." Hij liet het Middel- 
burgsen vaerdeke graven naar de Lieve en opende daardoor voor 
de stad een handelsweg naar Brugge en Sluis. Behalve de kerk 
met priesterwoningen en school, liet Bladelin op eigen kosten een 
stadhuis, een Heilige Geesthuis en een klooster bouwen en begiftigde 
deze voor zooveel noodig. Zelf bewoonde hij, voor zooveel zijn drukke 
staatszaken hem zulks veroorloofden het prachtige kasteel, dat bezuid- 
westen van de stad gelegen, tegen hare omgrachting aansloot, een 
kasteel door hem in het jaar 144.S met toestemming der stad Brugge 
gebouwd, en dat, hoezeer in 1720 in een ruïne veranderd, toch in 
beeld bewaard is gebleven door het schilderstuk daarvan in 1458 
door Rogier va n d e r W e ij d e n gemaakt. 

En toen op 25 Augustus 1466 de stad Dinant door Karel den 
Stouten na een korte belegering was ingenomen en te vuer en te 
sweerde bijna geheel was verwoest, verzocht en verkreeg Bladelin 
vergunning om haar ongelukkige inwoners een schuilplaats te mogen 
verleenen en zoo werd zijne stad nu de stapelplaats van alle groote 
koperwerken, het verblijf van ketelboeters, het bedrijf door die vluch- 



L) De geschiedenis dezer kleine stad, die tot aan liet jaar 1790 nog bijna al 
hare middeleeuwsche instellingen had behouden, is in 1S67 uitvoerig beschreven 
en door afbeeldingen toegedicht door Karel Verschelde. Zij wordt, hoezeer 
iets buiten Nederlandsch grondgebied gelegen, hier vermeld, omdat zij eene der 
weinige gestichte steden is, waarvan al het wel en wee bekend is. 



200 STEDESTICHTINGEN. WILLEMSTAD. 



telingen aldaar overgebracht en eene strate dier stad werd sedert 
naar hen de Dinantstrate genoemd. In den strijd met Maximiliacn op 
19 — 25 September 1488 door die van Brugge belegerd en ingenomen, 
werd het met zooveel zorg gestichte en gebouwde stadje uitgeplunderd 
en in brand gestoken en zijn vestingen geslecht, doch hoezeer her- 
bouwd en van dien ramp grootendeels hersteld, is zij in den daarop 
volgenden geuzentijd geheel ten ondergegaan, alstoen den 17 den October 
1583 opnieuw verbrand en sedert een open dorp geworden. 

Willemstad. 

Na de bedijking van den Ruigenhil in 1564 vatte Prins Willem I 
het plan op aldaar tot bescherming van het Hollandsche Diep eene 
vesting aan te leggen en zóó ontstond in het jaar 1583 de vesting- 
stad, door dien Prins grootendeels op eigen kosten gesticht en naar 
hem Willemstad genoemd. 

Door een vesting-ingenieur ontworpen en onder diens toezicht 
aangelegd, kreeg zij den vorm van een regelmatigen zevenhoek 
(zie afb. N°. 112), breed 424 M., gemeten op den binnenvoet harer 
omgrachting, met 7 scherp uitspringende bastions op de hoeken, 
bastions naar de zeven Provinciën benoemd. Door een breeden 
dijk van het Hollandsche Diep gescheiden, stond hare gemiddeld 
30 M. breede, diepe gracht door een arm van een aanleghoofd voor- 
zien met dat Diep in verband, een arm binnen de Waterpoort uit- 
mondend (zie afb. N°. 79) in eene Haven met werf van 100 M. lengte 
bij 40 M. breedte. 

Bezijden die Haven ligt het Raadhuis en het Markt- tevens Parade- 
plein, en in de lengte-as der stad komt op dat marktplein uit haar 
hoofdstraat, de 24 M. breede met boomen bezette Voorstraat van 200 M. 
lengte, bij het Kerkplein eindigend in de precies in de breedte-as 
gelegen 12 M. breede Landpoortstraat. In het verlengde der Voor- 
straat ligt langs die Landpoortstraat het groote, in 't vierkant 
omgrachte kerkplein van 80 M. zijde, met de daarop in 1581 — 1604 
gebouwde hoogst karakteristieke Protestantsche Kerk, de eerste 
Protestantsche kerk in ons land ontworpen en gesticht, een kerkplein 
door straten omsloten en waarnaast Prins Maurits zich in 1623 een 
eenvoudig jachtverblijf liet bouwen. 

Evenwijdig met de Voorstraat loopen twee straten, de Achter- 
en de Groenstraat mede op de groote dwars- of Landpoortstraat 
uit; de Kazernen, het Arsenaal, de Infirmerie, de beide Kruithuizen, 



STEDESTICHTINGEN . 



WILLEMSTAD. 



201 




r' as i O c u u vi i — v* - y ',/■ 



de Kogelgloeiovens, het Geschut- en Kogelpark, de Afsluitloodsen , 
de Inundatiesluis en Molen, die alle op het doelmatigst gelegen, 



202 STEDESTIC1ITTNGEN. — WILLEMSTAD. 

voldoende aantoonen dat deze stad als vesting werd gesticht, 
hetgeen zij tot heden toe gebleven is. 

Binnen hare omwalling een oppervlak beslaande van + 20 hectare, 
neemt zij inderdaad onder onze weinige stedestichtingen eene zeer 
karakteristieke plaats in, breed opgevat als zij is en berekend voor een 
(link garnizoen en voor ruimte van aanbouw bij toename van inwoners. 
Doch dit stadje, waarbij in alles was voorzien wat het stedeleven 
op het einde XVI de en in het begin der XVII de eeuw vroeg, en dat 
zelfs zijn galg niet miste, heeft den groei niet mogen krijgen, waarop 
blijkbaar door zijn stichter en bouwmeester gerekend was, het opper- 
vlak toch van het onbebouwd geblevene, van zijn tuinen en open 
erven overtreft nog steeds cenige malen dat van het bebouwde, dat 
zijner huizen; het is dus eene ideaalstad in modern hygienischen zin, 
eene tuinstad op hare wijze. 

Ten jare 1568, na zijne overwinning op Graaf Lodewijk bij 
Jemmingen aan de Eems, liet „Duck d'Alve te Delfsijl ende 
Farm su m een forme van een stadt afmeten, die hij dacr wilde 
bouwen ende Marsburg noemen om de Embders (die zijn 
vijanden een veilig verblijf en hulp verleenden) een bril op do 
neus te setten." De Ingenieurs Chiappin Yitelli ende Pacciotto, 
de Meester van 't Gasteel tot Antwerpen, gaf hij last hier toe 
„ende dcde eene kerckplaats wijen, door den Bisschop jan Knijl. 
Doch door de bede der Groningers ende des Graefs van Megen, 
bleef 't achter, dat men Delfsijl ende Farmsum tot gheen 
Stadt en maeckte, want, het zoude Grocninghen vernedert hebben." 
Aldus Schotanus. 

In 1591 schijnt dit plan echter opnieuw te zijn opgevat, althans: 
„men heft de trommc in Oestfrieslandt laten roeren omme gravers 
ende wercklude voer behoerliken dachhueren ende beloeningen te 
wereke, de er nu rhede over en dusent heeft besoignerende, het wort 
een tamelike groete Stede in ambitie gelijck, de grafte 130 holdt 
voeten wijt ende breedt", aldus is de inhoud van een brief waaruit 
verder blijkt, dat de stad Groningen bij den Stadhouder haar best 
deed om die werkzaamheden en dat plan niet voort te doen zetten ; 
misschien uit dien hoofde, doch wat waarschijnlijk is, vanwege het 
vertrek der Spanjaarden na de inname van Groningen door Prins 
Maurits in 1594, verviel die stedestichting en heeft men zich tot het 
maken eener sterke schans aldaar bepaald. 



ONS STEDEN-KERKHOF. 203 



Ook het voornemen van Napoleon I om aan Den Helder, 
door hem het Gibraltar van het Noorden genoemd, een stad, 
Napoléon-ville", te stichten, is niet tot uitvoering gekomen. 



Ons steden-kerkhof. 

Van bovengenoemde te onzent gestichte steden behooren er niet 
minder dan vier tot de Provincie Zeeland en haar directe omgeving: 
Arnemuiden, Brouw ersh a ven (Bridorp), Kortgenc en Mid- 
delburg; van die vier is Kortgenc totaal verdwenen en zijn de 
drie overigen , Brouwershaven feitelijk ook , weder dorpen geworden. 
Terecht zou men die Provincie met hare omgeving dan ook ons steden- 
kerkhof mogen noemen, behalve Kort gen e toch, verdwenen er mede 
de stedekens: Assenede 1 ), Houcke 8 ), Kats') en Monniken- 
reedc'); door overstroomingen tusschen de jaren 1530 — 1563 werd 
Reimerswaal, een belangrijke stad bcwestcn Bergen- o p-Zoom 
gelegen en door Aclbrecht van Beijeren in 1374 omwald en alwaar 
voor Zeeland de inhuldiging der Graven plaats had, geheel vernield 
en ten slotte aan de zee prijs gegeven, evenals het stadje Schoon- 
veld, en Oud-Oosten de, dat in den vloed van 17 September 1477 
verdronk. En hare overige steden?.... Meerendeels zijn deze weder 
dorpen geworden. 

Aarden burg, dat reeds vóór het jaar 1127 stadsrecht bezat en 
in de XIII dc eeuw eene beteekenisvolle stad was, verloor, door ver- 
zanding van haar zeeboezem, haar bestaansbron en telde in 1502 
slechts 60 inwoners; thans zegt u in die plaats, slechts haar omvang, 
haar leegte, haar marktplein en haar groote monumentale kerk, wat 
zij eertijds geweest is. 

Sint-Anna ter Muiden, welke in 1 24 1 stadsrecht kreeg en 
in de eerste helft der XIV dc eeuw haar bloeitijd had, werd in 1650 



1 ) Assenede of Asnethc gelegen in de Vier- Ambachten in Zeeuwsch- 
Vlaanderen (H Pircnne). 

2 ) Houcke bij Sluis gelegen (H. Pircnne). 

;! ) Kats op Noord-Beveland in 1532 door overstrooming te niet gegaan. 
'i Monnikenreede bij Cadsandria in Zeeuwsen- Vlaanderen (H. Pircnne). 



204 ONS STEDEN-KERKHOF. 



door een grooten brand en in 1653 door de zee vernield, en telt nu 
rond haar zwaren kerktoren nog slechts eene kleine 300 inwoners. 

Axel, dat in 1213 stadsrecht kreeg, en in die eeuw reeds tot 
eene welvarende stad aangroeide, is in den strijd met Maximiliaan 
op 5 Juli 1452 door die van Gent totaal verwoest en die ramp nooit 
weer te boven gekomen. 

Biervliet, dat voor 1183 reeds stadsrecht had, verdween bijna 
geheel in den vloed van November 1577 en telde in 1583 nog slechts 
20 gezinnen. 

De smalstad Domburg in 1223 met stadsrecht geprivilegieerd 
is mede een dorpje geworden, en dankt aan hare in 1834 tot stand 
gekomen inrichting tot zeebadplaats en sedert aan wijlen Dr. Metzger 
weder hare herleving. 

De kasteelstad Sint-Maartensdijk op Tholen, boven reeds 
genoemd, is evenals de stad Oostburg, welke in 1237 haar stads- 
brief kreeg, weder tot den dorpstoestand teruggekeerd, evenals Ijzen- 
dijk e, dat reeds vóór 1330 stadsrecht bezat en evenals Ar nem ui- 
den, wier lijdensgeschiedenis boven is beschreven. 

De stad Westkapellc, ten j are 1233 omwald of ommuurd, die 
voorheen een eigen haven en tal van haringbuizen had, was in 1453 
al opgehouden eene stad te zijn, terwijl de nog bestaande steden: 
Sluis, Tholen en Veere, reeds voorhing haar vroegere beteekenis 
hebben verloren, en, vooral Veere, nog slechts de schaduw zijn van 
heur verleden. 

Ook de steden Goes, Middelburg en Zier ik zee zijn op 
verre na niet meer wat zij waren, en kunnen niet meer wat zij 
deden; in plaats van bedrijvige, ondernemende, zakelijke handels- 
plaatsen, zijn zij in stille bestuurscentra veranderd; met den handel 
verdween hare beteekenis, haar kracht, haar uitzettingsvermogen, zij 
teerden in en werden, zooal niet in omtrek kleiner, dan toch binnen 
heur vroegeren omvang leeger, luchter, stiller en armer. 

Hoe meer ruimte en hoe meer handen handel en verkeer binnen 
die ommuurde steden eertijds vroegen, hoe dichter en hooger heur 
huizen zich opééndrongen , hoe kleiner haar pleinen en hoe smaller 
en drukker haar straten werden, doch waar die handel en dat ver- 



ONS STEDEN-KERKHOF. 205 



keer haar gingen verlaten, daar verdween allengs weder een deel harer 
huizen, daar kwam ruimte, daar veranderden de huiserven van liever- 
lede in tuinen en die tuinen in bleek- en eindelijk in grasvelden, tot- 
dat wat stad was, allengs weer bouw- of weiland werd, en... eindelijk 
het vee weer graasde, waar eertijds eene drukke straat, waar eertijds 
handelskantoren van beteeken is stonden. 

In Zeeland ging dit alles veel sneller dan ergens anders, omdat 
daar de zee een wispelturig vriend en een geducht vijand tevens 
was, een wispelturig vriend, zich soms op het onverwachtst voor 
goed terugtrekkend en de haven of haventoegang waarvan het geheele 
welzijn eener stad afhing, verzandend en dicht leggend; een geducht 
vijand, die elke nalatigheid te zijnen opzichte gepleegd, niet zelden 
met vernietiging strafte; vandaar dat de Scheldestreek, dat Zeeland 
terecht ons Steden-kerkhof mag genoemd worden . 

Grooter dan in 't eigen land, was echter het aantal steden in 
verloop van tijd, hoezeer mecrendeels in de XVII dt ' eeuw, de eeuw 
onzer kolonisatiën, door ons buitenslands gesticht. 

Na den moord ten jare 1299 op Floris V gepleegd, schijnen vele 
der daarbij betrokkenen te zijn gevlucht naar of bij Dantzig en 
ontstonden aldaar de steden Elbing, Holland en Vr edeland, 
welke, althans beide laatstgenoemden, toen door die vluchtelingen 
gesticht zouden zijn. 

In Noord- Amerika stichtten wij tegen het midden der XVII de eeuw 
Nieuw- Amsterdam l ) aan de Manahatans (het tegenwoordige 
New-York) en voorts volgens Mr. H. J. Koenen 2 ) de steden: Amers- 



J ) Nieuw-Amsterdam, (New-York) bestond in 1621 als Hollandsehe neder- 
zetting nou' slechts uit een houten blokhuis met eenige houten woningen op het 
eiland Manhattan, omsloten door de I larlcm-River en de East-River, een blokhuis 
in 1626 door een fort vervangen. In 1644 was de toekomstige stad werkelijk 
reeds in ontwikkeling en vinden wij er behalve een regelmatigen aanleg, een 
groot marktvcld, een Heereweg, een Brughstraat, een Brughsteeg, de Schreijers- 
Hoeck, de Parelsteeg en de Slijcksteegh, een Winkelstraat en een Flooghstraat, 
de Groote Kerk en een Stadsherbergh, welke laatste in 1654 tot Stadhuis werd 
afgestaan, nadat het jaar te voren door de West-Ind. Compagnie het stadsbestuur 
was ingevoerd, vertegenwoordigd door een Schout, twee Burgemeesters en vijf 
Schepenen. Zie de uitvoerige studie van J. 11. Innes: „New-Amsterdam and 
Lts People." 

-) Zie diens werk over „den Nederlandschen handel", verschenen in 1853, blz. 20. 



206 STEDESTICHTINGEN. — BATAVIA. 



foort, B reukeien, 's-Gravezande, Heemstede, Nieuw- 
Utrecht en VI is sin gen. 

Batavia. 

Op Java werd in de jaren 1619 — '57 door ons gesticht en aan- 
gelegd de stad Batavia, en wel als eene Hollandsche grachtstad, 
zie afb. N°. 113, haar grondteekening en aanzicht ten jare 1681 
voorstellende. 

Ter plaatse waar de Groote Rivier in zee loopt, ligt beoosten 
dier rivier aan de Reedc het kasteel of omgracht Generaalshuis , in 
citadelvorm groot + 250 bij 250 M., met een scherp naar voren springende 
bastion op elk der vier hoeken, de bastions: Diamant, Robijn, Saphier 
en Parel. Een lange brug met afsluitpoort verbindt het kasteel met het 
daarvóór gelegen kasteelplein, groot + 130 bij 370 M., en bezuiden van 
dat plein ligt langs de Groote Rivier de eerste of oude stad, een recht- 
hoekig grondvlak beslaande, groot binnen hare buitenste omgrachting 
4<S0 bij 840 M. = 40 hectaren, door ruime, beboomde binnengrachten 
doorsneden en ingedeeld. 

In de as van het kasteel ligt de Princestraet, uitloopend op het 
ruime markt- of stadhuisplein, aan welk plein, tusschen de rivier en 
I leerestraet, tevens de kruisvormige Groote of Hollandsche kerk is 
gelegen. 

De stad aan de noordzijde beschermd door het kasteel, is aan 
hare oost- en zuidzijde voorzien van eene ommuring met bolwerken, 
welke ommuring vóór haar grooten uitleg aan de westzijde, waar- 
schijnlijk ook langs die zijde, langs de rivier doorliep. Zij had oor- 
spronkelijk slechts drie poorten, de vierde, haar Nieuwpoort, dagteekent 
eerst van den aanleg harer door de Groote Rivier bewesten en bezuiden 
omstroomde Zuider- Vóórstad, groot 28 heet. 

Naast de oude of Oost-Stad werd reeds spoedig een Nieuw- of 
West-Stad aangelegd, van gelijke breedte 480 M. bij 1320 M. lengte 
= 62 heet., mede door ruime langs- en dwarsgrachten, alle met boomen 
bezet, ingedeeld en door een dubbele gracht met breeden singel en 
eene ommuring met bolwerken omsloten. 

Blijkens de afbeelding hadden zich vóór 1681 buiten dat toen reeds 
drievoudige groote stadsgeheel, oost-west- en zuidwaarts weder nieuwe 
vóórsteden gevormd, en ziet men buiten deze, langs de Groote Rivier, 
mede enkele groote buitenverblijven en vele tuinen. 

Door haren ruimen regelmatigen aanleg en hare beteckenis, als 




Alb. N n . 113. Batavia met haar Casteel, Reede en 



^Batavia 




óórsteden, in vogelvlucht en aanzicht gezien, A°. 1681. 



STEDESTICHTINGEN. 



207 



hoofdstad van ons Indië, bekleedt zij onder de door ons gestichte 
steden de voornaamste plaats. 

Het vlek Bui ten zorg ontstond bij en om het eenvoudig landhuis 
dat de Gouverneur-Generaal van Imhofï zich aldaar in 1745 liet zetten. 

In Sleeswij k-Holstein vestigden zich in 1619 met toestemming van 
hertog Frederik III onze uitgewekene Remonstranten, wien daartoe 
aan den rechter Eider-oever de noodige groenlanden werden afgestaan, 
alwaar zij nu krachtens het hen daartoe verleend octrooi, Friedrich- 
stadt, cene echt Hollandsche gracht-stad stichtten 1 ), die in 1622 om- 
wald en omgracht, met twee vrije jaarmarkten en eenc weekmarkt 
werd begiftigd, doch uitdrukkelijk verplicht werd, om geloovigen van 
alle belijdenissen als poorters op te nemen. 

In Brazilië stichtte Johan Maurits van Nassau, de wakkere 
Gouverneur der West-Indische Compagnie, Mauritiopolis of 
Mauritsstad, met het Reicef en het herbouwde Olinda nu 
Pernambuco genoemd , alsook Frederikstad, het tegen woord ige 
Paraïba. Beide steden, werden volgens het ontwerp van den bouw- 
meester P ie ter Post, daartoe door Johan Maurits naar Brazilië 
meegenomen, aangelegd en door hem van de noodige openbare 
gebouwen en eene Gouvernementswoning voorzien. 

Aan de Kaap de Goede Hoop stichtten onze kolonisten omstreeks 
1652 Kaapstad'-) en Georgetown en in of voor 1573 de stad 
Paramaribo. Deze steden hadden alle in hun aanvang een echt 
Hollandsen karakter, doch waren niet zoo gelukkig' om, evenals Sin t- 
P etersbur g :! ) en Washington 4 ), beide ook gestichte steden , 
hoofd- en residentiesteden te worden van een groot en zelfstandig rijk. 



l ) De „Dcnkmalpfiege", jg. 1903, N°. 6, bevat een plattegrond en korte 
beschrijving- dezer stad. 

'-} Zie Her bert Raker: „The origin oi' old Cape Architecture in 
A. F. Trotter's: Old Colonial Houses of the Cape of Good II o pc" verschenen 
in A° 1900. 

:; ) Petersburg werd in 1703 door Czaar Peter den Grooten aan de Newa ge- 
sticht en naar hem genoemd. 

4 ) De stad Washington werd door den eersten President der Vereenigde 
Staten van Noord- Amerika, door Washington, in 1792 aan den Potomac gesticht, 
daar de bestaande steden elkaar de eer niet gunden, tot zetel van het Congres 
te dienen; om gelijke reden, schijnt men nu in Australië van plan te zijn tusschen 
Melbourne en Sydney voor dat werelddeel eene hoofdstad te stichten. 



208 STEDESTICHTIN( ; EN . 



Voordeelen der gestichte boven de ontstane steden. 

Bij de stichting, dat is bij volkomen vrijen aanleg eener stad 
was en is men in staat deze geheel naar eisch, geheel in overeen- 
stemming met en overeenkomstig hare behoeften en te verwachten 
toekomst, naar een daartoe vóóraf door een bekwamen deskundige 
rijpelijk overwogen plan, dat met alle locale omstandigheden volop 
rekening houdt, aan te leggen en haar den noodigen vorm, afmetingen, 
indeelingen en voorzieningen te geven, en dit alles op het karakter- 
volst tevens uit te voeren en tot stand te brengen, maar daarvan 
was natuurlijk geen sprake bij de, van eene buurt tot dorp, en 
van dat dorp tot stad geworden steden. 

Bij deze toch stuitte men bij toenemenden bloei op tal van eigen- 
aardigheden uit die herkomst nog overig, op tal van gebreken in 
vorm en aanleg, in indeeling en afmeting, op tal van daardoor niet 
naar eisch te voorziene behoeften. 

Het nut van groote stadsbranden oudtijds. 

Van daar, dat juist in die steden, de Overheid, na groote branden, 
welke vele harer voor de helft of bijna geheel vernietigden, dikwijls 
dat een i ge moment benutte, om die gebreken zooveel doenlijk op te 
heffen door die stad nu naar een nieuw, naar een beter en meer 
doelmatig plan te herbouwen. 

Iets dergelijks bedoelde ook Keizer Nero, toen hij ten jare 64 na 
Christus Oud- Rome in brand liet steken en iets dergelijks had bij 
herhaling, zoowel te onzent als in het buitenland, plaats '). 



*) R. Bergau zegt in zijn: Bau und Kunstdenkmaler der Provinz Branden- 
burg „bei ncueren Stadteanlagen , Sc h wedt, Lychen, Neu-Ruppin, Tem- 
pi in, Rheinsberg, welche alle nach verheerenden Branden notwendig wurden, 
ist stets eine regelmiissige Teilung dem Strassennetze zu Grunde gelegt." 

Dr stad Sc h wedt werd in 1084 door de gemalin van den grooten Keurvorst 
op het regelmatigst met twee elkaar rechthoekig kruisende hoofdstraten aangelegd. 

Neu-Rippin, dat 26 Aug. 1787 voor twee derde verbrandde, is toen door 
koning Frcderik Willem III volgens een nieuw plan met breede straten en 
pleinen herbouwd; Templin in 1753 verbrand, werd op last des Konings geheel 
nieuw aangelegd en Rheinsberg na den brand 1740 volgens een ontwerp van 
Knobelsdorlï en Fcldtner nieuw gebouwd. 

Londen, dat bij zijn grooten brand in 1066, zoo men zegt een 30,000 huizen 
verloor, heeft nog altijd spijt, toen het grootsch opgevatte herbouwingsontwerp 
van den architect Christopher Wren terzij gelegd en niet gevolgd te hebben. 



GROOTE STEDEHRANDEN. — OUD- GRONINGEN. 209 



Groote branden toch, die bij ongeluk geheele stadswijken ver- 
teerden, stedebelegeringen die met de inname en eene bijna algeheele 
vernieling eener stad soms eindigden, zij waren inderdaad in de XIII de , 
XïV de , en XV de eeuw ook nog te onzent niet zelden. 

Behalve de ommuring met haar torens en poorten, behalve de 
kerk en het stedehuis toch, was aanvankelijk binnen die steden bijna 
alles van hout gebouwd en met riet of stroo gedekt; juist vanwege 
die herhaalde groote branden, is allengs dan ook die houtbouw door 
den steenbouw vervangen. De oorkonden, stederekeningen en raads- 
resolutiën, zeggen echter van een dergelijken, na een groote ramp 
tot stand gekomen nieuwen aanleg, slechts bij hooge uitzondering 
iets; de kronieken vermelden wel, en zulks dikwijls niet zonder over- 
drijving, den omvang van den brand, maar over het verdere zwijgen 
zij ; slechts als men zóó gelukkig is betrouwbare plattegronden te bezitten 
van vóór en na den brand, is men in staat tot vergelijking, in staat 
om de aangebrachte verbeteringen te ontdekken en te b e w ij z e n ook. 

Die bewijsstukken ontbreken echter voor de geheele middel- 
ecu wsche periode, voor dat tijdvak moet men zich tevredenstellen, 
't zij met de toevallige vondst van fundeeringsresten , wijzend op een 
voorheen geheel ander straatbeloop, op eene voorheen andere indeeling, 
't zij met een in andere richting loopend, dieper gelegen straatplaveisel ; 
doch dit laatste is zelden, omdat onze oudste straten nog geen pla- 
veisel hadden. 

Tot de steden, die reeds vroegtijdig, na een grootcn brand, hare 
indeeling en aanleg wijzigden, behoort in de allereerste plaats 
Groningen. 

Oud-Croningen. 

Bij een twist over het bezit der Prefectuur tusschen Egbert van 
Groenenbergen, den Prefect dier stad en Rudolph, Kastelevn van 
Coevorden, die gesteund door een aanhang binnen de stad, 
beweerde dat hem rechtens het Prefect- of Burggraafschap toekwam, 
werd den 21 sten April 1227 de stad door Egbert bestormd, ingenomen 
en verbrand, „blijvende toen slechts eenige weinige huizen maar 
ongeschonden." Hoedanig zij benoorden en bezuiden van haar Brink 
of marktveld vóór dien ramp was ingedeeld, is onbekend, doch van 
haar toenmaligen herbouw, dagteekent de hoogst doelmatige aanleg, 
inzonderheid harer zuidelijke helft (zie het historisch plan, afb. N°. 40). 

i. 27 



210 STEDEBRANDEN. — OUD-GRONIXC.EX. - - BERGEN-OP-ZOOM. 



De noordelijke helft mist de opvallend regelmatige indeeling der 
over- of zuidzijde, verdeeld als deze is in rechthoekige huisblokken van 
bijna gelijke breedte, zijnde 65 M. ; zoodat voor al de daarin gelegen 
huiserven eene gelijke diepte van 32.50 M. of 110 Groninger voet 
beschikbaar was. De voor den toenmaligen tijd ruime straten, onderling 
alle evenwijdig, loopen uit op den Brink bij eene breedte van 12 M., 
voor die welke op de Brede-merct, en van 9 M., voor die welke op 
de Vis-merct uitmonden. 

In de noordelijke stadshelft, wier straten, gelegen in het verlengde 
van die der overzijde, eveneens rechthoekig, op die beide markten 
uitloopen, hebben de huisblokken de dubbele breedte of diepte, 
zoodat de veronderstelling voor de hand ligt, dat de brand, door de 
markt en haven gestuit, zich in hoofdzaak bepaald heeft tot de zuide- 
lijke stadshelft, of wel, dat de in de noordelijke helft gelegen hoeven 
en groote erven van het aan het Utrechtsch Domkapittel toebehoorend 
gewezen keizerlijk praedium, een aanleg als die der zuidzijde, in 
kleinere blokken, in meer straten, niet toeliet. 

Hoe het zij, Groningen is onder onze oudste steden vrijwel 
eenig door haar ruimen, eenvoudigen en doelmatigen aanleg, een 
aanleg echter niet bij toeval, niet van zelf tot stand gekomen, maar 
die wijst op een moment, waarop de Overheid de reeds bestaande 
stad aldus volgens een daartoe opzettelijk ontworpen en vastgesteld plan, 
heeft doen aanleggen en dat moment kan in de geschiedenis dezer 
stad, geen ander zijn dan na haar brand in April 1227. Bij een nieuwen 
hevigen twist toch, die ten jare 1251 ontvlamde, bestonden de stinsen, 
de steen-husen reeds, door haar kooplieden, op de hoeken der op 
de markten uitkomende straten en deze aldaar vernauwend, juist 
vanwege dien brand van 1227 in steen aldaar gebouwd. 

Bergen-op-Zoom. — Oldenzaal. 

Bergen-op-Zoom, in 1397 geheel door een brand vernield, 
welke slechts twee huizen, den Draak en den Olifant spaarde, is gelijk- 
tijdig met haren herbouw toen westwaarts uitgelegd tot aan de Haven, 
waardoor haar centraal aanleg, haar vroeger ronde vorm, veran- 
derde in een langwerpigen. 

Op Sint-Lebuinusdag van het jaar 1492 verbrandde de stad 
Oldenzaal gants ende geheel, behalve haar steenen Sint-Plechelmus- 
kerk en een steenhuis; bij den herbouw kreeg zij toen haar zóó rcgel- 
matigen centraalvorm (zie afb. N°. 15); heel vlug schijnt die herbouw 



STEDEBRANDEN. — OUD-STEENWIJK. — OUD-DELFT. -- ROERMOND. 211 

echter niet plaats gehad te hebben, want volgens E. Geerdink 1 ) 
waren er in 1562 nog puinhoopen en verbrande huizen van overig ; 
bij den aanleg van nieuwe huizen en bij het graven van putten vindt 
men er nog voortdurend overblijfselen van dien brand, overblijfselen, 
die tevens wijzen op eene voorheen geheel andere indeeling dier stad. 

Oud-Steenwijk. 

De stad Steenwijk op 20 September 1523 bij verraad door de 
Gelderschen ingenomen en geplunderd, verbrandde toen met uitzon- 
dering harer Sint-Clemcnskerk en van een zes- of zevental huizen. 
Opnieuw gebouwd, werd zij te gelijkcr tijd aangelegd volgens een 
zeer regelmatig plan, met een ruim marktplein van + 50 M. breedte 
bij 65 M. lengte in het midden, welks vier zijden zich verlengen tot 
de vier hoofdstraten, die op de poorten uitmonden. Ook hier stuit 
men gravend, dikwijls op fundeeringen en op de ten deele verbrandde 
en bedolven overblijfselen van huizen, vóór dien brand in eene geheel 
andere richting staande. 

Oud-Delft. 

In hoeverre de stad Delft haar bijzonder regelmatigen aanleg 
(zie afb. N°. 102) dankt aan Hertog Godfried met den Bult, aan wien 
sommigen hare stichting omstreeks het jaar 1074 toeschrijven, of aan 
den grooten brand, die „op heylich kruysvindingsdach (3 Mai) in het 
jaer ons Heeren 1536 nae der noenen, onder den vesper als men het 
magnificat songh," haar voor twee derde gedeelte verteerde, durf ik 
niet beslissen, stellig is die brand hare indeeling echter ten goede 
gekomen, althans in dat gedeelte, alwaar de overheid ter te gemoet- 
koming in hun verlies, krachtens een haar daartoe door Karel V 
dato 26 Juni 1537 verleend privilegie, „100 morgen landts van den 
H. Geest distribueerde onder die schamele persoonen willende tim- 
meren, mits assignerende den penningh 24 en dat alle erven binnen 
de twee jaren moeten werden getimmert ende daer voor gecaveert." 

Roermond. — IJselstein. 

Roermond, dat op 16 Juli 1554 bijna geheel afbrandde en 
toen al hare lakenfabrieken verloor, welke zich na dien ramp ver- 



!) Zie E. Geerdink in zijn: „Eenige Bijdragen tot de Geschiedenis van het 
Archidiaconaat en Aartspriesterschap Twen the, verschenen in 1895. 



212 VESTINGSTEDEN. - - OUD-COEVORDEN. 



plaatsten, schijnt aan den daarop gevolgden herbouw mede grooten- 
deels haar regelmatiger! aanleg en betrekkelijk ruim marktplein te 
danken te hebben. 

IJselstein werd door de zorg van haar kasteelheer op het doel- 
matigst herbouwd en aangelegd na haren grooten ramp, toen zij, 
na eerst door de naijverige Utrechtenaren tijdens de Hoeksche en 
Kabel jauwsche twisten in 1417 te zijn ingenomen, en haar muren en 
poorten zag sloopen, datzelfde jaar op last van Jacoba van Beijeren 
op Allerheiligendag geheel werd gesloopt, met uitzondering alleen 
van haar kerk, haar kapel, haar klooster en haar priesterwoningen. 

Oud-Coevorden. 

Het opmerkelijkst evenwel is de herbouw der kasteelstad Coe- 
v orden, welke in 1592, toen Prins Maurits haar kwam belegeren, 
door het Spaansche op het kasteel in bezetting liggend garnizoen, 
werd verbrand. Terwijl haar plattegrond van ± A" 1550, door Jacob 
van Deventer alstoen in teekening gebracht, niets opvallends aangeeft, 
toonen haar plattegronden uit het begin der XVII de eeuw hoezeer zij 
sedert in aanleg, vorm en karakter ten eenenmale veranderd is. 

Blijkens afb. N°. 114 kreeg zij bij haren herbouw in de jaren 
1597 — 1607 op last van Graaf Willem Lodewijk uitgevoerd, den vorm 
van een zevenster, van 480 M. diameter, gerekend tot den binnenvoet 
harer omgrachting, met een 140 M. breed scherp uitspringende bastion 
op elk der hoeken, bastions naar de zeven provinciën benoemd. 
Gedekt door één dier bastions en tevens met zijn plein en gracht de 
beide daaraan grenzende zijden van den zevenhoek beslaande, ligt het 
vijtzijdige kasteel precies tegenover het open gehouden gedeelte der 
stad, aan het 50 bij 60 M. groote marktplein, waarop van uit het 
midden van de llanken der omwalling als zoovele stralen de hoofd- 
straten uitloopen, terwijl een brug over de kasteelgracht van af de 
markt toegang geeft tot het kasteelplein. 

Deze stad werd inderdaad geheel als vestingstad herbouwd, 
met de markt tot verzamel- en paradeplaats, van waar men in een 
minimum van tijd de omwalling kon bezetten, of van die omwalling 
naar die plaats en van deze naar het kasteel kon terugtrekken. Twee 
zevenhockige ring- of dwarsstraten, de straalvormige hoofdstraten 
kruisend en verbindend, vergemakkelijken het verkeer, evenals de 
het beloop der omwalling volgende, achter- of walstraat, terwijl zij 



VESTINGSTEDEN. 



OUD-COEVORDEN. 



213 



veiligheidshalve slechts twee poorten, de Bentheimer- en de Friesche 
Poort had. 

Feitelijk gebouwd in den vorm eener groote schans of citadel, 
komt haar aanleg zóó geheel en al overeen met het werk van Forti- 




Afb. N°. 114. Plan van Coevorden, als vestingstad na haren herbouw in 1597 — 1 607 . 

ticatie, de Citadel, op last der Staten-Generaal ten jare 1600 'door 
den Ingenieur Johan Rijswijck bij de stad Groningen aangelegd, 
om deze tot gehoorzaamheid te dwingen, dat ik vermoed, dat van 
dezen Ingenieur ook het ontwerp voor den herbouw van Coevorden 
afkomstig is. 

Een gelijkvormigen aanleg heeft niet enkel de stad Mariën- 
bourg bij Namen door de Landvoogdes, Maria van Bourgondië in 
1545, na den inval van de Gelderschen onder Maarten van Rossum 



214 



VESTINGSTEDEN. 



PALMA NOVA. 




Afb. N°. 115. De vestingstad Palma Nova, door de Venetianen in 1593 gesticht. 



gesticht, en naar haar aldus genoemd, doch mede de dicht daarbij, 
in 1555 door Koning Philip II gestichte stad Philippe v il 1 e '). 

Het karakteristiekst doorgezet in haar aanleg als vestingstad is 
Palma Nova, (zie afb. N°. 115) eene stad van 4200 inwoners dooi- 
de Venetianen in Friuli bij Udine in 1593 geslicht in den vorm van 
een regelmatige negenster van 450 M. diameter. 

Brown die haar + 1668 bezocht zegt in zijn reis door Hongarije: 

„Zij is de alderbreedste reguliere Fortificatie die ik hebbe aen- 
gemerkt, heeft negen Bolwerken die den Naem voeren van eenige 
Edele Venetianen, daer men geen ander vat aen heeft als haer ronde 
ooren ; op ieder Gordijn staen twee cavaliers of Katten ; de Wal of 
Vest is veel hooger dan de muur, de gracht is 30 passen breed en 
12 diep; daer zijn 3 poorten. 

„Regt midden in de Stad staat een Standaerd geplant over een 
driedubbelde Born-put, in 't midden van een zeshoekige Markt of 
Piazza (de zware ronde, omgrachte toren op de afb. midden op die 
markt staande was tijdens Brown's bezoek dus reeds verdwenen), 



') Deze beide steden: Marienbourg en Philippeville zijn in grond- 
teekening afgebeeld in den Steden-Atlas van Joh. Bleau. 



GELEIDELIJKE VERBETERING VAN HET STEDEPLAN. 215 



waer vandaen iemand alle 3 de poorten sien kan, als mede 6 straten 
die 't eenemael door de stad loopen. De Merkt is heerlijk verciert 
met de Front of 't Voorste van den Domkerk, verscheijde Beelden 
en een Obeliscus of Piramide, die uyttermaten verguld is." 

„In 't midden van de Brugge (er waren 3, voor elke poort één) 
is een ophael-Brug, met sodanigen konst, dat als de Centinel eenig 
geweld siet aenkomen, de Brug kan op-trecken, door alleenlik met 
sijn voet over een seker ijser aen te raken. 

„Ik heb veéle aerdig gemaekte ophael Bruggen in andere quar- 
tieren gesien, bij wijlen menigte op één Brug, en niet alleenlik den 
eencn agter den ander, maer ook somtijds 2 of 3 voor op een reij ; 
de alderuyterste diende voor 't voetvolk, die in 't midden stond was 
voor Peerden en wagen vrachten. Sommige op-haelbruggen werden niet 
opgehaeld, maer met draeijen raken de Passagiers over de gragt aen 
d'andre kant. Amsterdam heeft 3 Bruggen met Oorgaten , de Mast met 
Zeyl da er tegen aenstootende, opend die van selver", tot zooverre Brown. 

De afb., hoezeer wat klein, geeft toch eenc duidelijke voorstelling 
dezer hoogst eigenaardige stad met haar zeszijdig marktplein, 
waarop de drie poortstraten en de negen bastionstraten straalsgewijs 
uitloopen en toont mede hare drie ringstraten, waarvan de middelste 
voorzien van zes vierkante pleinen, waarop, om het marktplein niet 
al te veel te verbrokkelen, de zes flankstraten uitmonden. 

Geleidelijke verbetering van het stedeplan. 

Slechts enkele onzer steden hadden onmiddellijk na een grooten 
brand, het inzicht, den moed en waren in staat, om zooals Groningen 
zulks deed, op dat inderdaad eenig moment, haar aanleg en indeeling 
naar eisch afdoende te verbeteren, of zooals Coevorden, daarbij 
van landswege gesteund, deze ten eenenmale te wijzigen en door 
een geheel nieuwen, door een geheel anderen aanleg te vervangen. 
De meeste steden behielden bijna onveranderd haar oud stadsgedeelte 
met al zijn gebreken, doch zorgden door uitleg meer verkeers- en meer 
marktruimte te krijgen, terwijl in enkele steden de Overheid blijk- 
baar alle zich toevallig daartoe aanbiedende gelegenheden benutte 
om, waar noodig en mogelijk verbeteringen aan te brengen. 

Oud-De venter. 

Aldus in Deventer. In 1313 is er reeds sprake, dat alle de 
smeden van eniger smeedeampte eenc afzonderlijke straat wilden 



216 GELEIDELIJKE VERBETERING VAN HET STEDEPLAN. — OUD-DEVENTER. 

aanleggen, en waarschijnlijk is toen, gelijktijdig met den uitleg der 
stad, langs een gedeelte der nieuwe ommuring, de nog bestaande 
Smedenstraat aangelegd. 

Vóór 1331 treffen wij midden in het oude stadsgedeelte, diens 
noordelijke helft geheel doorloopend, reeds de Nieuw -straat aan; 
in 1374 werd besloten, „een steghcle te maken bij der Heestpoerten 
(de Binnen-Bergpoort) en de Scnte Nicolaus Kerchof, daer die wachters 
doer ghaen ;" in 1391 is er eene tweede Nijestrate, sedert de Molen- 
straat genoemd. 

Vóór 1396 had men reeds de Nije.n marckt, welke in dat jaar 
door het afbreken van een huis werd vergroot en in 1622 door de 
afbraak van den noordbeuk der Maria-kerk met bijbehoorende kapel 
en van twee huizen, het olde brouwhuys en de Vederwagen (de waag 
voor lichte voorwerpen) haar tegenwoordige afmeting verkreeg. 

Anno 1603 werd de Melkerstraat verbreed door het afbreken van 
een bouwvallig hoekhuis in de Polstraat; Anno 1610 werd de Hofstraat 
aangelegd over het door de stad in 1576 aangekochte Bisschopshof; 
5 September 1644 besloot de Magistraat een plein te maken vóór 
het Raadhuis tot aan de Poort, en werd het toen nog ommuurde Groot 
Kerkhof bezuiden en bewesten de Sint-Lebuinuskerk , het z.g.n. Liic-hof 
tot marktplein allengs benut; op den plattegrond bij J. Bleau van 
± 1650, komt die ommuring dan ook niet meer voor, wel op de 
vroegere plattegronden. 

Anno 1668 werd de Stroomarkt aangelegd, terwijl van af 1869 vooral 
verschillende verbeteringen tot stand kwamen, zoo ontstonden in 1886 
door aankoop van huizen en erven het Muggenplein en de Muggestraat. 

Bezaten wij van af het begin der XIII de eeuw betrouwbare platte- 
gronden dezer stad en hare Cameraars-rekeningen (de oudst over- 
geblevene dezer rekeningen dagteekent eerst van het jaar 1337), dan 
ware het mogelijk een volledig beeld te geven van al de wijzigingen 
en van al de verbeteringen in het verloop van zeven eeuwen van 
lieverlede in hare indeeling aangebracht, eene indeeling, die zoowel 
bij de stichting als bij de opheffing harer kloosters belangrijke ver- 
anderingen zal hebben ondergaan. 

Oud-Utrecht. 

Ditzelfde had mede plaats in tal van andere steden en inzonder- 
heid in de stad Utrecht, welke, blijkens N. van der Monde 's 



GELEIDELIJKE VERBETERING IN HET STEDËPLAN. — OUD-UTRECHT. 217 



„Geschiedkundige Beschrijving harer pleinen, straten en stegen" reeds 
vroegtijdig tal van verbeteringen daarin aanbracht of toeliet. 

Inderdaad toeliet; over tal van groote erven toch werden bij 
verandering van bestemming, in verloop van tijd door de eigenaars 
zelf stegen of straten aangelegd, zoodat de overheid in 1389 bepaalde: 
„dat dergelijke nieuwe straten ofte steghen, hoezeer het eigendom 
blijvende der aanleggers die ze over hun erf leidden, in 't vervolg 
18 voeten wijd moesten zijn." 

Aldus ontstonden de Abraham Dolesteeg, de Draken burgsteeg, de 
Schalkwijksteeg, de Vinkenburgsteeg, de Zuylenstraat, enz. Tusschen 
de jaren 1314—1380 werd hier een nieuwe Smedensteeg aangelegd; 
reeds vóór 1336 was de Lange Nieuwstraat aangelegd en in 1338 
werd door de stad in overleg met het Sint-Maartenskapittel, over 
den grond van dat Kapittel, de Domsteeg aangelegd, die in 1770 
is verbreed. 

In 1366 werd de Sint-Catharijnesteeg aangelegd op kosten der 
geburen en ten behoeve der aldaar toen gestichte Stove; Anno 1389 
werd de Vroedestraat (nu de Drie Haringsteeg) aangelegd en in 1412 
de Sint-Pieterstraat. Deze laatste op aandrang van den Raad, ten 
einde bij brand of volksoploopen een doorgang te hebben van het 
Sint-Pieterskerkhof naar den Regenboog, blijkens onderstaand besluit: 
„Proost, Deken en Capittel van Sinte Peter 't Utrecht zeilen 
van horen erve geleghen in den Reghenboghe wtslaen een strate, sel 
heeten Sinte Peters-strate, die sel breet wesen aent eynde in den 
Reghenboghe veertien voet ende voert van den eynde inwaert zes 
roeden lanck, daer is zij breet vijftien voet, ende in den middel van 
der voirscreven strate is sij breet seventien voet, ende aent ander 
eynde so vergadert sij aen een eynde straets, dat Joncfrou Yde, Henric 
Ywenssoensdochter ghemaect heeft, daer is sij breet bet dan sestien 
voeten, geliken dat voirscreve einde straets breet is. 

»Ende die Heren sellen neffens der strate ene gemene goede 
trappe in der nijer grafe doen maken, ende doen houden in reke 
tot al re tijt." 

Deze nieuwe straat werd in 1644 over het erf van den Heere 
Deken Wijck verlengd tot aan de Nieuwe Gracht bij een breedte van 
XXII voeten, en tegenover de straat eene boogbrug over de Nieuwe 
Gracht gelegd. 

In het jaar 1543 werd de Wijde Doelen aangelegd, ± 1546 de 
oude Munstertrans verbreed, tusschen 1570—1598 de Nauwe Doelen 

I 28 



218 GELEIDELIJKE VERBETERING IN HET STEDEPLAN. 

aangelegd, in 1578 de Minderbroederstraat verbeterd, in 1587, trots 
hevig verzet, ten behoeve van het verkeer, de oude Sint-Salvatorkerk 
afgebroken, in 1618 de Korte Nieuwstraat en in 1043 de Hoocht aan- 
gelegd en tevens de Brigittestraat verbeterd, in 1645 de Nieuwe 
Kamp en in 1651 de Agnietensteeg aangelegd, terwijl daarna onder 
het bestuur der Burgemeesters Hamel, Moreelsen en Booth ver- 
schillende nieuwe straten, zooals de Key- en de Ridderstraat, enz. 
werden aangelegd en andere, zooals de Donkere Gaard, de St.-Nicolaas- 
steeg, enz. werden verbeterd. 

Terwijl de stad Utrecht meerdere verkeersruimte noodig had en 
zocht, vooral in het binnengedeelte der stad, al waar de vijf kapittel- 
kerken met hare immuniteiten veel te dicht bijeenlagen, zochten 
andere steden in de eerste plaats naar verkrijging of uitbreiding van 
marktruimte. 

Zwolle dat aanvankelijk geen marktplein had, en zich behielp 
met hare opslagplaatsen langs de Aa, overwelfde deze voor een deel 
en verkreeg zoo een groot vierkant plein, haar groote Markt en door 
verdere overwelving haar Saad- of Koornmarkt, terwijl zij het Belheim- 
plein, voorheen tot het Clooster Betlehem behoorend, tot Nieuw- 
markt inrichtte. 

Enschede kreeg na haar grooten brand van 12 Augustus 1518, 
tot herstel van dien ramp, van den Bisschop het recht om twee vrij- 
markten te houden, „de eyne op donredages nae Paschen ende de 
ander den ersten werckeldage na St. Merten in den winter, daertoe 
eyne weekemarkt op alle dinsdagen te holden". Op het marktplein 
dier stad en dit bijna geheel beslaande, bouwden de Gelderschen 
echter in 1523 hun Blokhuis, tot Karel V haar in 1541 toestond dit 
Blokhuis af te breken en de vrije markt te herkrijgen en deze tevens 
met een kleine graven van Roelof van Scheven 's w r eere te vergrooten. 
Op 31 December van het jaar 1828 nam de stad van het kerkbestuur 
tot uitbreiding der Markt bijna het geheele aangrenzend kerkhof met 
de daarop staande Boterschool over, welke school daarna werd afge- 
broken; in 1839 kocht zij voor ƒ10.000 twee huizen, ten einde met 
hun grondvlak de Markt nog meer te vergrooten, die, na in 1842 en 
in 1851, opnieuw vergroot te zijn, thans eene breedte heeft van 80 M. 
bij 110 M. lengte. 



GELEIDELIJKE VERBETERING IN HET STEDEPLAN. 219 



Middelbur g kreeg eerst bij de opname der Westmonster parochie 
met kerk binnen hare ommuring haar tegenwoordig marktplein, toen 
echter nog met die kerk bezet, welke tijdens de Reformatie, in 1575, 
tot verruiming der markt werd afgebroken, sedert een plein van 
± 85 M. breedte bij gemiddeld 90 M. lengte, waarop zeven hoofd- 
straten uitloopcn. 

De Groen markt werd even vóór 1586 aangelegd op een gedeelte 
van het groote terrein der gewezen abdij. 

Arnhem heeft in 1614 haar Bussenhuis en in 1840 haar oud 
stadhuis afgebroken ter vergrooting harer markt, na in 1044 het zgn. 
Land der Markt en sedert ook het aangrenzende kerkhof daarbij te 
hebben aangetrokken, zoodat haar Markt nu + 85 M. breed en 
135 M. lang is. 

Amsterdam, dat vóór haren grooten uitleg in de XVII de eeuw 
tot eenige marktruimtc had de Plaetse of Dam, heeft dien Dam 
tegelijk met den bouw van haar nieuw Raadhuis tegen het midden 
dier eeuw en sedert door de afbraak van het daarop staande Waag- 
gebouvv en door inkorting van het Damrak belangrijk vergroot en 
feitelijk in oppervlak verdrie- of viervoud en nauwelijks twee jaar 
geleden, tot verbreeding van de straat tusschen het Paleis en de 
Nieuwe Kerk, voor 150 M 2 grond met huisjes bezet en aan die kerk 
toebehoorende, ƒ45,000 betaald. 

In 's-Gravenhage, wier „marcte" reeds in 1337 genoemd 
wordt, kocht de Magistraat in 1584 een groot deel van het alstoen 
afgebrande St. Elizabethsconvent staande aan het zuidwestelijk einde 
der Vlamingstraat en wist zoodoende een nieuw of tweede markt- 
plein, de Groen- of de wekelijksche markt te openen. 

Vooral de opheffing van tal van kloostergebouwen in het laatst 
der XVI de eeuw gaf toen aan vele stadsbesturen de gelegenheid tot 
het aanleggen of doortrekken van straten, tot het vormen van pleinen '), 
ruimte ook tot stichting van openbare gebouwen en de gelegenheid 



x ) In Vlissingen is het stadhuisplein afkomstig van het terrein van de afge- 
broken kloosters der Carmelieten en Predikheeren, op welk terrein de stedelijke 
roi^eerin^' in 1594 — 1610 een monumentaal stadhuis liet bouwen, dat bij het bom- 
bardement der stad in 1S0 ( ) tot een puinhoop geschoten, sedert niet herbouwd is. 



220 MARKT- EN HAVENSTEDEN. 



tevens om, die vrijkomende kloosters behoudend, deze te benutten en 
in te richten tot scholen, wees- of gasthuizen, arsenalen, enz. 

In vele steden was werkelijk de markt, het marktplein, de 
voornaamste factor in, het middelpunt van haar plan, van haar indeeling 
en aanleg, het plein, waarop steeds eenige, soms alle hoofdstraten 
uitloopen, zooals in Bergen -op -Zoom, Coevorden, Delft, 
Gouda, Groningen, Haarlem, 's-Hertogenbosch, Middel- 
burg, Steenwijk, enz., welke men uit dien hooide dan ook gerust 
onze Marktsteden mag noemen. 



Havensteden. 

Tal van steden echter, inzonderheid onze Rivier- en Zec- 
steden, misten van oudsher eene zoodanige centraal gelegene markt- 
ruimte, en hadden in plaats daarvan een haven, welke niet zelden 
haar vorm en omvang, haar aan- en uitleg, haar indeeling en groei 
bepalend, daarom in tegenstelling met de Marktsteden bovengenoemd, 
onze Havensteden genoemd kunnen worden. 

Een m a r k t plein was echter een veel kalmer, rustiger en passiver 
factor dan een haven. Eens aanwezig, behield het zijn vorm, zijne 
zakelijke waarde en beteekenis, tenzij met opzet veranderd of gewij- 
zigd, zoolang de vrij- en weekmarkten door koopers en verkoopers 
goed bezocht bleven ; het behield mede zijn waarde als plaats van 
bijeenkomst, als feestplaats en als vrije ruimte en zijn aantrekking ook 
voor den vreemdeling en eischte geen zorg, want, onbestraat als het 
in de eerste eeuwen was, vroeg het bijna geen onderhoud. 

Geheel anders daarentegen was de toestand voor eene stad in 
het bezit van een haven. 

Waar de natuur haar grootendeels zelve gevormd had, waar zij 
eene open haven was en bleef, daar bedreigde de rivier of de zee 
die haven en hare omgeving, ja zelfs de geheele stad niet zelden met 
overstrooming, met ramp en leed, en werd zij daarom van sluisdeuren 
voorzien ; doch dan werd juist die afsluiting meestal weder haar verdriets- 
bron, die niet enkel het binnenzeilen bemoeilijkte en de afmetingen, 
vooral den dieptegang harer schepen bepaalde, maar ook dikwijls 
aanleiding gaf tot aanslibbing of verzanding. 



HAVENSTEDEN. 



221 



Soms ook veranderde eene rivier allengs van stroomrichting en 
werd men verplicht de haven te verlengen of te verleggen, of wel 
met stad en al soms te verhuizen, wilde 
men een havenstad blijven. 

En de zee? 

Deze was niet zelden nog veel wis- 
pelturiger dan de rivier en legde soms 
geheele zandbanken en zandplaten, soms 
een geheel strand of nieuwe kust vlak 
vóór de stad, het vaarbaar vocht in gang- 
baar droog, eene zeestad in eene land- 
stad veranderend. En ook was diezelfde 
zee soms zoo vrij, eene stad met haar 
haven en het gedeelte kust, dat zij besloeg, 
zóó gevaarvol en onhoudbaar te maken, 
dat men verplicht was meer landwaarts 
in, veiligheid te zoeken, en stad en haven 
te verleggen. 

Een haven was dus een hoogst on- 
zeker en een hoogst kostbaar bezit tevens, 
want ook al bleef ze voortdurend in 
staat om haar taak te vervullen, door 
aan de schepen waarvoor ze bestemd 

en berekend was, een veilige ligplaats te verzekeren, daarmede was 
echter de havenzorg nog niet afgeloopen. Met de toename toch van 
den handel nam in eene havenplaats ook de behoefte toe aan meerdere 
havenruimte; de toename in afmeting der schepen stelde nieuwe, moei- 
lijker eischen nog; met de ontwikkeling van speciale visscherijen en 
van de vaart naar bepaalde zeeën of gewesten, vroegen de daarbij 
betrokkenen weldra een eigen haven of eigen havengedeeltc en 
onder deze en meerdere invloeden, zien wij nu bij voortduring tal van 
havens zich wijzigen, nieuwe havens ontstaan, andere weer verdwijnen, 
en krijgt het begrip havenstad eene voortdurend brcedere beteekenis. 




Lvgd.Batavorvk, 
t <fï Cfici/u Elzeviriana. *inn* 3633 



Afb. N". 116. 



Terwijl de Mar kt steden met heur markt weinig andere zorg 
hadden, dan om, behalve de noodige ruimte, het gemakkelijk en 
veilig ter markt te komen, te zijn en van daar te gaan, zooveel en 
zoover mogelijk te verzekeren, hadden de Havensteden te zorgen, 
dat haar haven bij voortduring bleef beantwoorden aan de steeds 



222 



HAVENSTEDEN. 



toenemende eischen deze gesteld, op straffe van verlaten en vergeten, 
van koopstad af te worden. 

Juist omdat het meerendeel onzer oude havensteden aan die 
eischen op den duur niet kon beantwoorden, althans daar, waar zee 
of rivier niet meehielpen maar tegenwerkten, zijn zij, zoo zij al bleven 
bestaan, van koophavens veranderd in kleine visschers- of in vlucht- 
havens en namen met heur haven die steden zelve ook weder in 
beteekenis, in welvaart en kracht af, om te eindigen vaak, zooals 
zij eeuwen vroeger begonnen waren, als kleine visschersplaatsjes. 

Oneindig veel meer dan van den bloei harer markt, hing dan 
ook vaak het geheele zijn en de welvaart eener stad af van de 
blijvend gunstige ligging, van den bloei van haar haven. 

Zoolang mogelijk zien wij dan ook overal de stedelijke overheid 
alle krachten inspannen om die levensbron harer stad in goeden, in 
bruikbaren toestand te houden, doch de eigen middelen waren daartoe 
maar al te dikwerf geheel ontoereikend; op de verondieping eener 
haven toch volgde onmiddellijk een teruggang in de scheepvaart, een 
vermindering van omzet, van inkomsten en durf, hetgeen gevoegd 
bij den naijver en de dubbele zorg en de groote kosten welke eenc 
naijvcrige naburige havenstad zich ter zelfder tijd soms getroostte, 
maar al te dikwijls aan een havenstad voor goed den doodsteek gaf. 

Uit gewestelijke of persoonlijke overwegingen gaven de vorsten 
soms aan sommige daartoe bijzonder gunstig gelegen steden, om haar 
opkomst of bloei te bevorderen, ten bate van haar haven bijzondere 




Do iS aleraantler een Oo i"tiiiili.< Vaenler, 

Naar een ets van R. Zeeman. 

Afb. N n . 117. 



HAVENSTEDEN. 223 



privilegiën, de schepen verplichtend die haven aan te doen en aldaar 
en in geen andere in dat gewest, bepaalde waren te lossen ; aldus 
bevoorrechte steden, konden zonder bezwaar veel grootere uitgaven 
ten koste van heur haven besteden en daardoor handel en scheep- 
vaart al datgene blijven aanbieden, wat deze met bijna elke eeuw 
meer vroeg, meer eischte. 

Thans echter zijn die eischen zóó groot en zóó vele geworden, 
dat bijna geen enkele stad te onzent daarin alléén uit eigen kracht 
en uit eigen middelen meer kan voorzien. Het Rijk en de Provincie 
moeten de havensteden nu wel ter hulpe komen en deze splitsen 
zich nu als van zelf, in die welke enkel van locaal, in die welke 
tevens van gewestelijk belang zijn en in die, welke buitendien een 
rijksbelang vertegenwoordigen. 

Terwijl de Markt thans nagenoeg geheel en al haar vroegere 
beteekenis en waarde heeft verloren, enkele speciaal-markten uitge- 
zonderd, als die van Alkmaar en Hoorn voor de kaas, als die van 
Leeuwarden, Purmerend en Sneek voor het vee, enz., ver- 
kreeg de Haven een steeds grootere beteekenis in het wereldverkeer, 
en zijn de, zoo 't schijnt nooit eindigende eischen, waarin eene Haven 
voor dat verkeer moet voldoen, nu zóó overweldigend groot en zóó 
vele geworden, dat West-Europa feitelijk slechts drie Havensteden 
telt welke daaraan voldoen, te weten: Antwerpen, Hamburg en 
Rotterdam; zelfs Londen valt daarbuiten. 

De oudste havenvorm. 

Reeds van af de vroegste tijden, toen een vlot uit enkele saam- 
gebonden boomstammen bestaande of een uitgeholde boomstam tot 
vaartuig diende, werd een in de rivier of stroom toevallig aanwezige 
inham, die door zijn vorm en ligging eenige dekking gaf tegen den 
af komenden stroom en tegen den golfslag, benut als ligplaats, als haven 
voor die vaartuigen. Meestal dicht bij een kreek of geul, of aan den 
mond van een kleinen zijstroom, vinden wij inzonderheid aan de rivieren 
onze eerste steden ; die kreek of zijstroom werd dan de plaats waar haar 
visschersvaartuigen en later ook haar comansschepen geborgen werden. 

En daar, waar eene zoodanige door de natuur zelve gemaakte 
ligplaats ontbrak, daar maakte men in den rivieroever een Colck ofte 
Wiel of Wael, die men later, waar 't doenlijk was, in verbinding bracht 
met de stadsgracht of wel die colck werd later in de omgrachting opge- 



224 HAVENSTEDEN. — OUD-AMSTERDAM. 



nomen of daarbij aangesloten en diende tot haven, hoezeer veelal slechts 
's winters en bij buitengewone rivierstan den, bij storm of ijsgang, 
want in gewone omstandigheden lagen de schepen bij voorkeur op 
stroom, langs de rivieroever of kade, welke terzelfder tijd tot opslag- 
plaats en feitelijk ook tot markt diende. 

Zoo althans was de toestand voorheen te Arnhem, toen de Rijn 
nog een 100 M. dichter langs die stad liep, te Deventer, Harder- 
wijk, Kampen, Maastricht, Nijmegen, enz. (zie de afb.) In 
enkele steden ook werd de Haven doorgetrokken of verlengd tot bij 
of in het midden der stad, ten einde de eigen schepen niet alleen 
dichter bij huis te hebben en des te gemakkelijker te kunnen laden, 
lossen, op- en aftakelen, maar deze tevens eene tegen onvoorziene 
overvallen veilige ligplaats te verzekeren en vreemde kooplieden in 
de gelegenheid te stellen op hun schepen zelve hun voorraden ten 
verkoop te kunnen aanbieden. 

Oud- Amsterdam. 

In het open haven- en visschersvlek Aemstelredammc, dat 
gelegen aan de uitmonding van het riviertje de Amstel in het open IJ, 
zich in het begin der XIII de eeuw onder bescherming van het bijge- 
legen kasteel van de Heeren van Amstel ontwikkelde, diende die 
monding tot haven of ligplaats der schepen en tot markt- en stapel- 
plaats tevens. Nadat de Amstel echter in het jaar 1240 ten deele was 
afgedamd, met een sluis gesloten en overbrugd, diende in hoofdzaak het 
vóóreinde, het Damrak tot haven en zochten allengs de grootere schepen 
nu eene ligplaats langs het IJ, met dat gevolg, dat deze Stad, — zij had ten 
jare 1300 stadsrecht verkregen, — zich niet meer als vroeger hoofdzakelijk 
in lengterichting langs den Amstel, maar thans in breedterichting langs 
het IJ ging uitbreiden. (Zie afb. N u . 41, haar Historische plattegrond). 

Bij herhaling in oorlogstijden 's nachts door zeeroovers op die 
open ligplaats verontrust, „waren de beraders van der poirten van 
Aemstelredammc ten jare 1369 er op bedacht de aldaer liggende 
schepen te veylighen en de geheele IJkant der stad met palinghen te 
omgorden, de oirgaten of doorlaten 's avonds met waterboemen slui- 
tend," aldus de daar binnen gelegen schepen de noodige veiligheid 
verzekerend; afb. N°. 118 toont dit paalwerk. 

Bij de ommuring der stad in het jaar 1482 werd deze IJhaven 
nu mede in verdedigbaren toestand gebracht, en daartoe bij den 




Afb. N". 11 8. Amsterdam, gezien van de IJzijde, zijnde eer 




deelte van het groote aanzicht door P. Bast ± A°. 1600 gemaakt. 



HAVENSÏEDKN. 



OUD-AMSTERDAM. 



225 



grooten midden-doorgang, binnen het dubbel paalwerk, een groot met 
geschut beplant steenen ronddeel gelegd, door een steiger in verbin- 
ding staande met den verdedigingstoren op den westelijken hoek 
van het singel bij het IJ, 
terwijl drie andere torens: 
de Montalbaanstoren, de 
Schreijerstoren en de Heilige 
Kruistoren (later tot Haring- 
pakkerstoren verdoopt) voor 
de verdere verdediging van 
de Haven en van den 
IJkant hadden te zorgen; 
overigens was de stad aan 
die zijde zonder ommuring- 
en geheel open. 

Met de toename van den 
handel en van het scheep- 
vaartverkeer werd nu van 
dat IJ een steeds grooter 
en breeder gedeelte voor 
nieuwe en meerdere haven- 
ruimte ingenomen en inge- 
deeld en met steigers of 
kaden en met pak- en woon- 
huizen ten deele omzet, 
zoodat n u het enkele haven- 
oppervlak van Amsterdam 
voor zich, het zes- a zevenvoud beslaat van het oppervlak, dat 
die stad met haven en al ten jare 1536 besloeg, toen Cornelis 
Anthoniszoon haar plattegrond (zie afb. N°. 21) in vogelvlucht 
schilderde. En welke zakelijke beteekenis en groote waarde haar ruime 
vrije havens voor haar bloei hebben gehad, getuigt haar buitengewone 
welvaart in en haar grootschen uitleg van de XVII de eeuw. 

Oud-Gouda. 

In Gouda, dat zich ter plaatse waar de Gouwe in den IJsel 
loopt, onder bescherming van het aldaar gelegen kasteel van eene 
kleine visschersplaats langzamerhand langs de beide oevers dier Gouwe 
tot eene bedrijfs- en handelsplaats had ontwikkeld, die in 1272 stads- 

!• 29 




Afb. N n . 119. De Paerrel een Oostindis Vaerder, 
naar een ets van R. Zeeman. 



226 HAVENSTEDEN. - - OUD-GRONINGEN. — OUD-DORDRECHT. 



recht kreeg, diende die rivier tot binnenhaven tevens. Nadat daarin 
echter ongeveer in het midden der stad eene sluis was gelegd, werd 
nu ter wille der steeds grooter wordende en in aantal toenemende 
schepen, die er doorvoeren of kwamen overwinteren, het zuidwestelijk 
gedeelte der stadsgracht tot eene buitenhaven verbreed en doorsluizen 
met de Gouwe en den IJsel beide in verbinding gebracht, zie het 
plan in vogelvlucht dier stad van A°. 1585, afb. N°. 103, ontleend 
aan Braun's Steden-atlas. 

Oud-Groningen. 

De stad Groningen, welke reeds in of vóór de XIl de eeuw het 
westelijk gedeelte van haar Brink (zie haar historisch plan afb. N°. 40) 
had vergraven tot eene binnenhaven door hare omgrachting met de 
rivier de Aa in verbinding staande, zond in de XIII de eeuw haar 
handelsschepen reeds naar Engeland en naar de Oostzee, welke 
schepen daartoe door de Aa, en nadat deze zich met de Hunzc had 
vereend, door het Reiddiep bij de Lauwcrs in zee zeilden. Gelijktijdig 
echter met haar nieuwen aanleg en haar uitleg na den grootcn brand 
in 1227, werd echter die haven naar buiten, naar hare westgracht 
verlegd en de vroegere binnenhaven gedempt en weder marktplein, 
de vischmarkt, zoodat van nu af hare schepen door geen water- 
poorten meer gehinderd van uit het Reiddiep direct die haven konden 
binnenzcilen. Door de aanslibbing van de Lauwers en van het Reiddiep 
en bij de toename van de afmeting der schepen, verloor Groningen 
echter haar vroegere beteekenis als haven- en handelsstad, en was zij 
van nu af er op bedacht om in allen deele het zakelijk centrum, de 
markt- en stapelplaats te worden van het Gewest dat haar naam droeg. 

Oud- Dordrecht. 

Ook Dordrecht 's eerste of oudste Haven, was eene binnen- 
haven in de Merwede uitkomende, welke sedert hare verlenging, 
omstreeks A°. 1280, door de Voorstraat tot in de Oude Maas, de 
gcheele stad doorliep. Eerst in het jaar 1410 werd in de aanslibbingen 
der Maas eene 60 M. breede nieuwe of buitenhaven gegraven, die 
in 1600 werd verlengd met de Wolwevershaven en later met het 
Maartensgat, eene buitenhaven, door bebouwing en ombouwing met 
pak- en woonhuizen allengs echter in eene binnenhaven veranderd. 

Na den uitleg der stad en de slooping der ommuring werd de 
oude vestinggracht langs de rivierzijde geheel en al tot haven verbreed 




mms 



v 



N. 



X 

Hl 



f) 







x> 




228 



HAVENSTEDEN. - OUD-DORDRECHT. •— OUD-MIDDELBURG. 



en vergraven en door drie overbruggingen gesplitst in verschillende 
gedeelten, in de Riedijksche-, de Sint Joris-, de Vrieze-, de Spui- en de 
Kalkhaven. Door haar privilegie van het Stapelrecht, dat tal van 
schepen verplichtte 
aan te leggen en 
hun waren bij haar 
ter markt te bren- 
gen , eene der 
bevoorrechtste en 
eerste steden van 
Holland geworden, 
verviel met dat 
stapelrecht en met 
de toename van den 
handel in Rotter- 
dam allengs ook 
haar bloei, zoodat 
zij sedert dan ook 
geen meerdere of 
ruimere havens noo- 
dig had. 

Oud-Middelburg. 

M i d del burg 
dat, zoo men zegt, 
reeds ten jare 1100 
haar buitengracht 
tot haven inrichtte 
voor de zeeschepen 
die bij Arnemui- 
den ter reede kwamen, vroeg en verkreeg, toen die weg naar zee 
langzamerhand verzandde, van Karel V octrooi zich eene nieuwe 
haven te graven, welke op Sinte Bertelmeusdach van het jaar 1532 
werd openghedaen en in 't Kanaal van Welzinge uitmonde '), en 

J ) Op de Noord-Dampoort stond volgend opschrift: 

„XV C XXXII in Apriel den achtsten dach 
dat men de nieu haven beghinncn sach. 
Op Sinte Bertelmeusdach, XXXV daer aen, 
wiert de voorz. havene open ghedaen." 




Afb. N°. iai. Middelburg in haar blo 



HAVENSTEDEN. 



OUD-MIDDELBURG. 



2 >H) 




blijkens het plan der stad van A°. 1599 van P. Bast, afb. N". 9, deels 
als binnen-, deels als buitenhaven was ingericht, doch zóó spoedig 
verlandde, dat reeds op 20 Mei 1540 een octrooi volgde tot ampli- 

atie dier Nieuwe 







: 




fi-n^a 



dg^k 




icitqd, in de tweede helft der XVII de eeuw. 



Haven. 

Ofschoon in 1550 
buiten de stad het 
toen vier hectaren 
groote Molenwater 
werd aangelegd, ten 
einde de haven met 
den daarin aanwezi- 
gen watervoorraad 
te kunnen uitschu- 
ren en op diepte te 
houden , was de stad 
toch reeds in 1610 
verplicht den Staten 
van Zeeland ver- 
gunning te vragen 
eene andere haven 
te mogen graven 
uitloopend in de 

Wester-Schelde. 
Veere en V 1 i s- 
singen verzetten 
zich echter tegen 
de uitvoering, zoo- 
dat het werk bleef 
steken , en men 
voortdurend groote sommen aan de oude haven moest besteden. 
De tweede helft der XVII de eeuw was de groote bloeitijd dezer stad, 
zie de afb. N os . 120 en 121 uit dien tijd. In de jaren 1814— '17 eindelijk werd 
onder medewerking van Koning Willem I, van rijkswege, eene nieuwe 
haven gegraven, en daarvoor een renteloos voorschot van ƒ 1.000.000 
beschikbaar gesteld, doch ook deze haven ter lengte van bijna een 
uur gaans en met haar dijken een 96 Va hectare oppervlak beslaand, 
voldeed niet aan de verwachting, waarom nadien het groote kanaal 
naar Vlissingen is gegraven. 



230 



HAVENSTEDEN. 



OUD-MIDDELIiUKC;. 



Duidelijker dan bij menig andere stad, blijkt hieruit, welk een getob, 
welke zorgen en voortdurende kosten er dikwijls verbonden waren aan 




Den DuMïelen Areirt een Weitmdis YagtI 



er, 



Naar een ets van R. Zeeman. 
Afb. N°. 122. 

het bezit van een, bij de steeds toenemende cischen, bruikbare haven, 
en trots die zorgen en uitgaven zag men toeh dikwerf, gelijk hier, de 
handel zich allengs verplaatsen en de dagen van welvaart overgaan 
in dagen van stilstand, van achteruitgang- en verval eindelijk. 

Met de toename der scheepvaart, doch vooral naarmate de schepen 
grooter werden en meer diepgang kregen, werd het bezit eener goede 
haven moeilijker en kostbaarder, werden de meeste binnenhavens 
voor de buitenvaart bezwarend en was men er op uit, om waar 
mogelijk, door ruime, open buitenhavens handel en scheepvaart te 
gerieven. 



HAVENSTEDEN. - - OUD-VLÏSSINGEN. 



231 



Oud-Vlissingen. 

In Vlissingen, vroeger eene zeestad genoemd , lagen de schepen 
aanvankelijk op de reede langs enkel paal- of steigerwerken daartoe 
in den oever der Wester-Schelde geslagen. In 1315 echter door Graal 
Willem III met schoone Stadtsprivilegiên vereerd, werd nu met mede- 
werking en steun van dien graaf tevens eene groote binnenhaven 
aangelegd, de stad over hare volle lengte doorloopend en in tweeën 
deelend, zijnde de oude of Coopmans-haven , ter plaatse der markt 
door eene dubbele ophaalbrug onderbroken. 

Door middel van een grooten bij vloed gevulden plas, het z.g.n. 
Molenwater, werd bij eb die haven gespuid, ten einde haar op diepte 
te houden, evenals zulks ook in Middelburg, Veere en Zierik- 
zee plaats vond. Reeds in het laatst der XIV de eeuw werd een gedeelte 
buitengracht bezijden de Oostpoort tot eene open havenkom verbreed, 
eene haven omstreeks 1550 bij den uitleg der stad verlengd met de 
Pottershaven. 

Bij den aanleg der nieuwe vestingwerken , in de eerste helft der 
XVII de eeuw, werd de vroegere vest over de volle lengte van af het 
Oranjebolwerk in het oosten tot aan het Barleausbolwerk in het westen 
der stad, tot Dok- of Marinehaven ingericht en verbreed, welke haven 




Afb. N". 123. De Havenstad Vlissingen in de tweede helft der XVII d ' eeuw. 



232 HAVENSTEDEN. — OUD-VLISSINGEN EN ENKHUIZEN. 



door ophaalbruggen in drieën verdeeld, sedert met huizen is ombouwd. 
Het havenoppervlak dezer stad besloeg alstoen het 2 | 5 gedeelte van 
haar totaaloppervlak. Bij het tractaat van Fontaineblcau van 
11 November 1807 aan Frankrijk afgestaan, werden in de jaren 
1811— '12 door dat Rijk belangrijke verdedigingswerken om de stad 
uitgevoerd en thans is haar haven, van waar de Maatschappij Zeeland 
hare groote booten naar Engeland laat afvaren, eene onzer beste 
havens, welke, o. m. het groote voordeel heeft bij langdurige en 
strenge vorst steeds open te blijven. 

Oud-Enkhuizen. 

Enkhuizen, oorspronkelijk een onbekend visschersplaatsje aan 
de rivier de IJsel, kreeg door de groote zeevloeden welke in en na 
1287 van lieverlede de Zuiderzee deden ontstaan, eene zóó gunstige 
ligging als zeeplaats, dat zij zich allengs wist te ontwikkelen tot 
eene stad, zich in 1354 het recht verzekerend de kaag te mogen 
bedijken en den uitcrdijk te beschutten en tevens het stadsrecht van 
Medemblik kreeg. 

In 1361 maakte zij binnen den hoogen dijk achter de Brccde- 
straat haar eerste haven, die in lengterichting haar geheel door- 
loopend en met huizen ombouwd, haar groote binnenhaven werd. 
Door Albrecht van Beijeren, tijdens zijn oorlog met de West-Friezen 
in 1396 — 1402, als oorlogshaven benut, van waar hij soms met een 
800 — 1000 schepen naar Stavoren overstak, breidde zij zich destijds 
belangrijk uit, tot bescherming van haar haven alstoen een zwaren ver- 
dedigingstoren, haar Engelschen Toren, den z.g.n. Drommedaris bouwend. 

In 1410 werd langs hare zuidzijde eene breede nieuwe haven 
aangelegd, voorzien van een paar verdedigingstorens aan haar mond, 
de Denen- en Willigenburch ; door de ontwikkeling der haringvangst 
in de eerste helft dier eeuw steeds in bloei en beteekenis toenemend, 
werd zij onder de Water- of Hollandsche Zuiderzeesteden reeds spoedig 
de belangrijkste, de grootste, en verplicht ter meerdere welvaart bij 
voortduring haar havens te vergrooten. 

Blijkens haar plattegrond van Jac. van Deventer van omstreeks 
1550, bezat zij toen, behalve de beide bovengenoemde havens nog 
een groote in zee aangelegde buitenhaven en eene eeuw later, was zij 
blijkens haar plattegrond voorkomende in Bleau's steden-atlas, reeds 
in het bezit van een negental groote havens, met de bijbehoorende 
kaden bijna de helft van het stadsoppervlak beslaande. 







wêê 



/ '-o ! / 



mk 



3» 



234 HAVENSTEDEN. — OUD-ENKHUIZEN. — OUD-HOORN. 



Na Amsterdam was zij toen de voornaamste haven plaats, doch 
zij was dit niet zonder moeite en veel strijd geworden, want de zee, 
die haar boven tal van steden bevoorrechtte, was haar ook menigmaal 
een bron van leed, vooral in het jaar 1514, toen zij „op St. Jeroensdagh 
de sluisen mitsgaders omtrent tachtigh huizen met twee hondert roeden 
bolwerks en een groot deel van de vesten wegsloeg" en niet minder 
bij den hoogen stormvloed van 14 November 1775, toen zij de geheele 
stad met ondergang bedreigde en slechts een plotseling intredende 
val van het springtij haar redde. 

Met den achteruitgang der haringvisscherij, waarvoor zij in haar 
besten tijd jaarlijks een 400 — 500 eigen buizen in zee bracht en twee 
havens had gegraven en ingericht, verviel haar bloei; in 1736 had zij 
nog slechts 16 buizen; ook haar koopvaardijvaart verminderde en in 
den Franschen tijd ging deze met haar vloot geheel en al teniet, 
zoodat zij in de jaren 1750 — 1830 niet minder dan 1600 van haar huizen 
zag afbreken, en de plaats waar deze stonden zag veranderen eerst in 
tuinen, doch allengs in weiland. Geheele straten verdwenen ei , en Enk- 
huizen, eertijds, dank zij hare havens, eene der welvarendste , drukste, 
eigenaardigste en grootste zeesteden van Holland, werd nu een stil en 
verlaten ietwat landbouwdrijvend visschersstadje, de belangrijkste onzer 
Villes-Mortes, in de laatste 20 jaren echter, door het spoorverkeer over 
Stavoren en door den bloei harer omgeving, weder iets opkomende, 
weder herlevende, haar ledig langzamerhand weder iets aanbouwende. 

Oud-Hoorn. 

Hoorn is zoo het schijnt ontstaan ter plaatse waar in het met 
riet begroeide voorland, buitendijks in den noordwestelijkcn binnen- 
hoek der Zuiderzee bij eene uitwateringssluis een diepe kil was 
geschuurd, „die seer veylig bleek voor de schepen die daer quamen 
havenen." Bij die kil werden volgens Velius ') ten jare 1316, drie 
huysen , die tot herberge voor de schepelingen konden dienen , gebouwd 
en wijl daer waer de neeringe is, ook de menschen komen, zoo 
werden daar al spoedig meerdere huizen bijgezet, zoo zelfs, dat binnen 
zes of zeven jaren tijds zich reeds een gehuchtje had gevormd, dat 
zich een eigen, zij het dan ook bescheiden houten kerkje kon bouwen 
en steeds aangroeiend op den zondag na onser Liever Vrouwe Boot- 
schap van het jaar 1356 van Graaf Willem stadsrecht wist te verkrijgen. 



] ) Zie T. Velius: „Chronyk van Hoorn". 



II. WENSTEDEN. — OUD-HOORN. 



235 




Afb. N°. 125. Aanzicht der stad Hoorn in de XVII' 1 " eeuw. 



„Overmidts de goede ghelegentheyd van de haven seer profijt 
voor de schepen, ghenietende groote profijten van den handel cnde 
toevoer die dacr seer bequaem viel", nam de jonge stad snel toe in 
ontwikkeling en had in 1381 reeds een eigen schipper sgilde. Haar 
spoedige opkomst dankte zij echter behalve aan hare gunstige ligging 
aan de vlucht welke de haringvangst nam. 

Nadat „ontrent desen tijd (A° 1414) eerst gevonden werd het 
souten van den Pekelharing en die in tonnen opteslaen, deur ecnen 
Willem Beukelszoon van Biervliet werd alhier in het Jacr 1416 
eerst gevonden het brayen van het groote Haring Net, soo dat dit 
selve jaer noch de eerste Buyssen van Hoorn in zee voeren om den 
Haring te vangen, daer men te vooren niet daer toe dan kleyne 
scheepkens gebruykte, die men slabberts noemde en den Haring niet 
en bezigde dan versch of in den rook gedroogt". 

De kil, Hoorn's opkomst of oude buiten -haven, veranderde 
omstreeks 1420 door bedijking en ombouw langzamerhand in eene 
binnenhaven en eene nieuwe, breedere en diepere buitenhaven werd 
nu in zee aangelegd, doch dikwijls met de volheyd der schepen ver- 
legen svnde, besloot men in 1576 beoosten de stad nieuwe havens te 
graven en zoo ontstond de groote bijna vierkante Korper-Kuyl en de 
daarbij aansluitende Vuleers- of Slapershaven (zie achterstaand plan 
der stad van 1650, afb. N°. 126). 



236 HAVENSTEDEN. — OUD-HOORN. - - OUD-ROTTERDAM. 

Omstreeks het jaar 1600 werden de Roffelhaven en de oude 
Nieuwe Haven gegraven en in 1608 van wege de groote aanmaak 
van veel nieuwere schepen besloten, aan den zeekant achter een 
daartoe aan te leggen wierdijk nog een Nieuwe Haven aan te leggen, 
na wier voltooiing de stad nu bijna geheel met havens was omsloten, 
te zamen bijna haar drievoud van haar oppervlak beslaande, havens, 
door binnengrachten bijna alle met elkaar in verband staande. 

Met de afname der haringvangst en vooral door de oorlogen met 
Frankrijk en Engeland in het laatst der XVII de eeuw, kwam haar 
bloei tot stilstand en tijdens het Fransche bestuur begon haar snelle 
achteruitgang, zoodat er toen binnen één jaar tijds, in 1811, niet 
minder dan 200 huizen werden gesloopt om niet herbouwd te worden. 
Het midden der XVIl de eeuw was haar bloeitijd, toen lagen er in 
haar havens jaarlijksch veelal een 200 tot 300 of zelfs meer schepen te 
overwinteren, doch de handel verplaatste en wijzigde zich, kreeg andere 
behoeften, en concentreerde zich allengs in enkele weinige centra en 
daarmede was haar voornaamste bestaansbron vervallen, en „van eene 
rijke zeestad bewoont met treffelijcke Cooplieden, treffelijken handel 
drijvende soo ten Oosten als ten Westen," is zij veranderd in eene stille 
provinciestad, die nauwelijks meer de schaduw is van haar verleden. 

Oud-Rotterdam. 

Rotterdam, aanvankelijk slechts een visschcrsgehuchtje aan de 
aanslibbingen van het riviertje de Rotte in de Maas, ontwikkelde zich, 
na de bedijking der Maas en de afdamming der Rotte, spoedig tot 
een dorpje met den mond dier rivier tot haven, beschermd door het 
aan die rivier gelegen kasteel Wena, en door het op de zandplaten 
der Maas gelegen kasteel Bulgersteijn, 

In 1442 eerst wist dit dorpje stadsrecht te verkrijgen alsmede 
vergunning eene vaart te mogen graven, langs Overschie naar 
Delft, eene vaart, die echter eerst in 1380 beteekenis kreeg, toen 
de dam met den overtoom bij Overschie daaruit verdween en het 
eene open vaart werd. 

De stad van nu af betrokken in het binnenlandsch scheepsverkeer, 
zag zich dra verplicht tusschen de slibbanken in de Maas eene buiten- 
haven te graven, haar latere Oude Haven, groot 2 hectaren. Op 
9 April 1572 door de Spanjaarden onder van Bossu overrompeld en 
bezet, werden hare beide kasteelen, waarop de beangste bewoners waren 
gevlucht, genomen, gesloopt en de daarop zijndcn vermoord; na het 



HAVENSTEDEN. 



OUD-ROTTERDAM. 



237 




vertrek dier Spanjaarden wist de stad zich echter spoedig te herstellen, 
en in tegenstelling met Amsterdam, dat ter wille van haar handel 
zoo lang mogelijk de Spaansche zijde hield, de partij der Geuzen 



238 



HAVENSTEDEN. - - OUD-ROTTERDAM. 



houdende, werd zij nu dezer voornaamste havenplaats, alwaar „de 
Coopvaerders uyt Oosten en Westen arriveerden, soo dat de stadt 
in allen hoccken voltimmert werdt met seer groote huysen, tot 
gherief van den Coopman, om hare waren te mogen oplegghen." 

Na den val van Antwerpen en den teruggang van Brugge 
kwamen vele rijke kooplieden van daar, zich nu hier vestigen, met 
dat gevolg, dat zij dra werd „de Coopstadt van Zuidthollant," die 
zelfs haar oude vesten moest afbreken, om de noodige havens te 
kunnen maken, ten einde „het groot ghetal Hulcken, Raseplcn, Haring- 
en Boots-Buyssen daar thuys behoorende te kunnen bergen" en zoo 
ontstond nu de Blaak, lang 135 M. groot 0.75 hectare en de Nieuwe 
haven lang 500 M., groot ± 2 hectare. 

In 1509 werd vervolgens het Haringvliet gegraven, lang 
400 M., groot 2.4 heet. (zie het historisch plan der stad, afb. N°. 128), 
daarna de Leuve, zijnde een kleine kreek in de rivieraanslibbing, 
verbreed en verdiept tot een haven lang 860 M., groot 5.65 hectare 
en het Boeren- en Buyssengat gegraven, te zamen lang 1150M., 
groot 4.5 hectare en vóór het jaar 1623 mede nog de Wijn ha ven, 
lang 600 M., groot 2.7 hectare, alsook de Scheepmakershaven, 
lang 790 M., groot 3.5 hectare, want de stad was nu tevens een 
centrum geworden van scheepsreederijen en scheepsmakerijen. 

De acht havens bovengenoemd, besloegen in 1626, behalve de 
Rotte, reeds een totaal oppervlak van ruim 24 hectaren, alle omzet 
met ruime kaden en opslagplaatsen, terwijl langs de rivier de Maas 
in 1609 een breede beboomdc kade, de Boompjeskade, lang 060 M., 
was aangelegd. De Binnen- of Steyghersgracht verbond al die havens 
onderling, bij hare kruising met de Rotte over eene lengte van 
80 M. overwelfd, een verwulft, onder toezicht van Erasmus wiens 
houten standbeeld aldaar in het jaar 1540 was opgericht, tot markt- 
plein dienend. 

De stad had zich zoodoende, zooals uit haar plattegrond duidelijk 
blijkt, in 45 jaar tijds, van af 1582 tot 1623, in oppervlak verdubbeld- 
In de jaren 1623 tot 1850 bleef haar haventoestand bijna onver- 
anderd, alleen werden de Zalmhaven, lang 300 M., groot 3.6 hectare 
en de beide Veerhavens daaraan nog toegevoegd; haar grootste 
bloei toch was langzamerhand tot stilstand gekomen en met den terug- 
gang van den handel in de XVIII de eeuw, volgde ook voor haar een 
tijd van teruggang, tot met de ontwikkeling van de stoom vaart en 
van het spoorwegverkeer zich in de tweede helft der XIX de eeuw, 



r 




D.D. PR^ETORI, CONSVL1 

et ton Senatui Rcipublicz II 

2Ï—U Ct*j2ttti urhu uittlmn 
T)*y* TtljmLJu* \- . ( . | rJ 



Afb N°. 126. De Havenstad Hoorn, ten jare 




1650. Plattegrond uit J. Bleau's Steden-Atlas. 



HAVENSTEDEN. — OUD-ROTTERDAM. 239 



dank zij het vooruitziende bestuur en de begaafde technische krachten, 
waarover zij toen beschikte, zich eene nieuwe, veel grootere bloei- 
periode voor haar als havenstad zou openen. 

De stoomvaart eischte in de eerste plaats meerderen diepgang dan 
de Maasmond in het Kanaal van Voorne aanbood, vandaar dat bij dezelfde 
wet van 1863 welke Amsterdam begiftigde met het Noordzeekanaal, 
werd besloten Rotterdam een Nieuwen Waterweg naar zee te geven, 
welke bij gemiddelde volzee een diepgang zou bezitten van 7 M. 

Die Waterweg kwam echter in de jaren 1863 — '77 niet verder dan 
tot 5.8 M. diepgang; eerst nadat het werk in 1880 gestaakt, in 1881 
overeenkomstig de voorstellen eener daartoe benoemde Commissie van 
deskundigen was voortgezet, werd in 1887 de vereischte diepgang van 
7 M. bereikt en sedert behouden; aan dien Waterweg, is alles inbe- 
grepen, niet minder dan een 50 millioen gulden besteed. 

Inmiddels was eene verbinding van het Spoorwegnet met haar 
havens tot stand gekomen, hadden de Rijnschepen eene lengte bereikt 
van 100 M. bij 12 M. breedte en kregen de stoomschepen steeds grootere 
afmetingen, zoodat o. m. nu het stoomschip Nieuw-Amsterdam, bij 183 M. 
lengte en 21 M. breedte, een laadvermogen heeft van 17.300 ton. 

Met bijna koortsachtige haast was de stad dan ook voortdurend bezig 
om haar havens en kaden uit te breiden en zich te vergrooten , geheele 
naburige gemeenten: Charlois, Delftshaven, Ka ten d recht en 
Kralingen, daarbij geheel of ten deele in zich opnemende. 

Achtereenvolgens zien wij haar nu graven en in gebruik nemen de 
Spoor weghaven, lang 1100 M., groot 12.6 heet.; de Entrepot- 
haven lang 200 M., groot 1.2 heet.; de Binnenhaven lang 1000 M., 
groot 8 heet.; de Parkhaven, lang 480 M., groot 5.4 heet.; de Sint- 
Jacobshaven lang 350 M., groot 3.5 heet.; de Schiehaven lang 610 M. 
groot 6.6 heet.; de Schiemond en de Midden kom te zamen lang 
740 M., groot 3.5 heet.; de Voor- en Achterhaven en de Buizcn- 
waal, zijnde de drie havens van D e 1 f s h a v e n , te zamen groot 3.5 heet. ; 
de Nassauhaven, lang 600 M., groot 4.2 heet.; de Rij n haven, bestemd 
voor de groote scheepvaart, groot 30 heet.; de beide Katendrecht- 
sche havens, te zamen groot 5 heet; de Dokhaven lang 320 M., groot 
4.8 heet. ; de S i n t-J o r i s-, de Petroleum- en de Kortenoordsche 
haven, te zamen groot 4.25 heet.; de Maashaven volgde in 1905 ter 
grootte van 58 heet. en de Schiehaven in 1908, groot 6.6 heet. 

Al deze havens te zamen beslaan, behalve de rivier en de 
Koningshaven, een oppervlak van ruim 180 hectare, met een 



240 



HAVENSTEDEN. — OUD-ROTTERDAM. 




Afb. N°. 129. Spiegel van het schip de Rotterdam, van de admiraliteit van Rotterda 



40.000 strekkende M. kaden en opslagplaatsen, en hebben de stad 
een 60 — 70 millioen gulden gekost. 

Daarmede nog niet tevreden en voor de naaste toekomst nog 
meerdere ruimte tot scheeps-berging en voor laden en lossen noodig 
achtend, werd bij Gemeenteraadsbesluit van 7 Juni 1907 besloten tot 
het maken eener nieuwe haven, de Waalhaven, ter grootte van 300 



HAVENSTEDEN. 



OUD-ROTTERDAM. 



241 



hectare, zoodat is deze voltooid, Rotterdam dan in 't geheel een 
480 hectare haven-oppervlak bezit. 

Het aantal zeeschepen, dat hare havens aandeed, bedroeg in 1906 
8570 met ruim 25 millioen M 3 ladingsruimte en het aantal binnen- 
schepen dat jaar ± 140.000 met 22.5 millioen M 3 laadvermogen'); is 
de Waalhaven gereed, dan is er echter plaats voor eene twee- of 
drievoudige hoeveelheid. 

Ik heb met opzet de buitengewone naven-ontwikkeling dezer stad 
wat uitvoeriger en in cijfers behandeld, om te duidelijker te doen 
uitkomen wat een Havenstad in het wereldverkeer nu beteekent, 
welke enorme, goed gelegene wateroppervlakten, berekend voor 
schepen van grooten diepgang en buitengewone lengte daarvoor nu 
beschikbaar moeten zijn, alle door kaden omzet, per spoor en per 
wagen bereikbaar, alle voorzien van doelmatige, snel werkende 
hijsen-, laad- en losin richtingen , en alles bij avond en nacht zóó 
belicht, dat de arbeid ongehinderd desvereischt steeds kan doorgaan. 

Inderdaad alle omstandigheden, zoowel wat de ligging ten opzichte 
der zee, als de ligging aan eene groote steeds open rivier betreft, 




Afb. N". 130. De Havenstad Vlaardingen. Anno 1665. 

alle factoren, zoowel terreins- als linanciccle, alle krachten, zoowel 
technische- als overheidskrachten, zij alle moeten ten volle aanwezig- 
zijn en samenwerken, om, daarbij krachtig gesteund door Gewest en 
Staat, eene stad in staat te stellen in het bezit van een haventoestand 
te kunnen komen en te blijven, als de wereldhandel nu vraagt. 

Welke waarde de concentratie van een deel van die wereldhandel 
voor Rotterdam heeft, blijkt o. m. uit hare enorme toename in be- 
volking, zijnde gedurende de laatste tien jaren gemiddeld 20,000 inwoners 
per jaar, doch blijkt nog meer uit haar kunnen en durven, waarbij 

] ) Cijfers ontleend aan „de Haven van Rotterdam", door H. A. van IJsselsteijn. 
I. 3i 



242 



HAVENSTEDEN. 



Overs 
kunnen 



te gelijker tijd haar financieele draag- 
kracht niet uit het oog werd verloren. 
Welke waarde Rotterdam als 
wereldhaven bovendien heeft voor 
de economische ontwikkeling van 
ons land, dit vraagstuk laat ik 
gaarne ter beantwoording aan meer 
bevoegden over. 



Werd voorheen het bezit van een 
g Colck, groot 70 bij 110 M., voor eene 
t stad als Arnhem of Nijmegen, 
g in het midden der XVII de eeuw, een 

•o 

| alleszins voldoende haven geacht, 

«> thans kan zoo'n Colck niet eens 

.5 meer één enkel schip als de Nieuw- 

« Amsterdam bergen , daar de Rijn en 

.2 de Waal voor zulke stoomreuzen geen 

- voldoenden diepgang bezitten, komt 

Q gelukkig geen tweede Nederlandsche 

1 stad in de verzoeking op dit terrein 

"E. 

i concurrente te worden. 
> 

•= Alvorens het haventerrein voor 
Q goed te verlaten, zijn er twee plaat- 
2? sen, die nog in het bijzonder eenigc 
z vermelding verdienen: Delftsha- 
£ v e n en B 1 o k z ij 1 , welke beiden uit- 
sluitend aan het graven eener haven 
haar ontstaan en opkomst danken. 

Delftshaven. 

Den 8 sten September van het jaar 
1389 verkreeg de stad Delft, op 
haar verzoek, van den Graai ver- 
gunning zich een vaart en eene 
haven te mogen graven tussen en 
chie en de Maas, ten einde beter en sneller haar koopwaren te 
vervoeren, eene vaart te gelijker tijd van bijzondere voorrechten 





m 






■ 
■ 



WH 






'Lxjfêïi 



v S 



as 









r i~ > 



ivi/- 



KT 






3. _B INNEN-HAVEN. * C,ROOT 

Z.BLAAKL- 

S.ÜOERENqAT 

H^ (ACHTER-HAVEN 

5. DELf3HAVEN<MIDDENKOUi 

6 (yooiVHAVEN 

Z. D(3K-HAV£N 

8 e.ntrepot-haven 
9. c[roenendaal 
jo. Haringvliet 

33.3'KaTENDRECHTÓCHE-HAVEN 
31. 2KATENDRECHT:>CHIHAVEN 

3i Klei ne veerhaven 
y<. Kolk 

15 KüNINqS-HAVEN 

36. KoRTLNOOT\D3CML-HAVLN 

3T Leuvehaven 
38. Maashaven 
39 nas'sau-haven 

20. NltUWEHAVLN 

23 OuDEHAVEN 

o.. Park-h avln 

is PeRSOONSHAVEN 

24 PETROLEUMHAVEN 



8._ HA38T9 
-Qftt — 3382. 

i 3859. 

XH — 

5 535 

3 55 

*.8 

4.X 38t9. 

53 3599 . 

Ü.6 3599 . 

3.89 389*1 . 

5 385 _ 3896 

308_ Jflö*» . 

0<i55_ 3582. 

38 68 . 

2 58 _ 
5 655 3625 . 

58 J905 . 

U _ 3890. 
)85_ 3599. 

3 89 _ 358*. 
5 H — 3908 
5 92 _ 3890. 
099 — 



2T ÓCHIE-HAVEN CROOT. 66 HA 3908 

28. tlROOftWEq-HAVEN 12 65 18X5. 

29. 6TEiqLTO-C l 'RAC HT 0.185_158I. 



EENTE 



30 f)T JANS-HAVEN 
33 ÓxJoiü HAVEN 
32 VeETHHAVEN 

53 Waal-haven 
34. w'jn haven 
55. Zalm-haven 
totaal haven. 

ORPERVL/MSTt IN 3909 



0.T5_ 

3 50 — 3908. 

tM 3851. 

■50Ü 

i.X 162 5. 

5.6 _ 3859. 





Afb. N n . 128. De Havensti 




LATTEqROND vakRoTTERDAM 



ad Rotterdam. Anno 1909. 



246 HAVENSTEDEN. — BLOKZIJL. 

koste ontwikkelde zich nu Rotterdam, dut allengs de beteekenis 
kreeg, welke aanvankelijk voor Delft weggelegd was. 

En Delftshaven? 

Het bleef wat het was, het stiefkind van Delft, in haar groei 
belemmerd, trots haar gunstige ligging en haar doelmatige havens, 
tot zij in 1866 met heur havens bij Rotterdam werd ingelijfd (zie 
afb. N°. 128) en ophield als zelfstandige gemeente, als stad te bestaan, 
hetgeen zij trouwens eerst bij kon. besl. van 31 Juli 1825 geworden was. 

Hadden die van Del ft in 1536 een breederen en dieperen kijk gehad 
in de toekomst, en wat meer gedurfd ook, de geschiedenis van Delft 
en Rotterdam ware hoogst waarschijnlijk eene andere geworden. 

De havenstad Blokzijl. 

Daar de Steenwijker Aa de eenigste hoogst bekrompen weg 
Zuiderzeewaarts was voor een groot gedeelte van Overijsel, werd 
door het betrokken schoutambt, na daartoe verkregen toestemming, 
vanaf het gehucht Muggebeet een kanaal gegraven zeewaarts en 
de Groote Zijl met een schutsluis afgesloten. Vanwege de drukke 
scheepvaart ontwikkelde zich bij dien zijl reeds spoedig eene 
kleine buurt van visschers, schippers en enkele neringdoenden, en 
het waren deze kleine luitjes, welke + A°. 1500 op aandrang 
van Joan de Ligne, Graaf van Aremberg en stadhouder van 
Groningen, Friesland en Overijsel, en door dezen zoowel financieel 
als technisch gesteund, zich nu een haven maakten, en rond die haven 
als middelpunt, hunne woningen bouwden en hunne plaats aanlegden. 

Deze plaats nam weldra zóó toe in welvaart, dat de Staten van 
het gewest in 1580 besloten haar te omwallen en te omgrachten en 
van bastions te voorzien, als toen veranderde haar naam van 
Grooten Zijl, in dien van den bevestigden Zijl, en eindelijk in dien 
van Blokzijl. 

Binnen een eeuw bezat Blokzijl reeds honderd eigen karveel- 
schepen en ontwikkelde zij zich tot een destijds zeer belangrijke 
havenplaats, tot een vlek, dat omstreeks 1755 den plattegrondsvorm 
had op bijgaande afb. N". 133 voorgesteld. 

Uit dien plattegrond blijkt op het duidelijkst, hoe zij rond haar 
haven, die ongeveer een derde van haar totaal oppervlak inneemt en 
waarop bijna al haar straten uitloopen, is gegroeid en aangelegd en 
daardoor is geworden en gelukkig gebleven ook, een onzer meest 
typische, meest karakteristieke havenplaatsjes. 



HAVENSTEDEN. 



HELLE VOETSLUIS. 



247 



Dokken. 

Met hun toename in afmeting en aantal, nam vooral voor de zee- 
schepen, blootgesteld aan averij als zij waren, de behoefte toe deze 
naar eisen te kunnen onderzoeken en te kunnen herstellen in daartoe 
bepaaldelijk ingerichte en afgezonderde havengedeelten, in dokken 
of dokhavens. Vandaar dat reeds, van af de XVI de eeuw, in de 
havens, bij voorkeur door zeeschepen bezocht of waarin de gewestelijke 
oorlogsschepen, waaronder er waren als die voorgesteld op bijgaande afb. 
N°. 132, veeltijds ankerden, zoodanige dokken werden aangebracht. 

Het oudste dok, waarvan ik te onzent melding heb gevonden, is dat te 
Middelburg, in 1526 door Hardinx aangelegd ; vóórdien had het onder- 
zoek en herstel der schepen altijd plaats op de scheepstimmerwerven 
of scheepsmakerijen, die in grooter of kleiner getale dan ook bijna nooit 
misten in onze zee- en groote riviersteden. Reeds vóór het jaar 1715 
bezat V 1 i s s i n g e n ter wille der oorlogsvloot een droogdok, doch eerst 
met en door de stoompomp kwam dit op meerdere plaatsen in toepassing. 

Het groote voordeel van een zoodanig dok is, dat een schip het 
kan binnenvaren, waarna de schutdeuren worden gesloten, het dok, 




Afb. N°. 134. De dokplaats en vesting Hellevo etsluis, met hare ten jare 1696 
vernieuwde verdedigingswerken. 



248 DOKKEN. DE WELVAARTSFACTOREN. 



nadat het vaartuig eerst behoorlijk omstut is, wordt leeggepompt en 
het schip, na onderzocht en hersteld te zijn, het daarna met water 
gevulde dok weder uitvaart. 

Een goed beeld van een dok levert de vesting Helle voetsluis, 
(zie afb. N°. 134), oudtijds slechts een gehuchtje, ontstaan bij een 
uitwateringssluis, dat met goedvinden en hulp der Gewestelijke Staten 
in lö ( )8 zich een hoofd in het Haringvliet en daarna een haven en een 
grootere sluis maakte. In 1637 werd hier ten behoeve der provincie 
Zuid-Holland een dok gemaakt, waarbij in 1638 een fort werd aan- 
gelegd, waarna op voorstel van Gecommitteerde Raden den 23 Juli 
1652 werd besloten Heil e voetsluis, van wege haar dok vooral, tot 
eene vesting te maken, hetgeen zij tot nu toe gebleven is. 

Een entrepot-haven, alwaar de groothandel zijn voor uitvoer 
bestemde goederen, bij binnenlandsch verbruik echter met invoer- 
recht bezwaard, onder toezicht vrijelijk kan samenbrengen en opslaan, 
behoort nu mede tot een der onmisbaarheden van groote handels-, 
opslag- en havcnplaatsen, zooals Amsterdam en Rotterdam, 
terwijl voorheen ook in geen onzer haven- of scheepsstcden ontbraken 
de noodige lijnbanen, zeilmakerijen, pekziederijen en hetgeen er toen 
verder ter volledige scheepsuitrusting of voorziening noodig was '). 

* 
De welvaartsfaetoren. 

Terwijl de zorg voor eene Markt, als marktruimte, zich in hoofd- 
zaak bepaalde tot een goede ligging en voldoende afmeting, tot een 
vrij en veilig komen, zijn en gaan van de kooplieden met hun goederen 
en van de van heinde en verre komende bezoekers en tot enkele 
hallen, en later in het aanbrengen en onderhouden van bestrating en 
verlichting en van meerdere hallen allengs een deel der markttaak 
overnemend, was de zorg voor een Haven, van meet af een geheel 
andere, veel bezwarender, veel kostbaarder en trots die meerdere 
zorg toch in resultaat veel onzekerder. 

Al naar de zee of de rivier heur stroom een weinig van richting 
veranderde en deze zich meer op of van de haven richtte, werd zij 



') Een klein kijkje op het vroegere havenleven geven de gravures: ,,De 
Nederlandsche Zeehavens", omstreeks 1780 door D. de Jong naar het leven 
geteekend, door M. Sallieth gegraveerd en te Amsterdam bij P. IJver, J. Smit 
en F. W. Greeb uitgegeven, waarbij vele onzer havens zijn afgebeeld. 



DE WELVAARTSFACTOREN. 249 

dieper of ondieper, kwam er gevaar voor overstrooming en vernieling", 
gevaar voor verzanding of verlanding en namen in beide gevallen, 
de zorg en de moeilijkheden toe. Zorgen en moeilijkheden nog ver- 
groot niet weinig naarmate de scheepsbouw grootere en dieper gaande 
schepen in de vaart bracht, tot zich eindelijk met en door de st oom- 
vaart het geheele scheepvaartverkeer wijzigde en onze havensteden, 
voor geheel nieuwe, voor vroeger ongekende vraagstukken en eischen 
kwamen te staan, eischen straks van zoodanige beteekenis en 
omvang, dat nog slechts een enkele haven, over een maximum van 
gunstige omstandigheden beschikkend, daaraan onder voldoende en 
voortdurende medewerking en steun van het betrokken Gewest en 
van den Staat ten koste van ecnige tientallen millioenen kon voldoen. 

De groothandel van voorheen, ofschoon zich ook toen reeds 
concentreerend, was, zich nog bepalend tot Europa en tot een klein 
gedeelte wan het daarbij aangesloten oosten, van veel beperkter omvang 
en in de middeleeuwen verdeeld over meerdere centra: Brugge, 
Londen, L u b e c k , Y e n e t i ë , W h i s b y, enz. en voorts over ver- 
schillende steden voorzien van bijzondere privilegiën, als stapelrecht, enz. 

De voordeden van dien handel kwamen destijds dus aan eene 
veelheid van steden ten goede en, het vervoer per as nog uitzondering 
zijnde, behield elke waterweg, elke haven meer of minder hare 
beteekenis, terwijl nu door de spoorwegen, vele dier vroegere water- 
wegen en havens in bijna onbruikbaren toestand zijn geraakt, of, met 
GewesteKjken en Staatshulp in stand gehouden, nog slechts van 
plaatselijk belang zijn, of als nood- of vluchthavens dienen. 

Doch hoc onderscheiden van aard Markt en Haven ook mogen 
zijn, beide, danken zij toch haar zakelijke waarde, de voordeden 
die zij afwerpen, aan den handel en aan het verkeer die zij 
vergemakkelijken, bevorderen en elk op hare wijze ter wille zijn. 
Beider doel en streven, hoezeer in onderscheiden richting, is te zijn 
handels- en verkeerscentra, centra, die naarmate zij in beteekenis 
toenemen, meerderen bloei en meerdere welvaart om zich heen ver- 
spreiden en onwillekeurig alle takken van het menschelijk weten en 
kunnen tot hoogere inspanning, tot een beter weten, tot een meerder 
kunnen brengen, zoodat diezelfde markt- en havensteden in haar bloei- 
perioden, dan ook niet zelden tevens centra van kunst en weten- 
schap, tevens middelpunten van beschaving waren. 

Na de verdedigingswerken, de ommuring en omgrachting, den 
veiligheidsfactor, behoorden de Markt en de Haven, clan ook tot 

I. 3* 



250 DE VERKEERSF ACTOREN. 



de meest beteekenisvolle factoren eener stad, het waren haar wc 
vaartsfactoren, en zij zijn dat nog steeds. 



Tot de volgende, tot de kleinere, tot de verk eersfactoren eener 
stad behooren : haar binnengrachten, haar straten, haar pleinen. 

De verkeers factoren. 

De binnengrachten. 

De buurt, het dorp, de daaruit ontstane jonge stad, had, was zij 
gelegen aan de uitmonding eener kleine in cenc grootere rivier, al 
direct in die kleine, haar meestal over de volle lengte doorloopende 
rivier, haar binnengracht. 

Hetgeen de Amstel bij hare uitmonding in het IJ was voor 
Amsterdam, dat was de Linge bij hare uitmonding in de Waal 
voor Gorinchem, dat was de Gouwe vóór hare uitmonding in 
den IJsel voor Gouda, dat waren de Rotte en de Schie bij hare 
uitmonding in de Maas voor Rotterdam en Schiedam. 

Door sluizen en waterpoorten niet zelden afgesloten, veranderde 
het de steden doorloopende rivicrgedeeltc in door de natuur zelve 
gegraven b i n n e n grachten . 

En de vele grootere en kleinere waterloopen en sloten daarin 
uitloopcnde, voorzooveel zij behoorden tot de gronden, die bezet met 
hofsteden of woonhutten bij de omvcsting eener stad binnen de ommu- 
ring werden opgenomen, vormden, waar zij behouden bleven en allengs 
verbreed en verdiept werden, de overige binnengrachten. 

Ook in de steden, niet aan de uitmond ing, maar langs 
den loop eener rivier ontstaan, zooals Delft aan de Schie, zooals 
Haarlem aan het Spa a me, zooals Leiden en Utrecht aan den 
R ij n , zooals S c h o o nhoven aan de Lek, enz. , vormden de op die 
rivieren uitloopcnde watergangen, oorspronkelijk groote perceelen 
lands scheidend of deze tot waterloozing dienend, waar zij binnen 
de veste werden opgenomen en behouden bleven, daarin de eerste 
binnengrachten. Eerst behalve erfscheidingen tevens toegangswegen, 
werden zij verbreed en verdiept en later in bevaarbare aansluiting 
gebracht met de rivier en met de omgrachting, de verkeers- of trans- 
portwegen, en een zeer gewaardeerde en bijna zelfs onmisbare factor 
in die oude handels- en bedrij fssteden, waarin alle vervoer nog bijna 
uitsluitend per schuit plaats had. 



BINNENGRACHTEN ALS VERVOERWEGEN. 251 



Geen wonder dan ook, dat elke stad waarbinnen eenig bedrijfs- 
leven, eenige handel was, en wier ligging zulks toeliet, de grootere of 
kleinere waterwegen die zij van nature bezat, behield, benutte, 
verbeterde en nog vermeerderde door gegraven grachten, opdat de 
schepen met hun waren, zoo mogelijk bij elk koop-, bij elk bedrijfs- 
man vóór of achter diens huis konden komen laden of lossen. 

Van Gouda goldt het nog in het midden der XVIII de eeuw als 
iets bijzonder gunstigs, dat daar binnen bijna geen enkel huis 
van eenige beteekenis was, of het had, hetzij vóór of achter 't eigen 
erf, een gracht, in verbinding met de Gouwe en door deze met den 
IJsel. Ditzelfde had men destijds trouwens nog van menig andere stad 
kunnen getuigen, o. a. van Alkmaar, Delft, Leiden, Sn eek, enz. 
en mede van Amsterdam en Rotterdam. 

Met den teruggang van den handel en het verdwijnen van tal 
van vroeger welvarende bedrijven, verdwenen echter op den duur 
in vele steden tal van die kleine tusschen- of d warsgrachtjes om te 
veranderen in huiserven of in dwarsstraten, en toen tegen het midden 
der XIX de eeuw, het dempen van binnengrachten een epidemische 
ziekte geworden was, verdwenen zij bijna allerwegen, zoodat wij ons 
nu, bijna niet meer kunnen voorstellen welk eene waarde, welk eene 
beteekenis het bezit van een goed bevaarbaar netwerk van binnen- 
grachten in en voor onze steden oudtijds inderdaad had. 

De stad Delft dankt haar naam waarschijnlijk aan een zijtakje van 
of aan een breeden waterloop naar de Schie, die, door de daar langs 
ontstane visschersbuurt, misschien reeds in of vóór de X de eeuw ver- 
graven en in loop veranderd en verbreed, den naam van Delft 
kreeg, een naam, later overgaan op de buurt of plaats zelve, terwijl 
de gewezen waterloop „de Gracht/' later ter onderscheiding met eene 
jongere, de „Oude Gracht" werd genoemd '). 

Toen in de handelsstad Utrecht tegen het midden der XI de eeuw 
reeds, de Rijnarm waaraan zij gelegen is ondieper en minder 
bevaarbaar begon te worden, werd haar westelijke burchtgracht zuid- 
waarts door eene binnengracht tot in de ommuringsgracht doorgetrokken 
(zie afb. N". 18), alstoen in het oostelijk stadsgedeelte in 1127, de 
Nieuwe, doch na het graven eener tweede binnengracht in 1393, de 



x ) Middclburg's hoofdstraat heet „de Lange Delft", zijnde hare XIII de - 
eeuwsche zuidelijke vestinggracht; in Stavoren heet de binnengracht, welke 
de veste dier oude stad over de volk' Lengte doorloopt, mede „de Delft". 



252 BINNENG kW CHTEN. 



Oude Gracht genoemd, welke benaming van Nieuwe Gracht, het 
vóórdien bestaan eener oudere, eener vóór 1127 reeds gegravene 
binnengracht doet veronderstellen. Die Nieuwe Gracht, ten jare 1148 
noordwaarts verlengd en doorgetrokken tot in de rivier de Vecht, 
doorliep toen de stad over hare volle lengte en werd de kern eener 
vóórstad, der reeds vroegtijdig „Bemuerde Weerdt", welke zich benoor- 
den de oude stad vormde. 

De oude Delft of oude gracht in Delft en de oude gracht in 
Utrecht, behooren beide waarschijnlijk tot de oudste en grootste 
grachten ter wille van handel en bedrijf binnen onze steden gegraven, 
en zekerlijk zouden ook andere handels- en bedrij fssteden dat voor- 
beeld gevolgd hebben, ware zulks in onze middeleeuwsche steden 
nog doenbaar geweest. 

Daartoe ontbrak daarbinnen echter de noodigc ruimte; haar toch 
reeds zeer nauwe straten nog door eene gracht te versmallen, dat ging- 
niet, en in die kleine steden, waarin, zoodra handel en bedrijf tot 
eenigen bloei kwamen, vrij spoedig woonruimte te kort kwam, ter wille 
van het verkeer en vervoer huiserven voor een binnengracht op 
te offeren, dat ging nog minder, en van daar, dat het meerendeel 
harer, eerst later, bij uitleg, in het bezit eener toen zóó gewenschte 
binnengracht kwam. 

Vestinggrachten veranderen in binnengrachten. 

Bij den uitleg eener stad werd de vestinggracht, voor zooveel zij 
alsdan als zoodanig verviel, zelden gedempt, doch integendeel benut 
en haar ommuring of omwalling dan vervangen door los- of opslag- 
kaden, waardoor men een zeer ruime binnengracht verkreeg, niet 
zelden ten deele of geheel tevens tot haven ingericht. Juist door den 
overgang dier oude vestinggrachten in binnengrachten, spreekt thans 
nog uit menig stadsplan op het duidelijkst de geleidelijke groei, de 
achtereenvolgende vergrooting of uitleg der betrokken stad. 

Op den plattegrond van Zwolle van 4 A°. 1580 (afb. N°. 16), 
zien wij de oude binnengracht, ter wille der Markt voor een groot 
deel overkluisd, met 3 breede boogbruggen overdekt en daardoor voor 
doorvaart van groote vaartuigen vrij bezwarend gemaakt, terwijl het 
ronde beloop harer noordelijke binnengracht duidelijk toont, dat zij 
voorheen een vestinggracht moet zijn geweest en de stad zich aan die 
zijde dus kringvormig heeft uitgebreid, terwijl uit den plattegrond van 



BINNENGRACHTEN. — OUD-AMSTERDAM. 253 



Amersfoort (afb. N°. 14) blijkt, hoe de vroegere of eerste vestinggracht 
door en bij haar uitleg in oén cingelvormige binnengracht is veranderd. 

Oud- Amsterdam. 

Op het eigenaardigst, op 't sprekendst komt die verandering van 
gewezen vesting- in binnengrachten uit in den plattegrond van 
Amsterdam. 

Op het plan dier stad van Anno 1536 (afb. N°. 21) zien wij het 
Damrak, de monding van den Amstel in het IJ, en verder nog slechts 
twee straten van eenige beteekenis, de Kal verstraat, met haar verlengde 
den Nieuwen Dijk en de Warmoesstraat, de overige verkeerswegen, 
het zijn alle binnengrachten, ontstaan bij de opvolgende uitbreidingen. 

Beoosten langs de Oude Kerk loopt de Oude Zijds Voorburgwal, 
die tot in de tweede helft der XIV de eeuw de oostzijde der stad als 
gracht met een wal en eenige torens afsloot en beschermde, en nadat 
in 1380 — '84 de Oude Zijds Achterburgwal was gegraven en die bescher- 
mingstaak had overgenomen, in een binnengracht veranderde. Evenzoo 
droeg de Nieuwe Zijds Voorburgwal aan de westzijde, enkele jaren 
later haar beveiligingstaak over aan den Nieuwen Zijds Achterburgwal, 
om mede in een binnengracht te veranderen. 

En toen omstreeks 1433 de Kloveniersburgwal en de Geldersche 
Kaai oostwaarts en in de jaren 1450 — '54 de Cingel westwaarts waren 
gegraven en de verdediging der stad hadden overgenomen, verander- 
den op hunne beurt die Oude en die Nieuwe Zijds Achterburgwal 
beide in binnengrachten met huizen ter weerszijden omzet. 

Het plan van 1536 toont ons Amsterdam met hare in 1482- -'87 
langs dien Kloveniersburgwal en Cingel gebouwde ommuring, met 
hare nieuwe poorten en met hare muurtorens, en tegelijkertijd met hare 
vijf breede binnengrachten, alle op het Y uitloopend en bij het Spui 
in onderlinge verbinding staande. 

Op den historischen plattegrond (afb. N°, 41) ziet men hoe bij de 
beide eerstvolgende uitbreidingen, in de jaren 1585 — 1593, ook de 
Cingel en de Kloveniersburgwal, en, na de groote uitbreiding van 
A°. 1()12 — 4658 ook de Oude Schans en de Heerengracht van vesting- 
in binnengrachten veranderd zijn. 

Tevens werden bij laatstbedoelde uitbreiding, ten behoeve van den 
handel, behalve de beide omloopende hoofdgrachten, de Keizers- en de 
Prinsengracht, mede nog tal van dwarsgrachten gegraven: de Bloem- 
gracht, de Brouwersgracht, de Egelantiersgracht, de Elandsgracht, de 



254 BINNENGRACHTEN. 



Groeneburgwal, de Lauriergracht, de Leidsche gracht, de Leliegracht, 
de Lindengracht, de Loojersgracht, de Palmgracht, de Reguliersgracht, 
de Rozengracht, de Vijzelgracht, enz., alle met de hoofdgrachten en 
door deze met IJ en Amstcl en tevens onderling in verbinding staande, 
zoodat de handel, door de geheele stad beschikkend over bekwame 
waterwegen, voor de plaatsing van kantoren, pakhuizen en opslag- 
plaatsen meer dan volop ruimte en keuze had. 

Eerst tegen het einde der XVI de en met het begin der XVII de 
eeuw, schijnt men het nut en belang der binnengrachten voor het 
vervoer en verkeer binnen onze steden bijna overal ten volle te hebben 
ingezien, ofschoon men reeds vroeger haar zakelijke waarde voor 
enkele bedrijven had begrepen; van nu af voorziet zich dan ook elke 
stad, wier ligging zulks toeliet, bij haren uitleg van een grooter of 
kleiner aantal binnengrachten aansluitend op hare vestinggrachten en 
op haar rivier of vaarten. 

Zoo deden althans o. m. A 1 k m a a r, 1 ) elft, 's-G r a venhn g e , 
Haarlem, Leeuwarden, Leiden, S n e e k , enz. en vinden wij in 
die en andere steden nu, een Bleekers- en een Brouwersgracht, een 
Loojers- en een Raamgracht, een Verwers-, Volders- en een Scheep- 
makersgracht, alsook Zout/ieders, Turf- en 1 loutgrachten, of hoe zij 
verder alle destijds mochten heeten. 

In de steden waar het Brouwersbedrij f inzonderheid biocide en een 
bron van welvaart was, zooals in Delft, Gouda, Groningen, 
Haarlem, werd van overheidswege buitengewone zorg gedragen 
tegen verontreiniging van het water in hare grachten, welk water 
toen door de brouwerijen werd gebruikt. 

Die van Delft hadden „keuren op haer wateren, om die schoon, 
klaer ende soet te houden, waardoor men in deselve, op groote boete, 
gheen vuvlighevdt noch zeepsop er mocht ingieten, waertoe vlot- 
schuyten syn verordent die deselve dat vuil door de heele Stadt ver- 
gaderen ende wech voeren; want, soo wie de neeringhe heeft, 
deselve oock moet waer nemen''. 

1 )ie binnen grachten , meesttijds ter weerzijden voorzien van breede 
opslagplaatsen en beplant met linde- of iepeboomen, hadden in die dicht 
bebouwde, hoog omwalde steden met heur meerendeels nauwe straten 
een gezondheidstaak mede, het waren heur groote lucht- of ademhalings- 



BINNENGR ACHTEN. 255 



kanalen, terwijl zij door heur bedrijvigheid, als centra van het scheeps- 
en handelsverkeer en door heur »breetheyt ende lustigheyt" veel 
aantrekkelijks tevens hadden , en dan ook bijna overal tot de beste 
woon- en zaakstanden gerekend werden. 

Eenvoudige boogbruggen met gemetselde schutmuren tot borst- 
wering, zooals er in Brugge nog vele zijn, verbonden ter plaatse 
der voornaamste dwarsstraten de overstaande grachtzijden, alléén 
daar, waar het scheepvaartverkeer zulks beslist vorderde, zien wij 
ophaalbruggen , en ook vroeg tijdig reeds bruggen met oesgaten, zijnde 
vaste bruggen, doch met een beweegbare middenklep van voldoende 
breedte om een scheepsmast met zijn touwwerk door te laten. 

Wil men weten wat die binnengrachten in en voor onze bedrijvigste 
XVH de -eeuwsche steden beteekenden, dan behoeft men slechts de vele 
gravures uit dien tijd te raadplegen; bijna het geheele vervoer van 
personen en goederen toch had toen nog per schip of per schuit plaats, 
en in tal van variëteiten, hoezeer alle bescheiden van afmeting, kon 
men toen in die grachten vinden, bootkins in allerlei benamingen en 
tal van schuiten, zoowel vracht- als jachtschuiten, zoowel barken als 
raveelen, zoowel hulken als zwelhalsen, zoowel buijssen als botters, 
zoowel pleiten als scouden, zoowel scarpoijsen als seijkens, terwijl de 
grootere schepen, de baerdsen, kraecken, cogghen, evers, galeijen, 
enz., in de buitenhavens bleven liggen. 

Al die binnengrachten bleven dan ook voortdurend, tot in het 
midden der XIX de eeuw, in eere en behoorden tot het beste, het 
vriendelijkste, het levendigste, het drukste en het meest afwissclendste 
en typische gedeelte onzer steden. Op den duur echter verondiept en 
verontreinigd en niet zelden bij wijze van open riool benut, door 
den handel verlaten, die voor zijn steeds grooter wordende en dieper 
gaande schepen eischen stelde, waarvoor zij nimmer berekend waren, 
werd ter kwader ure bijna overal het dempings-, het doodvonnis 
over haar uitgesproken en thans doet elke stad haar best om met 
veel kosten haar binnengrachten, het mooiste, het schilderachtigste, 
het karakteristiekste meestal wat zij heeft, te veranderen in doode 
straten of in stoffige pleinen. 

De straten. 

Terwijl de eerste woonbuurt meestal slechts bestond uit ééne 
enkele langsstraat, soms met eene daarop aansluitende dwarsstraat of 
deze als kruisstraat snijdend, en het dorp aanvankelijk mede slechts 



2f)6 DE STKATEN. 



uit diezelfde straten bestond, doch alleen iets langer en ééne of 
meer achterstraten had, of enkel bestond uit een groot ombouwd 
plein, een brink, waarop de landwaarts gaande wegen uitkwamen, 
onderging dat dorp, eene omveste stede geworden en dus beperkt 
in uitbreiding, bij toenemenden bloei en bij toename der bevolking 
allengs eene meer of minder groote verandering in indeeling en soms 
in plan-vorm, te ingrijpender, naarmate men zich langer binnen die 
beperkte ruimte behielp. 

De groote erven splitsten zich nu in kleinere, zij- en achterstraten 
openend, waarlangs op die kleine erven nu overal woningen werden 
gebouwd, dikwijls tot zelfs langs of tegen of in den stadsmuur; alle 
beschikbare ruimte bij kerk en marktplein verdwijnt, de kasteelheer 
zelfs staat een deel van zijn tuingronden en boomgaarden, of soms 
zijn buiten- of vóórhof af, en er ontstaat zoodoende een netwerk van 
smalle en nauwe straten met aaneengesloten huizenrijen bezet. 

Opvallend is het, hoe smal die huiservcn soms zijn, en zulks vooral in 
oude visschers- en schippersplaatsen, als: Amsterdam, Alkmaar, 
Deventer, Dordrecht, E d a m , E n k h u i z e n , Gouda, Hoorn, 
Kampen, Monnikendam, enz. 

Gewoon om aan boord alles in een zeer kleine ruimte bijeen te vinden, 
stelde men blijkbaar in die visschersplaatsen geen prijs op een huis met 
ruime afmetingen, terwijl daarentegen de woningen in landbouwplaatsen, 
meerendeels alle juist bijzonder ruim zijn en op groote erven staan. 

Aanvankelijk schijnt de Overheid zich al heel weinig met den 
aanleg van nieuwe straten en met de plaatsing der woningen in die 
straten te hebben bemoeid, het aan elk erf bezitter overlatend of en 
welk deel van zijn erf hij voor een woonbouw wilde afstaan en hoe 
hij daartoe toegang wilde verleenen, hetzij door middel van een slop, 
van een steeg of een straat; totdat herhaalde en in die stegen of smalle 
sloppen vooral hoogst moeielijk te blusschen branden, haar eindelijk 
verplichtten om in te grij pen , om eene minimum s t r a a t- 
breedte vast te stellen en om te zorgen, dat alle nieuwe straten, op 
haar beide einden een vrijen uitgang van voldoende breedte verkregen 
in de oude straten. 

Het vervoer per as binnen de steden destijds nog eene hooge 
uitzondering zijnde, had men toen geen hinder van rijtuigen, en was 
de handkar of kruiwagen vrijwel het eenigste vervoermiddel, dat af en 
toe doorgang vroeg; trouwens de straten of wegen waren toen nog 
bijna alle onbestraat, de Overheid bemoeide er zich feitelijk niet mee, 



DE STRAAT TEN DIENSTE DER AANWONENDEN. 



257 



alle zorg voor weg of straat aan de aanwonenden overlatend '), welke 
deze dan ook vrijwel beschouwden en gebruikten als hun eigendom. 

De straat ten dienste dep aanwonenden. 

Elk huis, elke kamer zelfs, eigende zich dan ook van die straat 
een flinke stoepruimte toe, deze benuttend, hetzij tot kelderingang , 
hetzij tot pot- 
kast, of deze 
tevens over- 
luifend en als 
uitstalplaats 
voor de zaak 

gebruikend 
en in elk geval 
ze bezettend 
met een paar 
vaste zitban- 
ken ter weers- 
zijden der 
deur. Zie afb. 
N°. 135. 

De smid, 
de karrema- 
ker, de kui- 
per, de tim- 
merman , de 
schilder, de 

wol verver, 
de slager, de 
beenhakker, 
de apotheker, 
enz., zij allen 
gebruikten , 
zoolang het jaargetijde zulks maar toeliet, niet enkel die stoep maar tevens 
bij voorkeur de open straat vóór het huis, voor het uitoefenen van hun 
bedrijf, wijl zij aldaar meer ruimte en vooral meer licht en meer vrijheid 




Afb. N". 135. 
Winkelhuizen met overluifelde potkasten, kelderingangen en zitbanken in Oud-D elft. 



') Alleen bij een te verwachten bezoek van den Vorst of Bisschop of Heer, 
liet de Overheid de groote iraten of kuilen door de aanwonenden met wat mest, 
rijshout, puin of stroo vullen. 

I. 33 



258 DE STRAAT TEN DIENSTE DER AANWONENDEN. 

van beweging hadden, als in de kleine voorhuizen, die hun tot werk- 
plaats dienden, zoodat de straat dikwijls zóó bezet en in gebruik 
genomen was, dat de karreman er met zijn krui- of handwagen niet 
door kon, en wel rechtsomkeert moest maken. 

De koopman benutte mede zijn stoep met aansluitend straatge- 
deelte tot tijdelijke opslagplaats en voor de verpakking van zijn 
goederen, trouwens bijna overal was dit het geval, de waschvrouw 
stond er met haar tobbe, en de schoenmaker zette er als het binnen 
begon te schemeren, nog een half uurtje zijn lappersarbeid voort; de 
slijper, de draaier, de messenmaker, zij allen riepen de straat te hulp 
voor de uitoefening van hun bedrijf, en waar het bedrijf geen stoep- 
ruimte vroeg, daar vond men, en dit niet enkel in de achterstraten, 
dikwijls een varkenshok of mestput vóór of tegen het huis. 

En toen de huizen, noodgedrongen, in de hoogte de ruimte 
moesten gaan zoeken die gelijkstraats te kostbaar geworden of niet 
meer te verkrijgen was, toen ontzag men zich volstrekt niet om die 
huizen naar de straatzijde, en waren het hoekhuizen, alsdan naar beide 
straatzijden bij elke verdieping één tot twee voet over te bouwen, en 
de reeds smalle straat daardoor van boven nog meer te versmallen. 

De straat behoorde toen feitelijk aan de daaraan wonenden, die dan 
ook uitsluitend voor haar onderhoud hadden te zorgen, hoezeer dit meestal 
slechts bestond, om, als de gaten en kuilen wat al te diep en gevaarlijk 
werden en zij daardoor bij slecht weer wat al te onbegaanbaar werd, haar 
met wat mest of stroo of eenige steenen weder begaanbaar te maken. 

Eerst vrij laat zijn de bewoners begonnen met een steenen voet- 
pad langs hun huizen en nog later met eene bestrating eerst slechts 
in het midden en vervolgens over de volle straatbreedte te laten 
leggen, met zich een steenstrate of steen wegh te doen maken, die, 
was zij van stadswege gelegd, uit eene extra belasting, het straatgeld, 
over de aanwonenden omgeslagen, werd bekostigd en onderhouden. 

Met die bestrating kwam nu echter ook van lieverlede het rijtuig en 
naarmate het gebruik daarvan binnenstads toenam, verminderde natuur- 
lijk de vrije uitoefening van het bedrijf op straat, verminderde eindelijk 
ook de voorsprong van de stoep en die van de luifel en van de potkast. 

Zoo heel spoedig had dit echter nog niet plaats, want ten 
behoeve der rijtuigen, der hessewagens, der huifkarren en korre- 
wagens, of hoe zij verder heeten mochten, was met opzet in vele 
steden bij de drukste poorten, de op die poort uitloopende hoofd- 



DE STRATEN. 259 



straat meer of min verbreed tot een wagenplein, in Groningen zelfs 
bij vier harcr poorten en bij ééne dezer de Radermarkt genoemd, alwaar 
die rijtuigen, waarmede men verder de stad niet mocht inrijden, dan 
alle werden uitgespannen. Dergelijke wagenpleinen had men te Amster- 
dam, bij de Nieuwe Sint-Anthonis- en bij de Heyligheweghspoort, te 
Franeker bij de Noorderpoort, te 'sGravenhage op het einde harer 
Wagenstraat, te Haarlem bij de Spaarnwouder- en de Kruiswegpoort, 
te Kampen bij de oude Veer- of Koornmarktspoort, te Leiden bij 
de Morschpoort, te Zwolle bij de Diezer- en Vischpoort, enz., enz. 

Dat in vele onzer oude stadsgedeelten, de straten werkelijk niet 
voor eenig rij tuig ver keer berekend waren, blijkt op het duidelijkst 
uit hare breedten; in Alkmaar hebben thans nog drie drukke 
winkelstraten, tusschen haar opgaande gevels slechts eene breedte, 
de Fniosen van 3.15 tot 4.20 M. , de Hekelstraat van 3.70 tot 
4 M. en de Ach ter dam van 4 M. ; in Amsterdam hebben de 
Kalverstraat, de Nieuwe dijk en de Warmoesstraat, de drie oudste 
straten dier overigens vrij jonge stad, slechts eene breedte van 6 — 7.50 M. ; 
Delft heeft slechts sloppen en straetgens, wat men er straten of 
markten noemt, zijn feitelijk grachten; in Deventer heeft de drukke 
Spijkerboorsteeg slechts eene breedte 2.50 tot 2.75 M., de kleine Over- 
straat van 4 tot 4.50 M. en de groote Voorstraat van gemiddeld 5 M. 

In Dordrecht zijn behalve de Voor- en de Wijnstraat, alle 
straten, doch vooral de zijstraten bijzonder smal, en mede is dit het 
geval met alle dwarsstraten in Kampen; in Rotterdam heeft de 
Hoogstraat slechts eene breedte van 6.50 M. en in Leiden is de 
straat, die in onderscheiding met alle overige de Breestraat genoemd 
wordt, gemiddeld niet breeder dan 9 M., slechts op een enkel gedeelte 
12 M. ; straatbreedten, voorheen niet weinig nog vernauwd, door de 
daarin alstoen ter weerszijden overgebouwde gevels en de naar voren 
springende stoepen, potkasten, luifels, kelderingangen, enz. 

Geen wonder dan ook, dat volgens de overlevering, de Graaf in 
zijne Steden, elk jaar een zijner lieden te paard, met een lans 
dwars voor zich, de Koningsweg of hoofdstraat van het eene tot het 
andere einde der stad liet doorrijden, en alles wat op dien lansrit 
hinderde, liet wegbreken of wijzigen l ). 



J ) Aldus handelden volgens G. Waitz in zijn „Deutsche Verfassungsuv- 
sehichte," o. a. de Graaf van Vlaanderen te Dinant, en de burggraaf van 
Regensburg in die stad. 



260 



DE STRATEN. 



Wat die smalle straten oudtijds echter ten goeden kwam, was 
de omstandigheid, dat de daarin staande huizen meerendeels enkel 



Si^ESToSr^- 




Afb. N°. 136. Gedicht op de Vischmarkt in O u d-'s II e r t o ge n b osc h. 



uit ééne verdieping gelijkstraats en uit eene zolderruimte bestonden, 
huizen door vrij breedé drupgangen of open wanden gescheiden. 
In lateren tijd eerst met een bovenverdieping verhoogd, was de totaal- 
hoogte van straat tot dakzolder toch nog weinig meer dan een 20 tot 
25 voet of een 6 tot 7.50 M., terwijl de op die hoogte aanvangende 
schuine dakruimte, door een topgevel aan de voorzijde gesloten, ter 
weerszijden licht en lucht overvloedig vrijliet. 

Toen echter die huizen in verdiepingen toenamen, werd elke 
verdieping voor zich in de straat o ver gebouwd (zie afb. N°. 136), 
vernauwden vele dier straten zich van boven te veel en werden zij 
werkelijk benauwend en vooral hoogst gevaarlijk bij brand, en dit 



STRAATNAMEN. 



261 



te eer, zoolang zij nog bijna uitsluitend van hout gebouwd en met 
riet of stroo gedekt werden. 

Na eiken grooten brand, die één of meer dier straten, soms ook 
geheele wijken verslond, was de Overheid er dan ook op uit, dat 
brandgevaar te verminderen, door bij den herbouw aan die straten 
meerdere breedte te geven, de riet- en stroodaken te verbieden, en 
hard dak voor te schrijven en eindelijk door te eischen, dat de 
zijwanden en vervolgens de 
gevels in steen, en niet 
meer van hout werden 
opgetrokken. 

Van wege die veelvul- 
dige dikwijls hevige bran- 
den zijn dan ookhetmeeren- 
dccl dier nauwe hoofdstraten 
uit onze steden verdwenen, 
li Heen de kleine dwars- of 
zijstraten, de stegen, gan- 
gen en driften, die slechts 
een ondergeschikt verkeers- 
doel hadden, behielden hare 
oude afmeting, voor zooveel 
zij niet bij de perceelen wer- 
den aangetrokken , waartoe 
zij menigmaal als eigen of 
mandeeligen en dan soms 
geheel overbouwden uit- 
gang behoorden. 

Straatnamen. 

Op het eigenaardigst 
vertellen tal van oude 
straatnamen ons nu nog dik- 
wijls een stukje geschiedenis 
uit het verleden harer ste- 
den, de herinnering bewa- 
rend, hetzij aan een vroege- 
ren, reeds lang verdwenen 
toestand, hetzij aan een 




Afb. N°. 137. Nog bestaande overgebouwde huizen in 
Amersfoort, naar photo. 



262 STRAATNAMEN. 



bijzonder doch niet meer bestaand gebouw of aan ecne eertijds 
beteekenisvolle familie of bijzondere bewoners, of wel door haar naam 
aangevend haar vorm of doel, haar meerdere of mindere beteekenis 
oudtijds, haar richting of ligging of de bedrijven er voorheen uit- 
geoefend. 

De herinnering aan een vroegeren toestand spreekt bijv. uit: de 
Kol k straat te P u r m e r end, de P o e 1 e straat te Groningen, de 
Spui straat te Amsterdam, Antwerpen, D o r d r e c h t , 's G r a 
venhage en Middelburg; de Groenestraat of Groene gas of 
't Groene wegje te Kampen, Nijmegen en 's G ra venh age; 
de Den ne weg en de Korte en Lange Poten te 's G rave nhage ; 
de T u i n straten te Groningen en Purmerend; de W e i straat te 
Schoonhoven; de K o e- en K a 1 v e r straten te A m s t e r d a m , 
Leiden, Schoonhoven, Utrecht en V 1 is s i n g e n ; de KIe y weg- 
te G o u d a ; het S 1 ij k einde te 's G r a venh a g e ; de Steen straten te 
'sHertogenbosch, L e i d e n , N ij m e g e n , R o e r m o n d , Utrecht 
en Zwolle; de S t i n k steeg te 's G r a venhage en R o 1 1 e r d a m , enz. 

De herinnering aan bijzondere gebouwen, sedert al dan niet ver- 
dwenen of gewijzigd, spreekt uit tal van benamingen, o. m. uit de 
B u r c h t-, de D o e 1 e n-, de D o 1 h u i s-, de ( \ a s t h u i s-, de H a 1-, de 
Hof-, de Kapel-, Kerk- en Kloosterstraten, de Molen-, de 
Munt-, de Raadhuis-, de School-, de Spinhuis-, de Toren- 
en Tolhuisstraten, enz. 

De herinnering aan eene familie, het voornaamste huis, soms een 
stins in de straat bewonend, vinden wij o. m. in de stad Groningen 
in de Botteringe-, de Ebbinge-, de Folk in ge- en de Hardinge- 
straat; in Nijmegen in de Bodde- of Buddestraat ; in Utrecht 
in de van Xuv 1 e nstraat, enz., in 'sGravenhage behalve in de 
Boek horst straat in het meerendeel harer oude straten. 

De straatvorm spreekt in de benamingen: de Kromme Elle- 
boog in Amsterdam, 'sGravenhage, Groningen, Haarlem 
en N ij m e g e n , de Driehoekjes in 'sGravenhage, de V ij f- 
hoek in Haarlem, de Dubbele Buurt in Amsterdam, Gouda, 
Haarlem en Purmerend en in die der Lange- en Kortestraten 
in vele steden. 



STRAATNAMEN. 



263 



Het straatdoel of de straatrichting 
spreekt uit de benamingen: de Brug-, 
de Dam-, de Galge-, de Kraan-, de 
Markt-, de Rivier- 1 ), de Stoof- 2 ) 
en de Veer- en Wagenstraten. 

De vroegere beteekenis der straten 
komt o. m. uit in de benamingen : het 
Achterom, of de Ach ter straat, de 
Breed e straat of Br e e straat, de 
Enghestraat, de Gr avestraat, de 
Gr oo te straat, de He ere straat, de 
Konings- of Keizersstraat, de Laan, 
de Ridder straat , een naam te N ij m e- 
gen ontleend aan het Ridderhuis, dat 
tot herberge diende voor de Ridders, 
die de gasten waren van den Vorst, 
tijdens diens verblijf op het kasteel. 

De straatrichting ten opzichte der 
windstreken vinden wij uitgedrukt in de 
vele benamingen van: Noord-, Oost, 
West-, en Zuidstraten of -einden ; en 
ten opzichte der omgeving in die van 
de B il dt straat in Utrecht, van de 
K a m p e r straat in Zwolle, van de 
Haarlemmerdijk en Haarlemmer- 
straat in Amsterdam en Leiden, 
van de Brusselse he-, Bosch- en 
Tongersche straten in Maastricht, 
van de Z e e straat in 'sGravenh a g e , 
in die der vele Achter-de-Muur-, Ach 
V e s t-straten , terwijl de hoogte-ligging 
uit de vele Hoogstraten. 




Afb. N". 138. Een der 't laatst overgeble- 
vene houten huizen van Deventer, 
(de geveltop ontbreekt reeds). 

t e r - d e - \Y a 1- en der Oude 
spreekt uit enkele Berg- en 



De hinder en last aan sommige bedrijven eigen, gevoegd bij het 
groote brandgevaar aan andere verbonden, waren oorzaak, dat in 



J ) Zooals de Maasstraat in Zal tb o mm el, de Rijnstraat in Arnhem, 
Leiden, enz. 

'-) In Amsterdam, Antwerpen, Brugge, Gouda, Haarlem, enz. 



264 



STRAATNAMEN. 



vele steden aan dergelijke bedrijven een bepaald stadsgedeelte, eene 
bepaalde straat, buurt of wijk ter vestiging werd aangewezen; althans, 
daar, waar die bedrijven, ten einde zich vrijer te kunnen bewegen, 
zulks niet reeds uit zich zelf hadden gedaan, zooals de Lakenberei- 
ders, de Scheepstimmerlieden, de Smeden, de Touwslagers, de Zout- 
zieders, enz. meest overal deden. 

Duidelijk spreekt de oude bedrijfsgroepecring uit de daarvan nog 
overgebleven straatbenamingen, als: de Bak kerstraat in Amster- 
dam, Arnhem, Leiden en Utrecht, de BI eekerstraat of laan 
in Amsterdam, 's Graven hagc, Groningen en Utrecht, de 
Bier- en Brouwersstraten of -grachten in tal van steden, de Bijl- 
houwersstraat in Utrecht, de Drapen ierstraat in Haarlem, 
de Glasblazerslaan in 's Graven ha ge, de Ketel boetersteeg 
in Leiden, de Ketel straat in Delft, de Kolfmakersstecg in 
Leiden, de Koperslagerssteeg in Amsterdam, en voorts in 

de vele benamingen van : 
de Kuvper-, de Lom- 
bard-, de Looiers, 
Maersman- en Man- 
demakers-, de Platen 
(Harnasch) m a k e r s-, de 
Pel ster- en de Potte- 
bakker s straten ; de vele 
Raem- en Volders- en 
Weversstraten ; -lanen 
of -grachten, de Scheep- 
makers-, Schoenma- 
kers-, de S c h r ij n w e r- 
kers-, de Schuitema- 
kers-, Sleemenners-, 

Stoeldraaiers-, 
Schoorsteenvegers- 
en Spelde ma kers- 
straten ; uit de vele S m e e-, 
of Smede- of Smidsstra- 
ten , uit de S n ij d e r s-, de 
Spiesmakers-, deSui- 
k er bak kers-, de Uit- 

Afb. N". 139. Een kijkje in Oud-U tree ht. dragers-, de Ver- 







DE PEPER- EN ROZEMARIJNSTRATEN. 265 



wers-, de Vilders-, de Visschers-, de Vleeschhou wers-, de 
Warmoes-, de Wiel makers-, de Witmakers-, de Wol we- 
vers-, de Wijn-, de Zilversmid s- en de Zakken dragers- 
straten, enz. enz, l ). 

Behalve de Joden straat in Antwerpen, Maastricht en Ti el 
en de Jodenbreed straat in Amsterdam, die in herinnering brengen 
dat inderdaad in sommige onzer steden, ofschoon veelvuldiger in buïten- 
landsche steden, oudtijds aan de Israëlieten een bepaald stadsgedeelte 
ter bewoning was aangewezen, wijzen de in tal van onze steden nog 
voorkomende Peper- en Rozemarijnstraten op de beteekenis welke 
de peper en de rozemarijn oudtijds hadden: 

Peper toch was een zeer gezocht geneesmiddel, welks gewicht 
bijna tegen goud werd opgewogen en dat van af de XII de eeuw door 
den Heer of Vorst soms als cijns werd bedongen bij het verleenen 
van een privilegie, zoo moest o. a. Almelo ten jare 1420 een half pond 
daarvan opbrengen 2 ); van daar dat de straat, waarin de apothecaris 
woonde, bij wien dit kostbaar oostersch product verkrijgbaar was, 
dan ook meestal de Peperstraat genoemd werd, aldus in: Amers- 
foort, Delft, Gouda, Groningen, Haarlem, Hoorn, Mont- 
f o o r t, N a a r d e n had zelfs 4 Peperstraten , N ij m e g e n , Purmerend, 
Sn eek, Vlissingen, enz. 

De Rozemarijn daarentegen goldt als een heilig kruidgewas, 
dat men op zijn hoed droeg ten teeken van gedane gelofte om ter 
kruisvaart te trekken; het is een welriekend kruid, door de „ver- 
ciersters" gaarne gebruikt bij het groenmaken voor bruiloften, bij 
doopmalen en ook bij begrafenissen; een kruid, waarmede bij feesten 
de vloer der feestzaal werd bestrooid en dat door de verkoopsters, 
ten teeken dat het bij haar verkrijgbaar was, in bundels of kransen 
tegen het huis werd gehangen, welk huis dan aan de straat zijn naam 
gaf, aldus in: Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Bergen- 



a ) Van sommige steden is de oorsprong of beteekenis harer straatnamen, 
bepaaldelijk beschreven; J. ter Gouw deed zulks jaren geleden reeds van die 
van Amsterdam, D. S. van Zuiden in 1909 van die van 's Graven ha ge. 

2 ) Keizer Hendrik V (1104 — 1125) eischte voor zijn bemiddeling in de geschillen 
tusschen Venetië, Padua en andere Italiaansche steden een schatting van 50 iï' 
peper. Het vaartrecht op de Rhöne, de Izère en den Rijn werd in peper betaald; elk 
vaartuig toch, dat o. a. van Bazel te Zürich kwam, moest 1 pond peper betalen. 

I. 34 



266 STRAATVERBREEDING. 



op-Zoom, Brielle, 'sGravenhage, Haarlem, Middelburg, 
N ij m e g e n , Zwolle, enz. 

Het volk dat oudtijds de straten doopte en niet de Overheid, 
zooals nu, nam daartoe tot „peter en meter", zooals de Potter dat 
uitdrukt in zijn geschiedenis van Gent, „een huis, een boom, een 
bloem, de gesteldheid van den grond, het toevallig aanwezig beeld 
van een heilige, een bedrijf, eene kerk, eene gewoonte, eene gebeur- 
tenis, een sprookje, eene overlevering, een familienaam of soms zelfs 
een moord" en het heeft, door enkele dier toevallige benamingen, uit 
de vergetelheid gered, verschillende toestanden, gebeurtenissen en 
personen uit ons vroeger stedeleven. 

Zelfs de last of bezwaren aan sommige straten eigen, spreekt niet 
zelden uit hare benamingen, zooals de Koude Hoek in Leiden en 
Vlissingen, de Koude Horn in Haarlem, het Waai gat in 
Alkmaar en Haarlem, en voorts uit die van: de Stormsteeg, 
de Patienticstraat, het SI ijkeinde in 's Graven ha ge, de Vuile 
Buurt, de Vuilnisgang, enz Dat thans de keuze der nieuwe straat- 
namen in vele onzer steden altijd eene zoodanige is, dat zij in de 
toekomst mede historisch licht over het verleden dier steden zal geven , 
zou ik niet gaarne beweren, eer het tegendeel r ). 

De straten worden verbreed. 

De smalle en vaak kronkelende straten der oude stadsgedeelten, 
treffen wij in de nieuwe niet meer aan; door ervaring geleerd, 
werd aan de straten en vooral aan de binnengrachten in de nieuwere 
gedeelten meerdere breedte gegeven, eene breedte, meestal toenemend 
naarmate zij van jongere dagteekening zijn. 

Onze tijd, met zijn in enkele steden buitengewoon rijtuig- en 
voetgangersverkeer, en met zijn in snelheid daarin dikwijls nog wed- 
ijverende rijwielen, automobielen en trams, stelt in die steden aan 
de straatbreedtc zoodanige eischen, dat deze alléén bij aanleg van 

*) In 's Gra venhage althans heeft men al bijzonder weinig gelet om bij 
de keuze van straatnamen historische bijzonderheden of personen in aandenken 
te bewaren uit 't eigen verleden. 

Behalve toch tal van straatnamen in de nieuwe wijken benoemd naar meer 
of minder bekende Nederlanders, als: Barentsz, Boerhave, Buijs Ballot, Jan 
Blanken, Christiaan Bruning, Jacob van Campen, Chassé, Jan Pietorsz. Coen, 
da Costa, enz. enz., zijn er mede tal van straten benoemd naar vreemdelingen 
van naam, als: Ampère, Archimedes, Breughel, Cartesius, Copernicus, Daguerre, 
Edison, Galilei, Galvani, enz. enz. 



STRAATVERBREEDING. 267 

nieuwe wijken zijn te bevredigen, van daar dat steden als Londen 
en Parijs, dan ook door ondergrondsche spoor- of tramlijnen de 
straten van een deel van het overdrukke verkeer ontlasten; Berlijn 
doet zulks door een bovengrondsch- of luchtspoor, terwijl aldaar 
evenals in Parijs, een goed ingerichte ceintuurbaan de tegenover- 
gesteld gelegene, de uiterste wijken verbindend, op zijne wijze het 
verkeer binnen de stad eenigermate ontlast. 

Scheen het in die, bij ons straatverkeer vergeleken, in-kalme en 
aangenaam rustige oude steden, alsof de straat grootendeels zoo al 
niet geheel bestond ten behoeve, althans ten gerieve en ten gebruike 
der aanwonenden, thans schijnt het in vele onzer steden alsof de straat 
uitsluitend dient voor het verkeer, en alsof de bewoners met hun huizen 
daarin nu lastposten zijn geworden, welke men zonder genade hun keider- 
ingang, hun stoep, hun balkon, hun winkeluitstek mag ontnemen. 

Bij eiken ver- of nieuwbouw, mag de eigenaar van een huis nu 
met zijn hoed in de hand komen vragen, in hoeverre het hem geoor- 
loofd is, in hoeverre het hem genadiglijk wordt toegestaan, zijn eigen, 
niet zelden peperduur gekochten grond te mogen benutten, om dan 
niet zelden te vernemen, dat B. en Ws. hebben goedgevonden, de 
rooilijn van zijn huis één of meer meters achterwaarts te verplaatsen, 
dat hij zich daarnaar, zonder eenig recht van appel zelfs, heeft te 
schikken, en nog hoogst dankbaar mag zijn met den grond van zijn 
huis de aangelegen straat kosteloos te mogen verbreeden. 

Wee den gelukkige echter, wiens pand gelegen is op den hoek 
van twee straten, naar beide zijden wacht hem dan meestal, zelfs 
in de stille straten van tal van doode steden, die goedvonden de bouw 
verordeningen eener drukke verkeersstad tot de hare te maken, meestal 
wacht hem dan bij nieuwbouw, het vonnis, om zonder eenige vergoe- 
ding, zijn huis over de eene zijde te mogen inkorten en over de andere 
zijde te mogen versmallen, en het op den hoek zelf nog bovendien 
te mogen afschuinen. 

Onbeteekenende dorpsgemeenten zelfs nemen gretig dergelijke 
bouwbepalingen over en stellen deze vast, het bestuur het recht gevend, 
om door het bepalen der rooilijnen, de wegen en paden ten koste 
van de erven en huizen der aangelegenen, naar goedvinden te kunnen 
verbreeden; en waar het Rijk bouwt, al is het ook een openbaar 
gebouw geheel ten nutte der betrokken Gemeente, daar is het merk- 
waardig, hoe bijna elk gemeentebestuur er op uit is, om, kan 't zijn, 



268 



DE PLEINEN. 



op een groot stuk van het voor dien bouw noodige Rijksterrein, ten 
behoeve eener dikwijls hoogst onnoodige straatverbreeding, of zelfs 
ter pleinvorming, beslag te leggen, zóó zelfs, dat niet zelden de tot 
standkoming van het gebouw daardoor in gevaar zou komen, zoo 
niet eene bijzondere wet de Regecring in staat stelde eenc dergelijke 
onhebbelijke inbeslagname te beletten. 

De pleinen. 

Met boom- of bloemgewas bezette pleinen of parken, zooals enkele 
onzer hedendaagsehe steden deze bezitten, zoekt men in onze oude 
steden tevergeefs, de eenige pleinen, die men daarin vond, waren 
de markt- en kerkpleinen, welke laatste, geheel of ten deele ommuurd 
en meestal met boomen bezet of omzet, dienden tot begraafplaatsen, 
tot kerkhoven. 

Alleen Nijmegen had benoorden van den Burcht of het Valkhof 
een open plein, blijkbaar echter meesttijds tot vuilnisbelt of opslag 
van ongerechtigheden benut, tot op 13 Juni 1622 werd geresolveerd: 
„dit pleine vant Valckholf ofte Belvidere met ypenboomen ende dair 
onder eenige lindenboomen te doen beplanten tot cieraat van deese 




Afb. N°. 140. Het Voorhout te 'sGravenhage in de XVII de eeuw. 



DE PLEINEN. 269 



stad"; een plein in 1625 met zitbanken voorzien en bij speciale raads- 
besluiten tegen baldadigheid der straatjeugd beveiligd en sedert de 
beplanting het „Kelfkensbosch" genoemd. 

Wat geen onzer steden toen bezat, ruime pleinen, vond men in 
het open vlek 's Gra v enhage, dat, bijna alle voorrechten en privi- 
legiën eener stad genietend, zijn ontwikkeling op Grafelij ken grond 
dankt aan het kasteel, aldaar door Willem II in de jaren 1250—1256 
in de boschachtige duinstreek bij zijn jachthuis gebouwd. 

Rond dat kasteel, voor zich alleen met zijn Binnen- en Buitenhof 
zijn vijver, zijn boomgaard en coeltuun, ruim 48 hectaren gronds 
beslaande, vestigden zich met toestemming der opvolgenden Graven 
verschillend hunner edellieden, alsook vele hofhoorigen en dienst- 
baren, op de erven, hen daartoe in erfpacht gegeven of afgestaan 
langs het Tournooiveld, buiten de Vóórpoort van het Buitenhof, of 
aan de Plaats en voorts langs den Vijverberg en benoorden het kasteel 
in het Voorhout, zie de afb. N os . 140 en 147. 

Dank zij de breede opvatting, wat betreft het behoud van ruime 
terreinen zoo voor wandel- als rijwegen, voor oefen- als speel- 
banen, had de geleidelijke ombouwing van dit kasteel zóó plaats, 
dat het Buitenhof een afmeting behield van ± 1.2 heet., de Kneu- 
terdijk van 0.4 heet., het Voorhout van ± 4 heet., de Plaats en de 
Vij verberg te zamen van ± l 3 / 4 heet. en het Plein, of de parade- 
plaats, van 1 heet., of te zamen ruim 8 heet. 

Het van het oude kasteel overgeblevene Binnenhof, tot in 
1860 nog geheel omgracht en thans aan drie zijden door genoemde 
pleinen omsloten, is, hoezeer in verloop ook van karakter veranderd 
en verbouwd, toch een werkelijk eenig stadsinterieur van ruim 
20 heet. grootte. 

Het was omtrent den jare 1535 dat Karel V, het Voorhout, 
met een dubbelde rij lindeboomen, „tot dienst en vermaak van 
zig zelven, zijne vasallen en onderzaaten binnen de Vlekke van 
den Ha ge verkeerende heeft doen beplanten," en in 1539 tegen 
de schenders derzelve een placcaat deed afkondigen: „verbiedende de 
wagenaers ende voerluyden de nyeuwe linden scadelicken te wesen, 
ende verbiedende de vagebonden, ambachtsgesellen ende andere jonck 
en oude persoenen hem vervorderen te speelen mit colfslagen, ofte 
met steenen werpende ofte met bussen of bogen scietende ende 
destruerende ende brekende alsoe die glasen en dack van onse Hove, 
op te peyne van XXV Karolus gulden te verbueren t'elcke reyse als 

] ' 34* 



270 



DE PLEINEN. — DE BRUGGEN. 



't gebueren sal, ende die 'tniet te betaelen en hebben in gelde, daer- 
overen strengelicken gegeeselt te zijne." 

Eerst in het begin der XVII de eeuw, met het verdwijnen van tal 
van kloosters en kerken, zien wij daardoor in enkele steden opene 
ruimten, niet zelden tot marktplein tevens bestemd en benut, ontstaan, 
en bij den grooten uitleg van sommige steden in die eeuw worden 
er nu mede pleinen aangelegd, niet enkel om tot nieuwe markten 
te dienen, maar tevens om daarop later zoo noodig in die nieuwe 








Afb. N ü . 141. De Maasbrug te Maastric 



stadswijken, kerken te kunnen stichten; pleinen en plantsoenen, 
uitsluitend bedoeld ter veraangenaming van het stadsgeheel en om 
voor de omgeving tot wandel- of speelplaats te kunnen dienen, deze 
dagteekenen te onzent eerst uit den jongsten tijd, eerst uit de tweede 
helft der XIX de eeuw. 



De Bruggen. 

Met de toename van het aantal binnengrachten en dezer breedte, 
vermeerderde binnen de steden ook het aantal bruggen en dezer lengte. 

Aanvankelijk had en kende men slechts de dikwijls hoogst 
primitieve houten jukbruggen met haar klap- of ophaalgedeelte vóór 
de stads- en kasteelpoorten gelegen, bruggen meestal zóó saam- 



DE BRUGGEN. 



271 



gesteld, dat zij, om den vijand niet te dienen, zoo noodig in een 
minimum van tijd konden worden afgebroken of verbrand. 

Op de afbeeldingen van Zwolle van ± 1630 door G. Terborch, 
komen die jukbruggen op het duidelijkst uit; afb. N°. 60 geeft een 
bijzonder type, voorzien met twee naast elkaar gelegen ophaal- 
gedeelten, één voor rijtuigen, waarschijnlijk meesttijds opgehaald en 
vastgezet, en één voor voetgangers, terwijl afb. N°. 35 een voet- 
gangersbrug met ophaalklap en sluithek voorstelt. De afb. N ÜS . 27, 36 
en 38, toonen alle vóór poorten gelegen juk- en ophaalbruggen, terwijl 



■m-ffiHu-mUM- ^■•M-Mhrtittim 





t ia haar tegenwoordigen toestand, naar een photo. 






op afb. N°. 66, de brug vóór de Oude-Haarlemsche poort te Amster- 
dam, slechts bestaat uit eene planken bevloering rustend op eenig 
paalwerk, zonder klap, zonder leuning zelfs. 

Enkele steden echter, minder beducht voor onvoorziene overvallen 
of rekenend op de sterkte harer poorten, hadden in plaats van houten 
jukbruggen steenen boogbruggen vóór hare poorten, voorzien van 
hooge schutmuren of borstweringen, zooals de drie poortbruggen, van 
'sHertogenbosch op afb. N°. 17, zooals de Camper poortbrug te 
Zwolle, zie het plan dier stad, afb. N°. 16, zooals de bruggen bij de 
Tolsteech- en bij de Weertpoort te Utrecht, zie de afb. N os . 68 en 69. 

De Maasbrug te Maastricht. 

Vaste rivierbruggen behoorden oudtijds, althans te onzent, tot 
hooge uitzonderingen, de rivierovergang had bijna altijd en overal 



272 DE BRUGGEN. — MAASBRUG TE MAASTRICHT. 



plaats per veerboot of schouw. Tot die hooge uitzonderingen, behoorde 
de groote Maasbrug te Maastricht. 

Reeds de Romeinen zouden er, tijdens Vespasianus meent men, 
een vaste houten brug rustend op steenen pijlers gebouwd hebben, die 
hoezeer waarschijnlijk bij herhaling vernield of gehavend, toch voort- 
durend in begaanbaren toestand werd gehouden, dank zij het tol- en 
passagegeld dat zij opbracht en tot 's Keizers inkomsten behoorde. 

Keizer Koenraad II schonk die brug echter met al de voordeden 
die zij opleverde aan het Kapittel van St. Servaas in die stad, onder 
verplichting voor haar onderhoud te zorgen, dat echter zooveel te 
wenschen overliet, dat zij op 4 Juli 1275, juist op het moment dat 
eene processie uit de O. L. Vrouwe kerk er over ging, instortte, waar- 
bij, volgens de kroniek, 400 menschen verdronken. Alstoen werd 
besloten haar in steen, doch meer noordwaarts de rivier op te herbou- 
wen, en, op Vrijdag na St. Jan Baptiste van het jaar des Heeren 1280, 
werd na vooraf gehouden plechtigen kerkdienst, met de gebruikelijke 
ceremoniën de eerste steen dier nieuwe brug gelegd. De bijdragen 
voor dien herbouw kwamen echter slechts uiterst traag in, zoodat de 
hulp der geloovigen werd ingeroepen; de te Orviëto ter kroning van 
Paus Martinus IV vergaderde aartsbisschoppen en bisschoppen ver- 
leenden nu een aflaat van 40 dagen aan allen, die tot dien bouw 
zouden bijdragen, eene rouwmoedige biecht sprekende. 

Kerst in 1293, alzoo na 13 jaren bouwens, was de brug gereed. 
Zij had eene totaal-lengte van 160 M. bij O M. breedte en was in 
het midden + 11 M. hoog boven de rivier (buitengewone brug- 
afmetingen destijds) en rustte op 10 halfrond gesloten bogen, zich 
vergarend in zware, stroomopwaarts scherp gepunte, massieve berg- 
steenen pijlers van 12.15 tot 13.45 M. breedte. 

Aan den tegenoverstaanden oever, aan de zijde van Wijk, door 
eene verdedigbare poort gesloten, was het laatste vak niet met een 
steenen boog, maar met een houten schoor- of tusschenbrug gesloten, 
die zoo noodig binnen één uur tijds kon worden uiteengeslagen en 
verwijderd. Midden op de brug, over hare volle lengte ter weerszijden 
met steenen borstweringen voorzien, stond eene poort en tevens een 
cappelleken van Sint Servaas, waarin dagelijks de mis werd gelezen. 

De brug toen gebouwd, bestaat nog, hoezeer niet meer geheel 
intakt; ter wille van het Zuid-Willemskanaal toch, verloor zij haar 
eerste boogvak aan de Stadszijde, haar steenen borstweringen zijn door 
ijzeren leuningen en haar houten schoorbrug is nu door een steenen 



DE BRUGGEN. — IJSELBRUG TE KAMPEN. 273 



boogvak vervangen (zie afb. N°. 141). Ook haar bogen zijn in verloop 
van tijd alle vernieuwd, haar steenen kapelleken, haar poorten en 
haar wachthuis zijn alle verdwenen, doch trots dat, behield zij in 
hoofdzaak toch haar eigenaardig, haar XIII de -eeuwsch, haar grootsch 
karakter, en is zij nog steeds onze monumentaalste brug. Geen der 
groote holle ijzeren gevaarten, ter wille der spoorwegen over onze 
rivieren gelegd, is in eenvoud, rust, duurzaamheid en esthetisch effect 
met haar te vergelijken. 

Eene rivierbrug in steen, van die afmeting, heeft geen onzer steden 
sedert meer gebouwd, de Maastrichtsche brug is ten dezen eenig; wel 
verving de stad Roermond, ten jare 1771 haar houten brug, die op 
Oudejaarsnacht van 1763 door de Roer was weggedreven, door de nog 
bestaande steenen boogbrug, met vier spanningen in Vlaamschen steen 
uitgevoerd, doch zij mist de afmetingen der Maasbrug. 

Anno 1371 op 1 May gaf Hertoch Aelbrecht aan die van 
Oude water verlof „sich een brugge te maken ende te houden over 
die IJseldijck tot aen die ander zijde, belovende bescerminge, want 
Wij immers willen, dat die brugge neffens die stede over d'IJsel sal 
worden gemaeckt en geleyt ende daer eeuwighlijck sal leggen blijven"; 
of zij echter gebouwd is en zoo ja, hoe lang zij in dienst is gebleven 
is mij niet bekend. 

De IJselbrug te Kampen. 

Eene andere rivierbrug, in de geschiedenis onzer steden vermeld, 
is die bij Kampen. 

Ongevraagd nam deze stad ten jare 144<S de vrijheid om over de 
rivier den IJsel, welke aldaar eene breedte heeft van ± 21 f) M., 
tegenover haar Raadhuis eene vaste houten brug te bouwen ter breedte 




Afb. N°. 142. De jukbrug over den IJsel te Kampen, A°. 1448 gelegd. 

van 3.50 M., voorzien met ééne doorvaartgelegenheid, welke brug haar 
17000 goudguldens kostte, (zie afb. N°. 142). 

De overige IJselsteden kwamen echter met kracht tegen die brug in 
verzet en protest, en eischten dat Kampen haar onverwijld weder zou 
afbreken en toen dat niet baatte, vervoegden zij zich met hun protest 
i. 35 



274 BRUGGEN BINNEN DE STEDEN. 



bij het Hanse verbond, bij den Bisschop van Utrecht en tot zelfs bij 
den Keizer van Duitschland, bewerend, dat die brug den handel en de 
vrije scheepvaart op de rivier benadeelde. De Keizer liet daarop aan 
Schout en Schepenen, der Vrije, Keizerlijke Stad Campania, een 
hoogst ernstigen brief schrijven, haar bedreigend met zijn ongenade 
en met een boete van 100 8 loodig goud, zoo zij niet onmiddelijk de 
brug lieten afbreken, doch het Stadsbestuur deponeerde dien brief dood 
kalm in zijn archief kist, en liet, in plaats van de brug af te breken, 
haar bij voortduring met alle zorg onderhouden, en waar noodig 
vernieuwen. 

Deventer ziende, dat al de protesten tegen de Kamper-brug 
niets baatten, verzocht en verkreeg daarop van den Bisschop, haar Heer, 
vergunning om zelve ook een brug over den IJsel te mogen leggen 
en bouwde zich toen in 1482 eene schipbrug; de Hertog van Gelre 
vond echter goed die brug in 1510 te doen vernielen, de stad ver- 
biedend zich tijdens zijn leven eene nieuwe brug te bouwen, waartoe 
Deventer dan ook eerst ten jare 1568 overging. 

In 1485 volgde Zutphen mede dit voorbeeld, na vooraf van Keizer 
Maximiliaan vergunning te hebben gevraagd en gekregen tot het maken 
eener paalbrug over den IJsel, waarbij de ingezetenen van het Graaf- 
schap verplicht werden met hand- en spandienst behulpzaam te zijn ; in 
1603 volgde Arnhem en werd aldaar een schipbrug in den Rijn gelegd. 

Bruggen binnen de steden. 

Behoorden vaste rivierbruggen bij onze steden tot de zeldzaam- 
heden , over de rivierarmen en grachten binnen vele dier steden 
kon men ze echter niet zelden bij dozijnen tellen. In Rotterdam 
werd door tusschenkomst van den Graaf van Holland op 23 Juli 1373 
„de Stede gevierendeelt voor de heulen ende die bruggen, die de 
poorteren behooren te maken ende te houden tot eeuwige dagen, 
zijnde: het Oost- en het Westvierendeel, de Middeldam en de Nieuw- 
poort ende blijvende buyten der Steden kost alle die vleugelen ende 
alle die wangen van die bruggen op elc vierendeel (zie van Mieris' 
Charterboek, deel III blz. 280.) 

Van Delft heet het, dat zij oudtijds binnen hare veste 69 bruggen 
bezat, meerendeels steenen boogbruggen van ééne spanning, vele ter 
wille der scheepvaart vrij hoog boven de straat en daarom ter weers- 
zijden met steenen trappen opgaande, bruggen op het alleraardigst 
dikwijls het gezicht op en door hare grachten onderbrekend. 




Afb. N°. 143. Leeuwarden. Gezicht op de 





Brolbrug in 1664, naar A. Beerstraten. 



BRUGGEN BINNEN DE STEDEN. 275 



Van Leiden zegt Guicciardini, dat zij ter verbinding der 
31 eilanden, waaruit zij bestond, een 145 bruggen onderhield, waar- 
onder niet minder dan 104 stecnen bruggen. Op den grooten platte- 
grond dier stad van het jaar 1578, ziet men dan ook, behalve de vele 
bruggen over de kleinere grachten, een 60-tal vrij groote bruggen van 
allerlei vorm en afmeting, waaronder 12 of meer steenen boogbruggen 
met van één tot drie doorvaartopeningen; bruggen, alle ter weerszijden 
van gemetselde borstweringen voorzien, terwijl op een 5-tal dezer 
kleine bidkapelletjes schijnen te staan, welke echter op haar platte- 
grond van A° 1600 (afb. N°. 104) reeds alle verdwenen zijn. 

Evenals op de Maasbrug te Maastricht, kwamen dergelijke 
kleine brugkapellen, na de Reformatie bijna overal gesloopt, oudtijds 
veelvuldig voor. Op de Spuibrug te Bergen-op-Zoom o. a. stond 
eene St. Janskapel, waarin dagelijks dienst werd gedaan voor het 
St. Jans- of Arbeidersgilde, welks leden verplicht waren -dien dienst 
eiken dag bij te wonen, op straffe van verstoken te zijn van het 
dobbelen of smakken omtrent het laden der schepen, en in die Haghe 
werd de Spuibrug, gelegen voor de zuidelijke poort van het Grafelijk 
kasteel, de Kapelsbrug genoemd, omdat op die brug de kapelle van 
„Onse Lieve Vrouwe op te Spoeye" stond. 

Te Delft stond op de groote boogbrug, welke de beide grachten 
de Oude Delft en de Geer van de stadskolck afsloot, eene kapel, en 
ook deze werd daarom de Kapelsbrug genoemd. 

In Dordrecht zorgde, blijkens de rekeningen van het Kuipers- 
gilde van het jaar 1536, dat gilde „voor de smaercaersen voer dat 
Vrouwenhuysken op den huck van die Wijnbrug. 

Sommige bruggen ook waren ten deeJe bezet met huizen, hetzij met 
wacht- of winkelhuizen, of met galerijen, zooals bovengenoemde Spui- 
brug te Bergen-op-Zoom en zooals de beide oudste bruggen over 
het Damrak te Amsterdam (zie afb. N°. 21); typischer echter is de 
Ponte de Rialto te Venetië, die 90 voet breed, met 3 smalle winkel- 
straten bezet is; de vroegere London-bridge over den Theems te 
Londen, vormde over hare volle lengte ééne doorgaande winkel- 
straat, zoodat men slechts aan de klimming bij het op- en afgaan 
het bestaan eener brug waarnam. 

De stad Utrecht bezit over hare beide karakteristieke grachten, 
de Oude en Nieuwe gracht (zie afb. N u . 18), thans nog een 24-tal bijna 
monumentale steenen boogbruggen, waarvan nog verschillende zeker- 
lijk dagteekenen uit de XV dc eeuw, toen zij hare houten door steenen 



276 BRUGGEN BINNEN DE STEDEN. 



bruggen verving. Tot de oudste dier steencn bruggen behoort de 
Gaardbrug, althans deze bestond reeds, toen ten jare 1404 de Borch- 
of Sint-Maartensboogbrug aldaar gebouwd werd. 

Vele bruggen waren oudtijds naar een heilige genoemd , in Utrecht 
niet minder dan zeven : de St.-Catharinen-, de St.-Geerten-, de St. -Jacobs-, 
de St.-Jans-, de St.-Maartens-, de St.-Magdalena- en de St.-Paulusbrug. 
Tn Leiden had men de St.-Anthonis-, de St.-Jans- en de Onze Lieve 
Vrouwebrug; in Haarlem de St.-Klaasbrug ; in Delft de St.-Anne-, 
de St.-Jacobs-, de St.-Jans- en de St.-Jorisbrug, enz., bruggen, toen 
meerendeels met het beeld van dien heilige versierd, zooals wij zulks 
in buitenlandsche steden thans nog veelvuldig aantreffen. 

Dat ook binnen onze steden de bruggen soms met een beeld 
prijkten, blijkt uit afb. N°. 68, der Oude Weertpoort binnen Utrecht, 
op welke afbeelding de brug over de Oude Gracht bij hare uitmonding 
in de vestinggracht, met een op de borstwering staand soort Rolands- 
beeld is versierd, terwijl de Stad Rotterdam ten jare 154Ó tegen 
of op de borstwering van haar Kolkoverbrugging, haar marktplein, 
een houten standbeeld van Erasmus plaatste. 

Hoe eigenaardig in heur eenvoud die oude boogbruggen met haar 
schut- of borstweringsmuren er uitzagen, toont behalve tal van andere 
afbeeldingen, inzonderheid afb. N°. 143 van de Brolbrug te Leeuwar- 
den, naar een schilderstuk van A. Beerstraten van A°. 1664; op 
de breede brug staat een sierlijke schandpaal en een zakkendragers- 
huisje is bezijden deze op een jukwerk boven de gracht uitgebouwd. 

Tot de in haar tijd merkwaardige boogbruggen behoorde o. m. 
ook de Bottringebrug over het Noorderdiep in de stad Groningen, 
die, gebouwd in 1703, bij ruim 17 M. spanning, 5.20 M. pijlhoogte en 
9.80 M. breedte, opviel van wege haar eleganten boogvorm en hare 
uiterst geringe kruindikte, hoezeer bij voortduring door zwaarbeladen 
koorn wagens bereden; ter kwader ure werd zij echter door den 
I )irecteur der Gemeentewerken dier stad in 1866 bouwvallig verklaard 
en toen vervangen door eene leelijke ijzeren traliekast, op die plaats 
en bij die omgeving wel het allerminste passend. 

Het lot der Groninger boogbrug is trouwens dat van bijna al onze 
boogbruggen, bijna overal verdwijnen zij bij het dempen der grachten 
of worden zij ter wille van het rijtuig- of tramverkeer vervangen door 
platte of nagenoeg vlakke ijzeren balkbruggen, die, hoe soms ook aan- 
gekleed zelfs met graniet en brons, toch bedelaars blijven in vergelijking 



BRUGGEN BINNEN DE STEDEN. 



277 



bij die hoogst eenvoudige vroegere boogbruggen, waarvan een charme 
uitging en waarin een cachet zat, dat zij juist missen. 

Het ijzer als bouwmateriaal diende aanvankelijk om de schut- of 
borstweringsmuren onzer oude bruggen door open leuningen te ver- 
vangen, zoodat bruggen met schutmuren, in Brugge nog in ruimen 
getale aanwezig, in onze steden thans tot de zeldzaamheden behooren, 
'sGravenhage bezit er gelukkig nog één enkele, en wel tegenover 
de kazerne over de Mauritsgracht. 

Naarmate de scheepvaart echter steeds breedere doorvaartopeningen 
eischte, vervielen allengs ook de enkele en dubbele houten ophaal- 
bruggen onzer grachten, om vervangen te worden door ijzeren draai- 
en wipbruggen, die sedert de electriciteit haar kracht leent bij het 
openen en sluiten, thans spanningen aannemen voorheen onuitvoerbaar 
geacht. Hoe weinig eischend die scheepvaart oudtijds was, toonen ons 
de prenten, toont ons de plattegrond van Amsterdam van 1536 
(zie afb. N°. 21), overal zien wij nog vaste jukbruggen zonder ophaal- 





Afb. N". 144. Amsterdam. Gezicht op de Oude Stads-Herberg aan het IJ. 



278 DE BRUGGEN. — STEDE-UITLEG. 



gedeelten zelfs, alleen in de drie bruggen over het Damrak bevinden 
zich smalle doorvaartopeningen, oorgaten, een seheepsmast met zijn 
touwwerk doorlatend, en dit zelfde zien wij mede bij de havenbrug 
te Zierikzee (afb. N°. 74). 

Tot de bruggen behooren feitelijk ook de oude Waterpoorten , 
boven reeds behandeld, zoowel de middeleeuwsche met hare ver- 
dedigingswerken, als die over de Berkel te Zutphen (afb. N°. 28), 
die te Utrecht over de Oude Gracht bij de Weertpoort (afb. N". 68) 
alsook de schilderachtige XVII de -eeuwsche Hoogeindsterpijp te Sn eek, 
(zie afb. N°. 78), in de omwalling dier stad gelegen. Zij is onze 
eenigste overdekte brug, eene overdekking blijkbaar aangebracht, 
om haar een eenigszins monumentaal aanzien te geven en aan hen, 
welke den eenigsten wandelweg dier stad, de stadsbolwerken, willen 
genieten, op het mooiste punt dier wandeling eene aangename zit- 
en uitzichtplaats aan te bieden. 



Stede-uitleg. 

Na in het bovenstaande, de vorming en ontwikkeling van het 
stedeplan en van de daarop meest invloed hebbende factoren te hebben 
beschreven, dient thans te worden behandeld de niet zelden herhaalde 
uitleg of uitbreiding onzer steden. 

Bij de buurt, bij het dorp, bij de nog onbe veste stad, had die 
uitbreiding stilzwijgend, als 't ware van zelf plaats. Al naar de behoefte 
zulks vorderde, nam de aanbouw ter weerszijden der landwaarts 
gaande wegen toe, of vormden zich achterwegen met woningen bezet, 
evenals zulks nog steeds plaats vindt, en werd de buurt, het dorp, 
die open stad dus grooter, uitgestrekter, of wel zij krompen bij 
teruggang weer stillekens in, zij werden weer kleiner. 

Eene dergelijke geleidelijke uitbreiding, erf- of huisgewijze als 
't ware, was echter bij eene ommuurde, omgrachtc en bepoorte stad 
verder ondoenbaar geworden. Haar veiligheidsgordel belette zulks, was 
haar grens geworden. 

Bij toenemende woonbehoefte moest zij zich binnen die grens 
zoo lang mogelijk zien te behelpen, tenzij op 't moment harer om- 
grenzing ruimschoots grond voor uitbreiding, voor nieuwe woningen 
was opgenomen. 

Was dat niet of niet voldoende het geval, dan verdween daar 



STEDE-UITLEG. 279 



binnen het eerst alle beschikbare erfruimte en open tuingrond, daarna 
verdween niet zelden het kasteelplein en werden kerk- en marktplein 
soms verkleind, terwijl tevens de groote erven zich splitsten in kleinere, 
en op die kleinere, de huizen nu in de hoogte de ruimte zoeken, 
die gelijkstraats niet meer beschikbaar is. 

De huizen, voorheen alle slechts uit ééne enkele verdieping 
bestaande, krijgen nu meerdere verdiepingen, zij worden nu lastiger 
voor het bedrijf en ter bewoning; men leert zich echter schikken, tot 
men eindelijk noodgedrongen , besluit tot uitbreiding, tot uitleg 
der stad, een besluit echter spoediger genomen dan uitgevoerd, vooral 
als haar rechts- en grondgebied eindigde bij den buitenkant harer 
uiterste gracht. 

Dit was o. m. het geval in Haarlem, waarvan op 11 Mei 1355 
Graaf Willem V bevestigde, „al soedanighe vrihede, als si nu ter tijt 
begraven en bcvest hebben met hare poerten, behoudende dat si een 
yegelijck voldoen willen diere goet of recht in hebben, ende haer consent 
daer af ghecregen, ende ghene vrihede en sullen si hebben 
buten den utersten cant van ha ere gr aft e 1 ). Deze stad kreeg 
alstoen van den Graaf uitbreiding van grondgebied waarop zij zich kort 
daarna over het Spaarne, tot dusverre haar oostelijke buitengracht, 
heeft uitgelegd. Toen de stad Woerden op 12 Maart 1371 van Hertog 
Albrecht stadsrecht verkreeg, werd daarvan tevens de omtrek bepaald, 
zeggende: „in den eerste sullen sij hebben ende dat geven wij hun, een 
vrijhede, ende die sal gaen tot opter uiterste cante van haere grafte" 2 ). 

Meestal echter, was aan een uitleg reeds eene uitbreiding van 
het stedelijk rechtsgebied, der zoogenaamde Stads-vrije voorafgegaan. 
Bij de steden, welke zich uit en binnen haar eigen marke hadden 
ontwikkeld, zooals Deventer, Groningen en tal van Överijselsche 
steden was dit echter onnoodig en evenmin bij de steden, welke op 
den grond van haar kasteelheer en met diens hulp of medewerking 
waren ontstaan en tot bloei gekomen, zooals Gorinchem, Gouda, 
Heusden, Kuilenburg, Montfoort, Schiedam, Schoonho- 
ven, IJselstein, enz., hier toch was de kasteelheer veelal zelf de 
meest belanghebbende bij den bloei en de ontwikkeling zijner stad, 
wier uitleg hij daarom gaarne vergemakkelijkte en bevorderde. 



*) Zie de handvesten van Haarlem, tol. 37 en 38. 
2 ) Zie van Mieris' Charterboek, dl. III bladz. 256. 



280 STEDE-UITLEG. — OUD-HAARLEM. — OUD-ENKIIUIZEN. 



Bij de steden, welke echter niet in zulke gunstige voorwaarden 
verkeerden, en, hetzij zij op Grafelijkheidsgrond lagen, hetzij door 
bijzondere Ambachten of Heerlijkheden onmiddellijk omsloten lagen, 
en wier rechtsgebied dus, zooals zulks met Haarlem en Woerden 
het geval was, aan de overzijde harer omgrachting eindigde, was men 
er dan ook steeds op uit om, rondom buiten die gracht, een strook 
gronds, ter breedte van minstens één of meer pijlschoten afstands, als 
Stads-vrije te verkrijgen, zoowel in belang der veiligheid, opdat 
zich niemand zonder toestemming in dien kring zou kunnen vestigen 
of gaan bouwen, vooral niet de ter stede uitgebannenen, als ook om 
in het belang van eigen nering en bedrijf, in den naasten omtrek 
der stad alle soortgelijke nering en bedrijf te kunnen weren. 

Rond de meeste steden vinden wij dan ook een grootere of 
kleinere stads-vrije, staande onder haar rechtsgebied, behoorende tot 
de stadstafel, luisterende naar haar klokgelui, een vrije, soms groot 
van 20 tot 50, van 100 tot 300 roeden, dat is van 70 tot 1100 M. breedte. 

Oud-Haarlem. 

Waar cene stad die vrije miste, zooals Haarlem, daar kwam 
de Graaf haar soms ter hulpe, op 6 Dec. 1389 toch gebiedt Albrecht: 
„dat wie wt Haerlem gebannen wort, dat hij niet comen en sal 
binnen 300 roeden nae die Stede voorschreven op sijne lijff ende op 
sijn goet. Voert soo en sullen wij nyemant vrijheide geven binnen 
XL roeden te lande waert ende binnen 100 roeden te water waert, 
na der vrijheit van Haerlem, ende nyemant sal binnen dese mareke 
omschreven huse timmeren, noch w r oone, maer die husen die nu ter 
tyt op Arcnt [anssoon erve staen, die mogen daer blijven staen, 
onbelet van yemandt ten waer offte onse Stede voorscr. off hebben 
woude, ende dan souden sij se gelden tot ons Raets seggen, dat 
Wij daer toe vougen sullen". 

Oud-Enkhuizen. 

Zoo mogelijk was men bij het verkrijgen van stadsrecht er dan 
ook reeds direct op uit, om, niet alleen ter ronding der veste, maar 
ook te harer isoleering, een ruim grondgebied te vragen. 

Zoo gaf Graaf Willem V in 1354 „sijne lieve en getrouwe luiden 
van Enkhuisen en van Gommerkarspel om meenigh trouwe diensten 
die sij hem en sijne voorsaeten eertij dts gedaen hadden ende hem en sijn 
nakomelingen noch doen souden, een vrijheit en poortrecht, genoemd 



STEDE-UITLEG. — OUD-ENKHUIZEN. — OUD-DELFT. 281 

Enkhuisen, strekkende Noordt-, Oost- en Zuidtwaerdt in see en 
Westwaert aan den ban van Bo ven-Karspel, langs den wegh 
200 roeden breet" '). 

En toen de zee daarna Enk huizen ging benauwen en aan twee 
zijden haar grond wegsloeg en haar vrijheid inkortte, was het Hertog 
Albrecht, die haar op 6 December 1386 ter hulpe kwam, zeggend: „dat 
onse stede van Enchusen soe vergaet, overmits dat die zee aan de 
Westzijde ende te Noorden de wegh langhs alle dagen aenwint, soo 
hebben wij onsen goeden luyden weder haer vrijheidt ghegunt, dat 
is te weten, van haer vrijheidt westwaerdt den wegh langs 95 roeden 
ende elcke zijde van den weghe 100 roeden breedt. Ende geven wij 
haer den ban tot deeser vrijheidt, alsoo langh Zuydt ende Noordt 
streckt van den eene dijck tot den anderen ende Westwaerts alsoo 
langh, als haer vrijheidt daer gaet." 

Elke gunstige gelegenheid tot uitbreiding harer zgn. vrijheid werd 
dan ook gaarne door de steden benut, en dit vooral daar, waar de over- 
heid overtuigd was, dat men binnen korten tijd tot uitleg der stad zou 
moeten overgaan en daarbij dan haar stadsvrije, haar isolatie-, haar om- 
of beveiligingskring, grootendeels zoo niet geheel en al zou verdwijnen. 

Oud-Delft. 

Toen dan ook de stad Delft in het begin van 1390 Aelbrecht 
als Graaf 2 ) huldigend, dezen 4000 guldens schonk, verzocht en verkreeg 
zij te gelijker tijd vergrooting „van heure vrijheid van der Haage 
poorthuys uvtwaert ter siecken luden toe ende an beyde sijden van 
de twee wegen XII roeden breet ende desgelijks also lange ende 
also breet van den poorthuyse te Watersloot uytgaende." En in April 
1448 wist zij van Philips van Bourgondiè* te verkrijgen: „dat wij hen 
gonnen, ende consenteren willen, dat eigheen van wat state hij sij 
oprechten noch maicken en mach, Huysen noch oock aennemen te 



1 ) Op gelijke wijze werd aan E da in, op 20 Nov. 1357 door Hertog Willem 
van Beijeren stadsrecht verleend en tevens bepaald: „voert soe sal die vrijhede 
van Edam strecken Suytwaert van Jan Andriessoenshuse 20 roeden ende aen 
die Westzijde van Jan Heertsoenshuse 20 roeden ende Noertwaert van Jan Dirck- 
soenshuse 20 roeden, ende Oestwaert van Pieter Carpssoenshuse 20 roeden", 
zoodat haar vrijheid blijkbaar rondgiande 20 roeden, dat is + 76 M., werd 
uitgebreid buiten de grens harer toenmalige met woningen bezetten omvang. 

2 ) Vóórdien toch had deze als Ruwaard het bestuur voor zijn krankzinnigen 
broeder Graaf Willem IV waargenomen. 

I. 3 6 



282 STEDE-UITLEG. - - OUD-DELET. — OTID-WEESP. 



maickene eynighe Woensteeden op 't sestich Roeden nader Vrijheyt 
van den voorschreeven Steede, het en sij bij consente van der Vroet- 
domme ende Rijckdomme der selver Stadt, en behoudelick dat dye 
geene die erffachtigheeden hebben, binnen de bewinde ende linage 
van de voorschreven 't sestich Roeden, sullen mogen sonder begrijpe 
maecken off doen maken, ende oprechten clcyne Huysekijns om 
haire Beeste ende vruchten daer in te besteden, ende vertrecken, 
sonder ymer dat die voorschreve geerffde in die selfde Huyskens 
sullen moghen Woenste, Herberghe ofte Taverne noch Cabaret houden." 

Oud-Weesp. 

Soms ook bracht 's Graven eigen belang mede ecne stad te voor- 
komen in haren wensch en in hare behoefte aan uitbreiding o. a. 
gaf uit dien hoofde Hertog Albrecht op 7 Dec. 1401 „om menigen 
trouwen dienst die Ons onse ghetrouwe poorters van Wesepe gedaan 
hebben ende noch doen mogen, ende ooc om te bet te stereken ende 
te bevesten of wij in toecomenden tijde eenigen noot van oorloge omtrent 
onse palen aldaer krijgen mochten, denselven onsen poorters voorsz. 
sulcke gratie ghedaen, ghegheven hebben ende gheven mits desen 
brieven, dat sij die vrijhede van onser stede voorsz. meeren en lengen 
mogen in de oostzijde van de Vecht 50 roeden en van Jan van Zircx 
huyse oostwaert overstreckende tot aen dat nieuwe Poorthuys, dat op 
dese tijt tegens der bruggen staet, sonder argelist." 

Die vorst was toen in oorlog met de Oostvriesen, die met hun 
schepen soms zijne havensteden aan de Zuiderzee trachtten te over- 
vallen, en stelde er dus prijs op, dat ook de jonge stad Weesp (wier 
stadsrecht slechts van vóór 1355 dagteekende) zich in behoorlijken 
veiligheidstoestand bracht. 

Rotterdam echter was verplicht zich eerst met Heer Willem 
van de Wateringen en met diens vrouwe Johanna van Teylingen te 
verstaan en van hen op 30 April 1358 het recht te bedingen, om door 
zijn Ambagt te mogen delven, de stadsvesten te mogen maken en de 
stad te mogen uitzetten , alvorens Hertoch Albrecht de stad kon en wilde 
toestaan zich uit te breiden aan de Westzijde „al sooverre als zij 
luyden met Heer Willem en met sijn vrouw verdragen zijn." 

Buitenpoorters. 

In de stadsvrijheid, buitenom de veste gelegen, werd trots de 
plaatselijke keuren die zulks verboden, zoo de nood drong en er binnen 



STEDE-UITLEG. - BUITENPOORTERS. 283 



de veste bijna geen bouwgrond meer beschikbaar was, soms aan 
dezen of genen oogluikend toegestaan zich te vestigen, 't zij op eigen 
grond of met toestemming van of tegen pachtbetaling aan den grond- 
eigenaar. Zoo ontstonden er allengs vóórsteden, die trouwens evengoed 
of nog eer ontstonden, als de grond onmiddellijk buiten om de stads- 
gracht gelegen, niet tot de stadsvrije, niet tot het stedelijk rechtsgebied 
behoorde, en de stad dus de bevoegdheid miste zulks tegen te gaan. 

Die in die vóórsteden, die buiten de veste wonenden, voor wie 
daar binnen geen, of slechts onder al te bezwarende voorwaarden 
een huisplaats te vinden was, verzochten toch als poorters der stad 
te worden aangenomen, en zoo kreeg men nu land- of bu itenpoorters. 

Daartoe was, zoo 't schijnt, de toestemming van den Graaf 
of Heer noodig, althans het handvest door Graaf Jan I dato 14 Febr. 
12 ( )7 aan die van Harlem gegeven, zegt uitdrukkelijk: „alle die 
gemiene lieden, die an Harlem woenen buten muren ende in den Hout 
buten grafte, die an der grafte woenen, in hoeren poertrechte en in hoere 
coere van den poerte te wesene ende te blivcnen 't Onsen wederroepen." 

Het Stadsrecht van Enkhuizen van 1354 verbiedt het aan- 
nemen als buitenpoorters, zeggende: „Ook souden geen poorteren buiten 
haere vrijheit woonen." 

Noodgedrongen kwamen zij er echter toch. 

In Dordrecht vinden wij er in 1365, die tegen betaling van 
een kroon 'sjaars, poortersrecht hadden; in 1383 verbood de Graaf 
echter dat buiten de stad wonen, een verbod in 1393 voor den duur 
van 20 jaar weder opgeheven, zij kregen toen tolvrijheid voor het 
eigen gewas, dat zij in de stad ter markt brachten, mochten met hun 
goederen in Zuid-Holland niet bekommerd worden, en waren verplicht 
de keuren der stad na te leven en in alle lasten mede te betalen. 

Op 13 May 1388 gaf Hertog Albrecht die van Sint Geerden- 
berghc vrijheid „om 200 Landpoorters te houden om de Stede te 
beteren ende te vesten, sulcks van gratiën ende niet van rechtsweghen 
gheconsenteert," en het volgend jaar op 6 Sept. werd die gracie uit- 
gebreid tot 400 Landpoorters, „ende al wat van desen poerters comen 
sal, als si porters worden ende als si ontportert worden, sal comen an 
onse Stede best ende orbair sonder yements anders ghenot of baet 
daer af te hebben." 

De onvoorziene overvallen, waaraan de land- of haagpoorters in 
die onbeveste open vóórsteden echter dikwijls blootstonden, noodzaakte 
hen niet zelden hun vóórstad te omgrachten en te omwallen ; zulks 



284 STEDE-UITLEG. — BUITENPOORTERS. 



deed o. m. de Schutenschuvers-vóórstad beoosten de stad Groningen 
gelegen, nadat zij in 1536 door de Gelderschen op een nacht was 
overrompeld en in brand gestoken. Van daar ook de aanhoudende drang 
dier vóórsteden om binnen de veste te worden opgenomen , een 
drang te grooter, daar bij dreigend oorlogsgevaar de in die vóórsteden 
wonenden tevens de aanzegging wachtte, om binnen enkele dagen hun 
huizen te moeten afbreken of deze, bij niet voldoening aan dien eisch, 
van wege de Stedelijke Overheid te zien afbranden, zooals o. a. met 
de Lastaadje buiten Amsterdam en in 1508 met de huizen buiten 
de St. Anthonispoort aldaar het geval was en zooals Zwolle deed in 
1672 met hare vóórsteden buiten de Dieser- en Sasserpoort. 

Doch van hoe groote beteekenis de uitleg eener stad in de 
middeleeuwen ook was voor hare woontoestanden, voor de verdere 
ontwikkeling van haar handel en bedrijf, voor hare verdediging en 
uit een geldelijk oogpunt tevens, zoo werd toch maar hoogst zelden 
die aangelegenheid in overeenstemming met die viervoudige beteekenis 
behandeld. 

Het schijnt wel, alsof slechts bij uitzondering aan den uitleg eener 
stad, de vragen zijn voorafgegaan, hoe, in welke richting, in 
welken vorm , voor hoeveel tijd , voor w elke toename in bevolking, 
ten bate van welke verbeteringen als veste, in welk te kort aan 
markt- of havenruimte en wat dies meer zij, kunnen, moeten en 
zullen wij bij de uitbreiding onzer stad voorzien? 

En werden die vragen misschien ter loops ook al eens gedaan, dan 
schijnen zij toch slechts hoogst zelden te zijn belichaamd in een of 
meer ontwerpen of studieplannen en door zakelijke medewerking van 
deskundigen tot een zoodanige oplossing te zijn gebracht, dat de diens- 
volgens uitgelegde stad, daarmede zoowel direct als voor de toekomst 
op het doelmatigst, op het beste gebaat was. 

Niet, dat het noodzakelijk was, een zoodanig wel overwogen plan 
van uitleg onmiddellijk in zijn geheel uit te voeren, dit kon stuks-, 
of moots-, of wijksgewijze, in verloop van één of meer eeuwen plaats 
hebben, al naar de behoefte zulks vroeg of de omstandigheden zulks 
toelieten, doch, hoezeer bijna al onze steden, vele zelfs bij herhaling, 
zich tot uitleg verplicht zagen , waren er slechts enkele harer, welke 
dien uitleg, hetzij dan in eens of bij gedeelten, geheel vrijhielden van kleine 
belangen of toevallige omstandigheden, en deze, volgens een daarvoor 
vooraf met zorg vastgesteld plan, geheel naar eisch tot stand brachten. 



STEDE-UITLEG. 285 



Tot die enkele steden reken ik o. m.:Amsterdam, Groningen, 
Kampen, Maastricht, Oldenzaal en Utrecht. 

Was het gemis aan vertrouwen in eigen toekomst of gebrek aan 
doorzicht, was het vrees voor misschien opkomend oorlogsgevaar, of angst 
om zich door groote uitgaven te veel en te lang in last en in schuld te 
steken, of was het de overweging, dat bij eene groote uitbreiding der reeds 
uitgestrekte ommuring, deze niet voldoende, deze op verschillende punten 
gelijktijdig aangevallen, niet meer naar eisch zou zijn te verdedigen? 

Misschien wel was dit alles te zamen van invloed op het feit, 
dat slechts enkele onzer steden haar uitleg in eens flink onder de 
oogen hebben gezien, dien in eens voor één of meer eeuwen hebben 
opgelost, en, hoezeer die oplossing, dat plan van uitleg, soms niet 
onmiddellijk in zijn geheel uitvoerend, dit toch in hoofdtrekken voor 
de toekomst vaststelden en zich daaraan hielden, dit volgden ook. 

Twee factoren waren blijkbaar meestal van overwegenden invloed 
op het besluit tot en op de wijze en omvang van een uitleg, namelijk 
de vrees der buitenpoorters, van de bewoners eener buitenwijk of 
vóórstad voor een overval, voor plundering en brandstichting én den 
onvoldoenden en gevaarlijken toestand, waarin, bij het toenemend 
gebruik en het toenemend vernielvermogen van het vuurgeschut, de 
zwakste gedeelten der stedelijke verdedigingswerken gekomen waren. 

De veiligheid woog destijds terecht zóó zwaar, dat men zich daar- 
voor, als het moest, gaarne zelfs de zwaarste offers getroostte. Menige 
stad zou zich haar woningnood, haar volslagen gebrek aan ruimte, 
stellig nog jaren lang getroost hebben, ware het niet dat haar veilig- 
heid eene gedeeltelijke of algeheele voorziening onafwijsbaar eisch te, 
eene voorziening, die dan ter zelfder tijd aan haar behoefte aan uitleg 
ten goede kwam, daaraan feitelijk den doorslag gaf, en soms ook, 
alvorens er nog behoefte aan uitleg bestond, toch tot uitleg leidde. 

Beide factoren bovengenoemd spreken inderdaad op 't duidelijkst 
en bij herhaling uit den achtereenvolgenden uitleg van menige stad. 

Gold het enkel de veiligheid eener vóórstad en hare opname i n het 
stedelichaam, binnen de veste, dan verdubbelt of verlengt zij hare 
ommuring en hare omgrachting, rond die vóórstad of buitenwijk, 
dan vernieuwt en verdubbelt zij aan die zijde hare poorten en hare 
verdedigingsmiddelen. 

Gold het echter de voorziening en versterking van de zwakste 



286 STEDE-UITLEG. 



zijde van haar veiligheidsgordel, dan zien wij die geheele zijde uitleggen 
en vervolgens omgorden volgens den nieuwsten verdedigingseisch , met 
rondeelen eerst, vervolgens met eene breedere en hoogere omwalling, 
met eene breedere en diepere gracht en bijna onzichtbare poorten en 
deze daarna nog versterken met bastions of dwingers. 

Was het eene stad bij hare belegering gebleken, dat haar oude 
gordel geen veiligheidsgordel meer kon genoemd worden, dan zien 
wij haar zich soms geheel opnieuw ter verdediging inrichten en clan 
ook ter zelfder tijd voorzien in alle eischen van handel en bedrijf, 
van meerdere woon- en bewegingsruimte en wat dies meer zij. Bijna 
altijd en overal echter, gaf de veiligheid, gaven de eischen der ver- 
dediging den stoot, den doorslag tot een uitleg. 

Eenig systeem is er dan ook bij den uitleg onzer steden moeilijk 
te ontdekken, te moeilijker, daar wij eigenlijk geen oude Stede- 
plattegronden bezitten. De oudste dagteekenen eerst van uit het 
midden der XVI dc eeuw, uit een tijd dus dat onze steden heur eerste 
eeuwen van groei en vergroei reeds gehad hadden, zoodat bij menig 
stad de geschiedenis van haar achtereenvolgen den uitleg nog slechts 
kan worden opgemaakt uit de benaming en uit het beloop harer oude 
straten en grachten, uit de privilegiën haar verstrekt en uit hare 
rekeningen, voorzooveel zij deze laatste geboekt en bewaard heeft; 
bronnen, die echter maar al te dikwijls geen of geen voldoend ant- 
woord geven op de vele vragen waartoe men komt - - en dat juist 
maakt eene studie van dit gedeelte van ons stedeleven zoo lastig, het 
verleden geeft daaromtrent zoo weinig en zoo onvolledig antwoord. 

Den uitleg onzer steden in haar geheel overziende, meen ik 
dien te mogen splitsen in vier groepen: 

in groep A: door aantrekking telkens der zich gevormde vóór- 
stad of buitenwijk ; 

in groep B: door eene geheele stadszijde met een nieuwe wijk, 
met een Nieuwstad te vergrooten ; 

in groep C: door kringvormigen uitleg, zoowel in eens, als bij 
gedeelten, als ook in opvolgende kringen; 

in groep D : door in de aangelegen rivier of zee achtereenvolgens 
havens aan- en uit te leggen, en deze dan telkens te ombouwen. 

Elk dier vier groepen heeft haar eigen vertegenwoordigers, 
waaruit ik eene keuze zal doen, daar het niet doenbaar is ze alle, 
kortelijk zelfs, te beschrijven. 



STEDE-UITLEG. — OUD-UTRECHT. 287 



Groep A wordt het duidelijkst vertegenwoordigd door de steden : 
Utrecht, Zutphen, Kuilenburg, Leiden, Groningen en Haarlem. 

Oud-Utrecht. 

De stad Utrecht (zie haar daartoe wel wat al te klein plan, 
afb. N°. 18), welke zich onder bescherming van den Merovingischen 
burcht en als Bisschoppelijk verblijf reeds vroegtijdig had ontwikkeld, 
was echter ten jare 1007 nog niet ommuurd, althans in de oogen 
harer bewoners onverdedigbaar tegen de Noormannen, welke toen een 
inval deden, van daar dat zij de eigen stad in brand staken en een 
toevlucht zochten binnen den burcht, opdat de vijand zich niet opnieuw, 
evenals in de vorige eeuw, geruimen tijd in de stad kon vestigen. 
Herbouwd en tot voorspoed gekomen, werd zij omstreeks de jaren 
1122 — 1140 geheel ommuurd, bepoort en omtoornd en daarbij toen 
reeds, meent men '), gebracht tot de grootte en den omvang, dien zij 
tot in de XFX de eeuw heeft behouden, een omvang, oostwaarts bepaald 
door de opname binnen de ommuring van de Sint-Pieterskerk, west- 
waarts door die der Sint-Mariakerk, zuidwaarts door die der Sint- 
Nicolaas- en noordwaarts door die der Sint-Jacobskerk. 

Bij dien omvang besloeg zij een oppervlak van ± 1650 M. lengte 
bij gemiddeld 825 M. breedte, of ter grootte van ± 90 hectaren, en was 
zij destijds ongeveer driemaal grooter dan eenig andere onzer steden. 

Die ruime opvatting op het moment harer ommuring, alstoen 
haar oppervlak misschien ineens vertwee- of verdrievoudend, getuigt 
van den durf en van het vertrouwen van de bewoners dier Bisschopsstad, 
wier handel toen bloeide, wier welvaart toen toenam, wier kapittel- 
kerken jaarlijks haar grondbezit en inkomsten belangrijk zagen ver- 
grooten, zoodat zij, in elk opzicht toen onze bcteekenisvolste en 
belangrijkste stad, tal van rijke kooplieden en van groote grond- 
bezitters onder hare bewoners telde, die zich binnen hare muren, 
eerlang zelfs steenen huizen, hun stinsen of burchten lieten bouwen 

Doch de Rijn, waarop haar handel steunde, werd haar ontrouw- 
en verlandde, haar handelsbloei kwam daardoor tot stilstand, haar 
kooplieden verplaatsten zich, met dat gevolg, dat zij de groote, de 
voor huizen-aanbouw opgenomen vrije ruimte binnen hare ommuring 



*) Zie over Oud-Utrecht, hetgeen Mr. Muller daarvan mededeelt als 
inleiding bij zijne studie: „De oude Huizen te Utrecht," opgenomen in het 
Bouwkundig Tijdschrift, jaargang 1902. 



288 STEDE-UITLEG. — OUD-TJTRECHT. 



niet kon vullen, en zich zekerlijk zou hebben verkleind, ware die 
ruimte van lieverlede niet door tal van kloosters ingenomen. 

En toen die kloosters en ook de aanhoorigheden harer vijf kapittel- 
kerken tijdens en na de Reformatie werden opgeheven, diende de 
daardoor beschikbaar komende ruimte als toen ter voorziening in de 
behoefte aan verdere woonruimte dezer stad, de eenigste onder onze 
groote steden, welke in ruim zes eeuwen, van af de XIf Je tot in de 
XIX de eeuw niet is uitgelegd. 

Haar eenigste uitbreiding toch bestond in de vorming eener vóór. 
stad, ter weerszijden der in 1148 in noordelijke richting gegraven 
gracht, den Rijn met de Vecht verbindend, eene vóórstad veiligheids- 
halve in het begin der XVI de eeuw ommuurd en omgracht en sedert 
„de Bemuurde Weerdt" genoemd. 

Wel kwam hier in de XVI de eeuw, evenals in tal van andere 
steden, het denkbeeld van een grootschen uitleg ter sprake, wel 
verklaarden een aantal familiën zich bereid, om, zoo men mocht 
besluiten de stad westwaarts uit te breiden, in dien nieuwen wijk 
alsdan groote huizen te gaan stichten, wel diende Burgemeester 
Mr. H. Moreelse daartoe zelf bij den Raad in 1 664 een ontwerp-plan 
in met eene begrooting der uitgaven en baten '), doch tot dien uitleg 
is het niet gekomen, er was daartoe te veel tegenstand bij hen, die, 
groote erven binnen de stad bezittend, voor dezer waardevermindering 
vreesden. De tot stand gekomen groote uitleg van Amsterdam trok 
bovendien velen, die, zoo meenden de angstvalligen, zich misschien 
in Utrecht zouden hebben gevestigd; daarbij was het ontwerp 
Moreelse de stad in eens tot ± 300 heet. oppervlak vergrootend, 
ook te breed opgezet, zoodat met hem ook zijn plan stierf, waarvan 
slechts tot stand kwamen enkele kanalen, die evenals in de Hollandsche 
steden de binnengrachten, de indeeling van den nieuwen stadswijk 
hadden moeten vormen. 

Jhr. E. de Me y ster, welke na Moreelse voor Utrecht's uitleg 
ijverde, kwam met een nog grootscher ontwerp, door hem in 1670 
als gravure uitgegeven, de stad, door omgaanden uitleg, zie afb. 
N°. 145, tot ± 450 heet. vergrootend. 



l ) Het groote ontwerp van Mr. H. Moreelse met de daaraan door hem 
toegevoegde uitvoerige „Deductie" alsmede het nog grootere van Jhr. E. d e 
Meyster is opgenomen in deel VI van Van der Monde's „Tijdschrift voor 
Geschiedenis en Oudheden van Utrecht", Jrg. 1840. 




o ~ 



r» 




<i 






jQ 




(*H 


C 


« 








u 






bc 


N 


tv 






tuD 


>t 




V 




s 


3 






u 


u 


'O 


-c 



W So 





> 


in 


■j 

N 




TJ 










-o 


i/l 




U 


C 


■0 






O, 


71 


;/.' 




V, 


e 




h 






T3 


J* 










— 


ja 






: ) 


a 




u 




=;; 


m 


fi 


1- 











1) 




na 






a 





37 



290 STEDE-UITLEG. — OUD-UTRECIIT. - OUD-ZUTPHEN. 



Volgens dit ontwerp, dat even eenvoudig als breed, doch wel 
wat al te rechtlijnig is opgevat, zou de nieuwe stad door langs- en 
dwarsgrachten , alle met boomen beplant zeer regelmatig worden 
ingedeeld, grachten in verbinding staande met den Grommen Rijn, met 
de Leek Vaert, met de Vaert naer Leyden, met Het Vleuten, met 
de Vecht, met een groote Haven en met een breede Zcevaerd op den 
noord westelijken hoek der Stad, terwijl een gordel van 30 bastions 
met aansluitende omwalling voor hare veiligheid had te zorgen. 
Verband tusschen de straten der oude of binnenstad met die der 
ontworpen Nieuwstad is er opvallend weinig, bijna niet, daarvoor 
moest blijkbaar de in eene binnengracht veranderde en omboomde 
omgraehting der oude stad zorgen. 

De Me y ster was blijkbaar zelf volkomen overtuigd, dat zijn 
ontwerp niet tot uitvoering zou komen, want op het lint om de obelisk, 
staande in den linkerbenedenhoek zijner gravure, leest men: 

„Wat Baet Het Bril aenbien — 
Als men dogh niet wil zien." 

Met „consideraties van het despicieeren van een bequaeme plaetse 
tot accommodatie van de aenkomende warmoesluyden" hield de Raad 
zich na de indiening van beide plannen zoolang bezig, tot het voor 
Utrecht hoogst rampvolle jaar 1672, voor goed aan alle verdere 
uitlegso verwegingen een einde mankte. 

Oud-Zutphen. 

Terwijl in het plan der stad Utrecht de ommuurde vóórstad op 
het kennelijkst is blijven spreken, is in dat van Zutphen, zie 
afb. N°. 20, de eerste of oude stadskern tot een geheel versmolten 
met haar eersten uitleg. Die oude kern, van een ovaalvormig grond- 
vlak, groot ± 250 bij 400 M., een 10 hectaren slechts beslaande, 
werd tegen het midden der XIII de eeuw noordwaarts tot tegen de 
Bcrkel uitgelegd, haar gewezen noordelijke verdedigingsgracht toen 
gedempt en bestemd en sedert benut als marktstraat en haar opper- 
vlak daarmede vergroot tot het zuidwestelijk stadsgeheel, dat dooi- 
de Berkel begrensd, zoo duidelijk op de afbeelding uitkomt. Aan 
de overzijde van die Berkel, toen haar noordelijke vestgracht, 
vormde zich echter reeds spoedig eene nieuwe vóórstad, die in 
1312 ommuurd als „Nieuw-Stad" bij de oude stad werd aange- 
trokken, haar oppervlak ongeveer 8.5 hectaren vergrootend, terwijl 



STEDE-UITLEG. — OUD-KUILENBURG. - - OUD-LEIDEN. 291 



ruim eene eeuw later, tegen het midden der XV de eeuw, de zich 
sedert oostwaarts ontwikkelde buiten- of vóórstad, werd ommuurd en 
als Spitaai- of Hospitaalstad met een oppervlak van 24 hectaren bij 
de oude stad werd aangetrokken, die aan die zijde, veiligheidshalve, 
hare ommuring met haar torens en dubbele gracht nog geruimen tijd 
in stand hield. Op de kaart van J. Bleau van + 1650 heeft die vóór- 
stad met haar vele en groote tuinen nog geheel en al het karakter 
van een warmoezenierswijk, welk karakter zij in hoofdzaak tot nu 
toe behouden heeft. 

Oud-Kuilenburg. 

Ook in het plan der kleine stad Kuilenburg (zie afb. N°. 47) 
spreken op het duidelijkst hare beide uitleggingen. De oude- of Midden- 
stad ten jare 1144 door den Heer van Bosichem, zoo men wil voor 
zijn jongsten zoon gesticht, kwam eerst tot bloei, nadat de Heer der 
stad zich daarbij in of omstreeks het midden der XIII de eeuw een 
kasteel had gesticht, in de volgende eeuw door een grooter en prach- 
tiger vervangen. Gelijktijdig werd toen de stad aan hare rivier- of 
Lekzijde uitgelegd, en ontstond de vóórstad, de Havendijk, terwijl 
tegen het laatst dicrzelfde eeuw, in de jaren 1385 — '92, aan de tegen- 
overgestelde, aan de Bommelsche zijde, de Nieuw-stad werd aange- 
legd, waarin de bewoners van de buurten Lanksmeer, Pavijen en 
Parijs, die vanwege de verhooging van den Diefdijk waterlast hadden 
gekregen, gaarne werden opgenomen, zelfs werden gelokt, zegt de 
Culemborgsche Kroniekschrijver. 

Door overbrugde grachten en binnenpoorten van de Midden-stad 
gescheiden, behield elk dier drie stadsdeelen iets eigens, iets oor- 
spronkelijks, vooral de Nieuw-stad, wier vele kleine hofsteden en 
hooischelven nog lang getuigden, dat zij hoofdzakelijk door en voor 
eene landbouwdrijvende bevolking was aangelegd. 

Oud-Leiden. 

Minder duidelijk als bij genoemde steden spreekt thans uit den 
plattegrond van de stad Leiden (zie afb. N°. 104) haar herhaalden, 
haar vijfvoudigen uitleg. 

De oude stadskern, had zich eenigszins ovaalvormig tegenover 
den Burcht langs den Rijn ontwikkeld en besloeg, omgracht en om- 
muurd, langs die rivier eene lengte van + 750 M. bij eene breedte 
van op 't meest 400 M. Ten jare 1294 uitgelegd aan de overzijde van 



292 STEDE-UITLEG. — OUD-LEIDEN. 



den Nieuwen Rijn, bezuiden en beoosten van den Burcht, werd de 
stad alstoen in grondvlak verdubbeld en kreeg zij oostwaarts de latere 
Heeregraft tot verdedigingsgracht. Deze uitleg heeft het eigenaardige, 
misschien wel in navolging van Delft, dat men daarin ter wille van 
het vervoer en bedrijf geen langsstraten , maar langsgrachten vindt: 
de Hoy-graft, de Middelste- en de Uyterste Graft, zij was cenc der 
eerste onzer Hollandsche steden, welke, de waarde van het bezit 
van vele binnengrachten ten volle erkennend, daarmede bij haar 
uitleg rekening hield. 

Ruim eene halve eeuw later, in 1355, had een tweede uitleg 
plaats en werd aan de overzijde van den Ouden Rijn, benoorden den 
Burcht, ter weerszijden van de Maren, het Maren-dorp ter lengte van 
+ 925 M. bij de stad aangetrokken en omvest, welke daardoor nu een 
bijna vierkante grondvorm kreeg. Reeds in 1389 volgde een derde 
uitleg, ditmaal bezuiden en beoosten de oude stadskern, een uitleg 
op het regelmatigst door zeven binnengrachten, alle door de gewezen 
vest met elkaar in verbinding staande, ingedeeld en eerst een en een 
kwart eeuw later, in 1610, gevolgd door eene vierde uitbreiding, 
ten noorden, zich noordwestelijk aansluitend bij den vorigen uitleg- 
en door een breede langsgracht met vijf d warsgrachten het systeem 
der binnengrachten voortzettend, evenals dit mede plaats had bij de 
spoedig daarop gevolgde v ij f d e of laatste vergrooting ten oosten 
dezer stad, in de jaren 1644— '50, waardoor haar oppervlak, vóór haar 
eersten uitleg groot + 20 heet., nu werd gebracht tot ± 165 heet. 

Uit de bestaande indeeling dezer stad spreekt vrij duidelijk 
haar groei, haar ontwikkeling in vijf tempo's. Die indeeling zou, 
ware van den eersten uitleg af voor haar groei bij voortduring een 
vast, goed doordacht plan gevolgd, stellig een geheel ander karakter 
hebben gedragen, maar toch is hier bij elke nieuwe uitbreiding zoo 
goed mogelijk aansluiting gezocht en verkregen met het reeds be- 
staande stadsgedeelte en daardoor dan ook een goed stadsgeheel 
tot stand gekomen. 

Hoezeer de oude stadskern door die achtereenvolgende uitbrei- 
dingen eindelijk geheel werd omsloten, behoort daarom de uitleg dezer 
stad nog niet tot groep C, tot die van den kringvormigen uitleg. 

O ud-Gronin gen. 

De stad Groningen vooral levert in hare achtereenvolgende 
uitleggingen, op haar historischen plattegrond, af b. N°. 40, alle duidelijk 



STEDE-UITLEG. — OUD-GRONINGEN. 293 



uitkomend, een belangrijk voorbeeld van een eerst geleidelijken en 
vervolgens grootschen stadsuitleg. 

Na haar ramp in April 1227 grootendeels opnieuw aangelegd, 
heeft zij zich toen tevens uitgelegd en de buurt, welke zich aan haar 
west- of Friesche zijde buiten de omgrachting had gevormd binnen 
de ommuring opgenomen, daardoor haar grondvlak, vóórdien groot 
50 heet., uitbreidend tot ruim 53 heet. Langzamerhand schijnt zich 
echter langs hare zuid- of Drentsche zijde, opnieuw eene vóórstad 
te hebben gevormd, die hoezeer veiligheidshalve omwald en omgracht, 
toch, daar juist die stadszijde altijd het eerst en het meest van 
aan- of overvallen te duchten had, menigmaal angstige dagen zal 
hebben doorleefd. 

Toen dan ook „Hartoich Karell van Burgonien omtrent sunte 
Lamberts-dage van het jaar 1469, begeerde de Stadt in sijner macht 
te hebben, en de van Groningen bij em in den Hage in Hollant 
ontbood en de bynnen een maent tijd es antword op zijn eisch ver- 
langde," werd die vóórstad dan ook in allerijl, met behulp van 1400 
Ommelanders daartoe opgeroepen, in meer voldoenden staat van 
verdediging gebracht en binnen de veste, binnen de stad opgenomen, 
die zich daardoor ±12 hectaren vergrootte en haar beide hoofd- 
straten, de Heerc- en de Oosterstraat, alsnu elk met 200 M. verlengde. 

Beoosten van dien uitleg vormde zich daarna buiten den zuid- 
oostelijken hoek der stadsgracht eene nieuwe buurt, die der Schuten- 
schuvers, die, na bij een nachtelijken overval te zijn verbrand, zich 
omwalde en omgrachtte en den driehoekigen vorm aannam door de 
drie dubbele stippellijnen op het plan aangegeven, een buurt, die bij 
den daarop volgenden grootcn uitleg der stad, behoudens haar lang- 
straat, daarin geheel verdween. 

Dreigende oorlogsgevaren, tijdens het Geldersche bestuur, waren 
oorzaak, dat in 1522 een kleine buitenwijk welke opnieuw bewesten 
de stad was ontstaan binnen de veste werd opgenomen en ommuurd, 
terwijl de belegering en inname der stad door Prins Maurits in 1594, 
zóó overtuigend den onvoldoenden toestand harer verdedigingswerken 
aantoonde, dat men, doch vooral op aandrang van den Prins zelf, 
besloot haar in beteren staat van tegenweer te brengen. 

Aanvankelijk bepaalden de plannen dier nieuwe vestingwerken 
zich enkel tot haar zwakste of zuidelijke zijde, doch reeds spoedig 
zag men de noodzakelijkheid in, om de stad van rondsomme met 
eene dubbele omwallinir met de noodige dwingers en eene breedere 



294 STEDE-UITLEG. — OUD-GRONINGEN. 



en diepere gracht te voorzien. Toen die noodzakelijkheid eenmaal 
erkend was en vaststond, rijpte ter zelfder tijd het denkbeeld, haar 
tevens voor een of meer eeuwen uit te breiden en de warmoezeniers- 
wijk die allengs benoorden haar ontstaan was, binnen de voorge- 
nomen nieuwe omwalling en omgrachting op te nemen, en deze onder 
opname mede der Schuten-schuversbuurt tot een goed stadsgeheel te 
vormen en af te ronden. Dit brcede denkbeeld vond ingang, werd 
besproken en rijpelijk overlegd en twee deskundigen met twee Burge- 
meesters daartoe in 1608 naar die Haghe, naar den Prins afge- 
vaardigd en aan diens oordeel en goedkeuring het ontwerp der nieuwe 
verdedigingswerken onderworpen. 

Na verkregen goedkeuring en toezegging tevens van staatshulp 
werd binnen 17 jaar tijds, van 1607 — 1624, (de werkzaamheden 
aan de zuidzijde der stad waren reeds in 1607 begonnen) dit groote 
werk voltooid, en de Stad, binnen hare veste, van 67 tot 122 heet. 
uitgebreid; haar walgordel had nu, gemeten langs den voet der 
dwingers, eene lengte van ± 4400 M. en langs den omtrek dier 
dwingers eene lengte van ± 7000 M. 

Die omwalling en omgrachting met de nieuwe poorten en 
bruggen, heeft haar destijds ruim 3 millioen gulden gekost, een 
bedrag misschien gelijkstaande met 14 millioen nu. De algemeene 
en gewestelijke Staten, hoezeer de noodzakelijkheid van het grootsche 
werk erkennend en op de tot standkoming zoo beslist mogelijk 
aandringend, hebben echter slechts voor '/o gedeelte in die kosten 
bijgedragen. 

Wat deze uitleg, die in verhouding grooter en breeder is opgevat 
dan die van eenig andere onzer steden, Amsterdam niet uitge- 
zonderd, onderscheidt, zijn niet alleen de voor dien tijd bijzonder ruim 
opgevatte straten, maar vooral de verschillende voorzieningen, daarbij 
door de Overheid genomen ten behoeve der toekomst. 

In het plan van uitleg toch werd opgenomen en vrijgehouden : 
een ruime Osse Merct, groot 1 heet., een terrein rer grootte van 
1 V-2 heet. voor eene later te stichten Protestantsche Kerk met bijbe- 
hoorend Kerckhof, een terrein geschikt voor een groot Krijgsmagazijn, 
een ander terrein voor een Tuchthuis, een geschikte plaats voor een 
Pulver-Meulcn, bovendien een groot erf aan den mond van de Haven 
bestemd tot scheepstimmerwerf en aan de Meekers, de looiers, de 
molenaars, de touwslagers en andere bedrij fslieden de voor ieder 
bedrijf meest geëigende terreinen aangewezen. 



STEDE-UITLEG. 



OUD-HAARLEM. 



295 



De West-Indische Compagnie vond bij het Stadsbestuur, dat 
daarin aandeden nam, allen steun; de gewezen noordelijke vesting- 
gracht werd grootendeels tot een binnenhaven ingericht en ter weers- 
zijden met ruime opslagplaatsen omzet, kortom, deze uitleg werd 
zóó breed opgevat en daarbij in de behoeften der naaste toekomst, 
zóó goed voorzien, dat daarmede in eens voor 2 1 /* eeuw tot in de 
XlX de eeuw, aan de ruimtebehoeften dezer stad was voldaan, wier 
uitleg onder die onzer steden, een der merkwaardigste is en blijft. 



3 




Afb. N°. 146. De Nieuwe Stads-Herberg aan het IJ te Amsterdam. 

Oud-Haarlem. 

Haarlem behoort tot die steden, over wier eerste wording en 
ontwikkeling de geschiedenis zwijgt. Of zij ontstaan is bij een kasteel 
van een der Heeren van Harlem en of dit kasteel met bijbehoorenden 
grond reeds vroegtijdig in het bezit is gekomen van de Graven van 
Holland en zij zich eerst daarna en dus op Grafelijken grond ontwik- 
kelde, dit zijn, vermeen ik, nog open vragen. 

Bij Melis Stoke wordt zij op het jaar 1155 reeds eene stad 
genoemd; in 1245 krijgt zij van Willem II, die er zou zijn geboren, 



2% STEDE-UITLEG. — OÜD-HAARLEM. 



stadsrecht, en in het midden der XIII de eeuw was zij reeds cene 
beteekenisvollc plaats, begrensd door het Spaarne, haar handelsrivier, 
door de Oude-, door de Bakenesse- en eene noordelijke vestinggracht 
en groot ± 88 hectaren. 

In die zelfde eeuw werd zij zuid- en westwaarts uitgelegd en 
in het midden der volgende, in 1355, werd de buurt, die zich aan 
de overzijde van het Spaarne had gevormd, bij haar aangetrokken, 
ommuurd en omgracht, een uitleg in het begin der XV de eeuw, 
omstreeks 1426, aan die zelfde zijde voortgezet, terwijl alstoen mede 
de buitenwijk welke zich aan de overzijde der Baken essegracht ontwik- 
keld had, in de veste werd opgenomen, wier oppervlak zich daardoor 
vergrootte tot ± 350 heet. 

De groote toeloop van vreemdelingen, welke zich in de tweede 
helft der XVII de eeuw, zoo binnen de stad als buiten in haar vrijdom 
vestigden, deed de Overheid besluiten en plannen ontwerpen tot een 
nieuwen uitleg, doch nu aan de Noordzijde met een terrein van ± 900 M. 
diepte bij + 2000 M. lengte, alzoo groot 180 heet., waarop echter 
reeds een 452 buitenwoningen, sommige door 2 of 3 gezinnen bezet, 
verspreid lagen. 

Van die ontwerpen is in origïnale bewaard gebleven, dat, hetwelk 
de bekende bouwmeester van de Prinsen van Orangen, P ie ter Post, 
dato 3 Maart 104.'! indiende l ). Doorsneden door twee langsgrachten en 
het Spaarne, omzet met ruime opslagkaden, en door één dwarsgracht, 
bevatte het twee vrije pleinen en was het in allen deele even eenvoudig 
als doelmatig ingedeeld. Ken tweede ontwerp, in 1644 door den Haar- 
lemmer Bouwmeester S alom on de Bray gemaakt, werd door hem 
in 1661 in druk uitgegeven en met uitvoerige „Bedenckingen , calcu- 
latiën en korte berekeningen, aan den E. E. Heeren , den Borgher- 
meesteren en de Regeerders der Stadt opgedragen", toen deze, het 
wegens den oorlog met Engeland en andere zorgen verdaagde 
uitbreidingsplan, eindelijk opnieuw gingen overwegen. 

De Bray's memorie vertelt ons op ongezochte wijze de middelen 
welke onze steden in de XVII de eeuw bezigden, om ten bate harer 
groote uitbreidingen „meer aanvloedt en toeloop van volk te krijgen". 
Hij stelt daartoe voor: 



] ) Gaarne had ik van dil ontwerp en mede van dat van De Bray eene 
afbeelding opgenomen, overschreed liet aantal afbeeldingen in dit deel, niet 
reeds verre dat, hetwelk de uitgever zich gedacht had. 



STEDE-UITLEG. — OUD-HAARLEM. 297 

eerstens, aan alle binnen het begrip der circumvallatie reeds 
wonenden het volle recht van burgerschap der Stad te verleenen, en 
zulks mede aan alle van buiten komenden, die binnen een gestelden 
termijn, binnen den nieuwen uitleg Cén of meer Erven komen te 
betimmeren en er komen wonen ; 

tweedens, om ter aanmoediging der bebouwing, voor eenige 
jaren vrijdom van alle lands- en huisverponding toe te staan; en hen, 
die erven hadden gekocht en betaald tegen lagen interest en aflossing 
bouwgeld voor te schieten; 

derden s, om aan de handwerken, ambachten en neringen in 
de nieuwe Stad vrijstelling te verleenen van de vele lastige bepalingen , 
waaraan vooral de weverij en het smal werken in de oude Stad 
waren onderworpen ; 

vierdens, om van Stadswege te beneficieeren en te begunstigen 
al degenen, die met eenige nieuwe soort van bedrijf of kunde of 
nering, of hoedanige ook, zich hier metterwoon wilden vestigen; 
ten slotte de Regeering in overweging gevende, als zijnde zeer dienstig 
en machtig tot de vermeerdering der bevolking te helpen, eene alge- 
meene vrijheid aan alle bekende Christelijke religiën en godsdiensten 
toe te laten, inzonderheid aan de Roomsch-Katholieken, en te gedoogen 
de inwoning der Joden, met toelating van te hebben eene Synagoge, 
naar hun gebruik, aldus De Bray. 

Eerst na afloop van den tweeden Engelschen oorlog (1665 — '67), 
eerst in Januari 1671, kwam het plan van uitleg eindelijk in behande- 
ling en besloot de overheid aan hun E. E. Groot Mogenden, het noodige 
Octroy ter vergrooting der Stad aan te vragen , in het daartoe ' 
strekkend verzoekschrift zeggende : 

„dat sij al van seer vele jaeren hebbende gemerckt de disordre 
en ongerechteden, die van tijt tot tijt worden gepleegt in de groote 
voorsteden rontsom de voors. Stadt gelegen , dat niet alleen bij nacht 
en ontijden, wanneer de poorten van de Stadt gesloten waren, ende 
men mitsdien in die voors. voorsteden geen goet toeversicht draegen 
conde, waerom vele Keuren en Ordonnantien ten dienste van 't gemeen 
bij 't gerecht der voors. Stadt gegeven zijn, maer oock die gemeene 
lantsimposten ende der Stadt accijnsen merckelijck gefraudeert wierden, 
ende dat daerdoor alderhanden licentie ende ongebondenheyt onder 
de ingesetenen van de voors. Stadt, de voorschreven voorsteden 
bewonende, meer en meer was vermeerdert tot desolatie ende bederf 
van derselver ingesetenen; 

i. 38 



298 STEDE-UITLEG. — OUD-HAARLEM. 

„dat de vertoonders daertegen willende voorsien, resolutie hadden 
genomen om de voors. Stadt te vergroten, ende also sij vertoonders 
derhalven nodigh souden hebben de Landen, Tuynen ende Erven 
naest de voors. Stadt gelegen, tot de voors. vergrotinge te appliceren 
en in eigendom te nemen, om daervan te approprieren een gedeelte 
tot wallen, singelen, water en straeten, ende een ander gedeelte tot 
het bouwen van huysen. 

„Ende hoewel de vertoonders vermeynden daertoe uyt haerselven 
te sijn gequalificeert, soo sijn sij nochtans beduchtende daerover in 
geschil te connen raeken, ende hebben daer omme liever gehadt haer 
te adresseren aan Uw.Ed. Groot Mogende te versoecken, so als sij 
doen mits desen (voor soo veel des noot soude mogen sijn) Uw.Ed. 
Groot Mog. Octroy, om de voors. Stadt sulcks te vergrooten, als sij 
vertoonders tot meesten dienst ende gerief van de voors. buyten 
wonende ingesetenen, mitsgaders verseekertheyt van de selve Stadt 
ende dienst van 't Lant sullen bevinden te behoren met inachtneminge 
van de jurisdictie naer advenant van de voors. vergrotinge, ende dat 
de Stadt de Landen, Erven, ende Tuynen, die bij de voors. ver- 
grotinge daer binnen sullen comen, in eygendom sal mogen aennemen, 
mits de eygenaers van dien en oock de ambachtsheeren voor haer 
ambachtsheerlijckheyt het haer competerende voldoende (volgens bil- 
lijke) taxatie". 

Dit verzoek w^erd door de Staten van Holland en Westfriesland , 
waaraan het gericht was, zoo gunstig ontvangen, dat de Vroedschap 
reeds in Maart 1671 besloot de zaak voort te zetten, en alstoen eene 
Notificatie uitvaardigde, ten einde hun, die daarbij belang mochten 
hebben, bepaalde aanwijzing te doen van de plaats en gelegenheid, 
hoe en waar de voorgenomen uitlegging de Stad zoude plaats hebben; 
tevens de redenen opgevende, w^elke haar hadden bew r ogen tot deze 
vergrooting der Stad over te gaan ; eene Commissie van Uitleg voorts 
aanwijzende, w r elke tweemaal 's weeks, des morgens te 9 uren op de 
Blauwe of Vroedschapskamer zoude vergaderen, alwaar een iegenlijk 
daar bij meenende geïnteresseerd te wezen, zijne belangen of klachten 
zou kunnen inbrengen. 

Vooral leverde de slooping en ontruiming van de huizen en 
erven, reeds binnen dien uitleg gelegen, velerlei moeiten en bezwaren 
op voor hen, die gedw r ongen werden te verhuizen, w r egens gebrek 
aan geschikte woningen binnen de stad, terwijl ook vele eigenaars 



STEDE-UITLEG. — OUD-HAARLEM. 



2U0 



en huurders van perceelen, binnen de rooilinien van den nieuwen 
uitleg gelegen, niet minder last veroorzaakten, zoo zelfs dat men 
besloot alle schadevergoeding te ontzeggen aan hen, die zich bleven 
verzetten tegen de genomen besluiten en onwillig bleken binnen den 
bepaalden tijd hun opstal op te ruimen en alle obstaclen te amoveeren. 
Den 8 sten November 1671 werden daarop bij aanplakbiljetten 
gepubliceerd: „de Conditien en Voorwaerden waerop Heeren Com- 
missarissen tot de nieuwe vergrootinge deser Stadt Haerlem beginnen 
publycquelijck te verkopen aan de meestbiedenden verscheyde erven,.... 




Afb. N°. 147. Het Voorhout te 'sGravenhage in de XVII de eeuw. 

sullende de kopers gehouden wesen de voors. erven te betimmeren 
met goede bequamen huysen voor een ofte meer vierkanten (verdie- 
pingen), daer van het benedenste vierkant boven de bovenkant van 
den voordenste drempel sal moeten sijn niet laeger als twaelff voet, 
ende de gevels en muyre komende voor aan de straet, te maeken 

van leytse steen", enz. 

De uitleg toen begonnen was feitelijk eerst in 1686 voltooid en 
kostte aan de stad, na aftrek der baten, ƒ 444,781.17, een kostencijfer 
of nadeelig saldo veroorzaakt door de vestingwerken om dien uitleg; 
zonder deze zou de uitleg haar een batig slot hebben opgeleverd. 
In de moeilijke jaren, welke de stad sedert 1734 en vooral in den 
Franschen tijd doorleefde, werden er meer dan 1200 huizen gesloopt 
en verdwenen juist een aantal aanzienlijke gebouwen bij haar laatsten 
uitleg in de Nieuw-stad gesticht. 



300 STEDE-UITLEG. — OUD-MAASTRICHT. — OUD-KAMPEN. 



Groep B, uitleg eener stad slechts langs ééne zijde, vindt in 
hoofdzaak onder de riviersteden hare vertegenwoordigsters, en zulks 
het duidelijkst in de steden Maastricht, Kampen en Zwolle. 

Maastricht (zie haar historischen plattegrond, afb. N°. 3), was, 
na zich ten jare 1229 opnieuw ommuurd, bepoort en betorend te 
hebben en na alstoen de ruimte binnen hare veste tot ± 40 heet. 
te hebben afgerond, sedert blijkbaar voortdurend in bloei en ontwik- 
keling toegenomen, althans reeds vóór het einde dier eeuw, reeds in 
1295, breidde zij zich bewesten en benoorden gemiddeld 400 M. breedte 
uit, haar oppervlak daardoor tot ± 90 heet. vergrootend. Wel scheen 
men eerst voornemens den uitleg noordwaarts op 300 M. breedte te 
bepalen en de vergrooting zoodoende + 13 x /a heet. kleiner te nemen, 
doch het grootere plan werd uitgevoerd; met de aanwinst daardoor 
verkregen heeft Maastricht dan ook evenals de stad Utrecht tot 
op het einde der XIX tie eeuw kunnen volstaan ; ook hier hebben tal 
van kloosters (een grootc 30-tal zelfs) die groote ruimte binnen de 
veste helpen vullen, en dienden de groote gebouwen en terreinen, 
na de opheffing van het meerendeel dezer kloosters later beschikbaar 
geworden, sedert meerendeels voor militaire doeleinden. 

Karakteristieker echter als van Maastricht, is de uitleg van 
Kampen (zie afb. N°. 107). Daar de bevolking buiten de muren 
steeds toenam, doch haar aldaar het uitoefenen van neringen en 
ambachten verboden was, werd de drang naar uitleg eindelijk zóó 
groot, dat de Overheid ten jare 1462 besloot, om door de maten, 
tuinen en hoven heen, op gemiddeld 200 M. afstands uit de stads- 
gracht, eene nieuwe gracht langs de landzijde der stad te graven, 
en de daarbinnen gelegen gronden bij de stad aan te trekken en aan 
te koopen, tegen betaling van één heeren pond per roede hof- of tuin- 
grond en een gelijk bedrag voor de roede weideland, en van twee pond 
per roede appel- of pereboomgaarden. 

Dit besluit werd uitgevoerd en daarmede het oppervlak der stad 
binnen de ommuring, bijna voor 3 / 5 vergroot, een oppervlak, 
blijkens de afb. van 1598, toen nog op verre na niet volbouwd 
en in de Nieuw-stad meerendeels nog bezet met kleine hofsteden en 
boomgaarden; sedert is deze stad, wier bloei tot stilstand was gekomen, 
dan ook niet meer uitgebreid ; haar vestinggracht of burgwal van 
vóór dien uitleg, bleef als binnengracht behouden en verlevendigd, 
ombouwd en omboomd als zij is, deze hoogst karakteristieke stad. 



STEDE-UITLEG. — OUD-ZWOLLE. — OUD-OLDENZAAL. 301 

Zwolle, dat, na ten jare 1230 van den Bisschop van Utrecht 
stadsrecht te hebben gekregen, zich had omwald en omgracht, had 
alstoen de binnengracht, welke haar op den plattegrond van + 1580 
(afb. N". 16) geheel doorloopt, en ter plaatse harer markt overkluisd 
is, tot buiten- of vestinggracht; al hetgeen benoorden die gracht ligt, 
bijna het halve oppervlak dezer stad dus is van lateren tijd. 

Na haar grooten brand van het jaar 1324, schijnt in het noord- 
oosten het kleine gedeelte tusschen de Dieserstraat en die gracht te 
zijn uitgelegd, gevolgd in 1396 door een grooten uitleg, zich uitstrek- 
kend tot aan haar tweede noordelijke binnengracht, alstoen haar 
vestinggracht aan die zijde, terwijl ± Anno 1500 door het graven van 
het Canaal benoorden de stad, het Eylandeken ontstond, dat nu mede 
bij de stad werd aangetrokken, ommuurd en betorend, zoodat dit Canaal 
nu de stadsgrafte tevens werd. 

Wat Maastricht en Kampen beiden in eens hadden gedaan, 
deed Zwolle in drie achtereenvolgende kleinere uitleggingen, daarbij 
aan ééne zijde het stedelichaam zóó vergrootend, dat dit. behoudens 
een kleinen aanbouw in het midden der XVII de eeuw aan de overzijde 
der Noordelijke stadsgracht, tot in de XlX de eeuw geen verdere ver- 
andering onderging. Wel stonden in 1672 de bakens reeds uiteen- 
gezet, om de groote vóórstad, die zich buiten haar Dieserpoort had 
gevormd, als Nieuw-stad binnen den verdedigingsgordel op te nemen, 
doch met den oorlog die toen uitbrak, verviel voor goed de uitvoering 
van dit uitbreidingsplan. 

Tot de steden met kringvormigen uitleg, tot groep C, behooren 
onder meer de steden 01 denzaal, Amersfoort, Middelburg 
en Amsterdam. 

De aloude Marktstad Oldenzaal, reeds vroegtijdig, naar men 
meent reeds in de eerste helft der X de eeuw omvest, was ten jare 1212 
reeds bemuurd en heeft blijkens haar afb. N°. 15, een opvallenden 
centraal-aanleg. 

Rond haar oude Kapittelkerk, de Sint-Plechelmus, met cirkel- 
vormig kerkplein is de stad concentrisch gebouwd en uitgelegd, door 
eene langsstraat van cirkelvormig beloop in twee groote ringen ver- 
deeld, die door tal van dwarsstraten, alle op het kerkplein aanloo- 
pend, zijn onderverdeeld. Deze cirkelvormige indeeling blijkt reeds 
van oudere dagteekening te zijn dan de groote brand, die op Sint- 
Lebuinusdag van het jaar 1492 de stad grootendeels verteerde. Daar 



302 STEDE-UITLEG. - - OUD-AMERSEOORT. — OUD-MIDDKLBURG. 



deze grensvesting bij herhaling door den vijand werd overvallen en 
genomen en dezen dan tot steunpunt diende, besloten de Staten in 
1626 haar te ontvesten, waartoe een 2000 huislieden uit de Marke 
en uit de omgeving werden opgeroepen, tot niet weinig misnoegen en 
zorg der ingezetenen, die dan ook in 1644 de stad weder eenigermate 
versterkten. Ter plaatse van den vroegeren vestingmuur scheidt nu 
een cirkelvormige straat, de „Achter den Muur", de oude stad van 
het sedert buiten om haar nog aangebouwde. 

De stad Amersfoort, ten jare 1269 reeds bemuurd, had toen 
den vorm der omgrachte binnenstad, die met hare Muurhuysen langs 
die gracht op afb. N v) . 14 zeer duidelijk spreekt. De straat langs die 
Muurhuysen, den geheelen omtrek der oude stad volgende, heet dan 
ook nog steeds de Muur straat. 

Rond die ovaalvormige stad, door eene binnen-, de Langegracht 
en door de Langsstraat, die elkaar kruisen, doorsneden, vormde zich 
ter weerszijden van de rivier de Eem en ter weerszijden harer land- 
wegen eene buurt, eene buitenwijk of vóórstad, van zoodanige betee- 
kenis, dat er reeds in 1340 sprake is van eene binnen- en van eene 
buitenstad, welke laatste tusschen de jaren 1380 — 1425 ommuurd, 
omgracht, bepoort en omtorend, als Nieuwstad, bij de oude of binnen- 
stad kringvormig werd aangetrokken, zooals uit den plattegrond van 
+ 1580 blijkt, die tevens de regelmatige aansluiting van haar straten- 
beloop toont. 

De stad Middelburg, ten jare 1217 reeds eene besloten veste, 
toont zelve in haar plattegrond van Anno 1599 (zie afb. N°. 9) den 
cirkelvorm dien zij oorspronkelijk had, bij eene grootte van ± 730 M. 
diameter, door haar Burchtstraat diametraal doorsneden en met haar 
groote Abdij, alstoen ruim een derde van haar totaal grondvlak 
beslaande. 

Bij de groote keure die zij op 11 Maart 1254 van Graaf Willem II 
kreeg, werd bepaald, „dat de buter port wonen in hore woninghen 
syn in derselver vrihede dar die porters in syn", en reeds spoedig 
daarna, althans vóór het jaar 1266, werd de stad nu met een ruimen 
kring nagenoeg cirkelvormig uitgelegd, een cirkelvorm verbroken, 
toen omstreeks 1365 de haven binnen de stad werd getrokken. 

Door den ramp van Antwerpen in 1584 in buitengewone mate 



STEDE-UITLEG. — OUD- AMSTERDAM. 303 



toenemende '), volgde in de jaren 1590— '98 haar tweede, haar laatste 
ringvormige uitleg, waarbij tevens het Molen water, omstreeks 1304 
gegraven tot spuiing van de Haven en omstreeks 1330 in oppervlak 
verdubbeld, binnen de veste werd opgenomen. Ter zelfder tijd werd 
zij geheel met nieuwe verdedigingswerken en met dertien bastions 
voorzien en met twee ruime binnengrachten, die in verbinding staande 
met haar Arnehaven, tevens tot legplaats dienden voor hare handels- 
vloot en voor tal van andere schepen en kreeg zij binnen de veste 
een grootte van 96 V* heet. 2 ). 

Oud- Amsterdam. 

Nadat Heer Gijsbrecht van Amstel, toen de Kennemers bij hun 
inval in Amstelland in 1204, zijn kasteel te Ouderkerk verbrand 
hadden, zich bij het IJ aan den Amstel een nieuw kasteel, zijn „Huys 
't Aemstel" had gebouwd, nam, beschermd door dat huis, de bijge- 
legen visschers- en kramersbuurt langzamerhand in omvang en in 
beteekenis toe, en nadat de kasteelheer ten jare 1240 een dam 
aldaar in den Amstel had laten leggen, werd die buurt Aemstel- 
redamme genoemd. 

Die damme zelve, het eindpunt van de in 't IJ uitloopende haven, 
werd nu het middelpunt en het dichtst ombouwde gedeelte der zich 
ontwikkelende buurt, toen nog weinig meer dan een streek, of ééne 
Strate, de latere Warmoesstraat, met eene kapel, de latere Oude 
kerk en een begraafplaats op haar noordelijk uiteinde. 

Aldus was het begin van de stad Amsterdam, zóó klein was 
haar omvang en beteekenis in het midden der XIII de eeuw, toen de 
stad Utrecht reeds in vollen, in haar grootsten bloei was, toen de 
stad Groningen reeds lang een beteekenisvolle handelsplaats was, 
toen de stad Maastricht haar vóórsteden reeds zag groeien, die 
haar zouden nopen tot haar grooten uitleg op het einde dier eeuw\ 

Doch die visschersbuurt aan den Amstel veranderde allengs 
in een handelsbuurt , in 1247 is er reeds sprake van een Aemstelsche 
kogge te Lübeck in beslag genomen, en die handelsbuurt, wist ten 



') In de jaren 1584 '86 kwamen uit de Spaansche Nederlanden zoovelen zich 
hier vestigen, dat daardoor binnen drie jaar tijds het aantal ledematen der 
Hervormde gemeente met 2300 toenam. 

') Tot de buitenlandsche steden eveneens met sterk sprekenden, kringvor- 
migen aan- en uitleg behooren o. m. Aken en Brugge. 



304 STEDE-UITLECx. — OUD- AMSTERDAM. 

jare 1275 van Graaf Floris V tol vrijheid door Holland te verkrijgen, 
welk privilegie zij echter spoedig daarna verliest bij den strijd van 
haar Heer met dien Graaf, waarbij zij in het voorjaar van 1280 zelfs 
geheel verbrandde en welk privilegie zij eerst in 1291 herkreeg. 

Bij handvest van 21 May 1300 door Gui van Henegouwen tot 
stad verheven, verliest zij in 1304 met haar stadsrecht haar tolvrijheid, 
van wege haar trouwe aan 't Aemstelhuys, dat nu wordt gesloopt 
en met haar Heeren verdween. 

Eerst in 1317 weder in het bezit harer rechten en vrijheden, had 
zij van nu af tot Heer den Graaf van Holland, die haar op 9 December 
1342 voor een goede somme van penningen al de vrijheden en rechten 
schonk van de Vrije steden der Graaflijkheid en tevens de palen 
harer vrijheid bepaalde en deze hoogstwaarschijnlijk uitbreidde tevens. 

De stad, omgracht en omwald als zij was, besloeg toen (zie haar 
Historisch plan, afb. N°. 41) de ruimte begrensd door den Nieuwen 
Zijds Voorburgwal westwaarts, door het Spui zuidwaarts, door den 
Ouden Zijds Voorburgwal oostwaarts, en door het IJ noordwaarts, 
eene breedte beslaande van + 400 M. lengte, bij eene lengte van 
± 1000 M. = ± 40 heet. 

Na eene kleine vergrooting aan de zijde van het Spui in 1367, 
volgde in 1383 haar eersten uitleg, waarbij zij zich ter weerszijden, 
zoo west- als oostwaarts, een 50 M. verbreedde en met een nieuwe 
wal en gracht, den Nieuwen en Ouden Zijds Achterburgwal omringde, 
haar vroegere buiten- of beveiligingsgrachten nu als binnengrachten 
in zich opnemend, een uitleg ter grootte van ± 15 heet. 

Ruim 40 jaar later volgde reeds haar tweede uitleg en werd in 
de jaren 1425 — 1454 de oude kern met een nieuwen woonkring 
omgeven en uitgebreid, westwaarts met den Cingel en oostwaarts met 
de Kloveniersburgwal tot vestinggracht, terwijl noordwaarts de oude 
stad tot aan het IJ en zuidwaarts tot aan de Munt werd verlengd. 
Daarna, in 1481 — '83, op aandrang van Maximiliaan, toen in oorlog 
met de stad Utrecht, ommuurd, betorend en met beter verdedigbare 
poorten voorzien, werd tevens de Lastage, de vóórstad aan de ooste- 
lijke IJzijde omgracht en met één verdedigingstoren, de Montalbaans- 
toren voorzien. 

Eene eeuw later, onmiddellijk nadat de stad in 1578 de Spaansche 
zijde had verlaten, besloot men de voor hare verdediging geheel onvol- 
doende geworden ommuring te vervangen door eene betere „sterekte 
bouwinge", waarvoor Joost Janszoon Beeldsnijder, vesting-ingenieur, 



STEDE-UITLEG. — OUD-AMSTERDAM. 305 

het ontwerp met concept van vergrootinge maakte, met welke ver- 
grootinge na verkregen octrooi, om de daarvoor noodige erven te 
mogen uiteigenen, in 1586 een begin van uitvoering werd gemaakt. 

Van wege de groote behoefte aan woningen voor de vele vluchte- 
lingen, die zich uit Antwerpen hier kwamen vestigen, werd reeds 
vóór en aleer de nieuwe verdedigingsgordel begonnen en voltooid 
was, met den uitleg en het bouwen van woningen in de Lastage 
aangevangen, en daarna in 1593, volgens een nieuw fortificatie-plan, 
nu in overleg met Prins Maurits ontworpen, de stad uitgelegd en 
omvest, daarbij aan haar west- en aan haar zuidzijde beide, met 
slechts ééne gracht, slechts + 90 M. verbreed, doch aan hare noordzijde 
een 590 M. verbreed en van tal van breede langs- en dwarsgrachten 
voorzien, met het IJ tot basis en alsnu veranderd in "eene zeestad. 

Als rivier stad tot dusverre van langwerpigen vorm, kreeg zij nu, 
eene zeestad geworden, een nagenoeg halfronden vorm en was haar 
oppervlak binnen den vestingwal, met zijn twaalf naar voren springende 
dwingers en vijf poorten, nu reeds gegroeid van de ± 40 heet., die 
zij in het midden der XIV de eeuw besloeg, tot ± 185 heet. 

Door steeds grooteren toeloop van vreemdelingen echter reeds 
spoedig overvuld met bewoners, gevoegd bij de herleving der 
handelsverwachtingen, door het twaalfjarig bestand gewekt, rijpte, 
hoezeer de in 1586 begonnen uitleg nog slechts nauwelijks voltooid 
was, allengs het denkbeeld tot een nieuwen, tot een veel grooteren 
tot een, aan de ruimtebehoefte der zich buitengewoon ontwikkelende 
stad, ineens, voor één of meer eeuwen voldoenden uitleg. 

Dit denkbeeld werd vooral gesteund door Frans II en dr ie xz. 
Oetgens, oud-burgemeester, mr. metselaar en sedert 1607 fabryek- 
meester der stad, en het was door zijn toedoen in hoofdzaak, dat aan 
de Staten van Holland octroy werd gevraagd tot uitbreiding van het 
regtsgebied en tot eene nieuwe vergrooting der stad; een octrooi haar 
dato 7 Aug. 1609 verleend. 

Door H e n r i c h J a c o b s z. S t a ets, sedert 1 505 Mr. timmerman 
der stad, geholpen door Lucas Jansz. Sinck, haar landmeter, 
werd nu in overleg met Oetgens het grootsche plan ontworpen 
en uitgewerkt, waarbij Amsterdam met 540 heet. zou worden ver- 
groot en dus haar oppervlak van ± 185 zou worden gebracht tot 
725 heet., zou worden verdrievoud. 

Volgens het aantrekkelijke, even eenvoudige als geniale plan 

l - 39 



306 STEDE-UITLEG. — OUD-AMSTERDAM. 



van Sta ets, werd de binnenstad niet met straten, maar kringvormig 
met drie breede binnengrachten omsloten, de Heeren-, de Keizers- 
en de Prinsengracht, in aansluiting met de noodige dwarsgrachten 
en dwarsstraten, die, # alle naar het centrum loopend, het verkeer 
straalsgewijze naar de binnenstad richten. 

Niet zonder heftigen tegenstand en niet in eens ook kwam dit 
plan tot stand; enkele heeren Regenten toch, Oetgens zelf ook, 
hadden, die uitbreiding voorziende, tijdig binnen het terrein dier 
uitbreiding groote uitgestrektheden grond aangekocht en daarop zelfs, 
in strijd met de keuren woningen of opstallen laten zetten, ten einde die 
gronden en 'tgeen er op stond tegen hooge winsten aan de stad te kunnen 
afstaan, eene „eigensoeckelijckheit", dus niet enkel van onzen tijd. 

Trots dien tegenstand werd echter op 26 April van het jaar 1610 
bij het Haarlemmerplein met het stoute werk een begin gemaakt, in 
1614 was men reeds bezig huizen te bouwen aan de drie nieuwe 
kringgrachten, doch verder dan tot en met de Leidsche dwarsgracht 
werd het werk voorloopig niet voortgezet; wel werden in 1624 
rondsomme de ban- of mijlpalen geplaatst en het een ieder verboden 
daarbinnen eenig getimmerte verder op te trekken, doch eerst in 
1657 volgde het besluit tot voortzetting en voltooiing van den grooten 
uitleg. In het volgende jaar, in 1658, werd begonnen met het graven 
der zuidoostelijke en oostelijke grachten, met het doortrekken der 
omwalling met haar 36 bolwerken en met den bouw der noodige 
poorten, het aan den tijd overlatend om die enorme nu omsloten 
en omvestte beschikbare ruimte met woon- en bedrij fs-, met winkel- 
en pakhuizen of wat het zijn mocht te doen bebouwen, een ruimte, 
die voor meer dan twee eeuwen in de behoeften dezer stad heeft 
kunnen voorzien. 

Het is onze grootste, stoutst opgevatte en geniaalste opgeloste 
uitleg vóór de XIX de eeuw; wat Rotterdam in de laatste 30 jaar 
durfde en deed, haar werk- en woonterrein ineens eenige malen, op 
't breedst opgevat, te verveelvouden , dat durfde en deed Amsterdam 
in de XVII de eeuw, en zij deed dat toen zóó karakteristiek, zóó eenig 
mooi en toch zóó eenvoudig en ongezocht, haar halfcirkelvorm eenvoudig 
volgend en deze eenige malen kringvormig vergrootend, dat zij onder 
de Europeesche steden van gelijksoortige terreinstoestanden, stellig 
de schoonste, de treffendste, de meest typisch mooie en de aan 
schilderachtige effecten rijkste is. 



STEDE-UITLEG. — OUD-AMSTERDAM. 307 



Geen enkel onzer andere steden komt haar in dat opzicht ook 
maar eenigszins nabij. 

Delft, onze vriendelijkste Hollandschc stad. met hare talrijke 
smalle grachten bijna geheel overschaduwd door de ter weerszijden 
er van staande boomen, met hare vele en typische boogbruggen, met 
hare kleine nette huizen en smalle straten; zij heeft iets gezelligs, 
iets aantrekkelijks, iets geestigs zelfs, het is eene stad van eenvoudige, 
rustige, deels deftige en zelfgenoegzame burgers. 

Groningen, onze 't regelmatigst ingedeelde stad. met haar 
groote rechthoekige pleinen, haar monumentalen toren, haar stemmig 
raadhuis, zij is de zich zelve bewuste stad van het Noorden, hoogst 
doelmatig in planvorm, maar met uitzondering van het Diep, haar 
gewezen muurgracht, het water met het groen missend, dat Delft 
heeft en dat aan Amsterdam juist haar cachet, haar bekoring 
geeft, en haar met elk seizoen weder een ander aanzien ; weder een 
nieuw kleed, weder een nieuwen tooi geeft. 

Vergeleken met haar breede grachten, met de Keizersgracht, de 
Heerengracht en het Singel, alle tusschen de gevels der overstaande 
huizen gemeten, breed ± 48 M., met de Prinsengracht breed + 44 M., 
met den Oude Zijds Voorburgwal breed 40 M., grachten, voorheen 
gevuld en deels overvuld met schepen en jachten, met beurtschuiten 
en pramen, met dekschuiten, bootjes en vaartuigen van allerlei 
afmetingen en vormen, wier masten en tuigage zich half verscholen 
in het overhangend groen van het hooge geboomte, vergeleken met 
die grachten, in wier wateroppervlak de lucht zich weerspiegeld, 
zon en maan weerkaatsen, en de avondbelichting zich in fonkelende 
strepen herhaald en die bij elk harer overbruggingen den opmerk- 
zamen wandelaar weder een nieuw gezichtspunt, weder een ander 
schilderstuk ter bewondering aanbieden, daarmede vergeleken, is elke 
straat, vooral als zij niet met boomen bezet is, arm en koud, slechts 
eene doode verkeersruimte, niets meer. 

Zelve niets gevend, heeft zij voor het zoekend, vragend oog, 
slechts de gevels harer huizen, en als deze dan nog soms alle karakter 
missen, of zelfs uitmunten door storende vormen, door leelijkheid, 
dan wordt zij voor het gevoelig oog soms eene ware pijniging. En is 
zij beboomd, dan zijn die boomen ter wille der aan wonenden dikwijls 
zóó besnoeid, dat zij eigenlijk geen boomen meer kunnen genoemd 
worden, en al is zulks ook niet het geval, dan mist zij toch 
de groote tooveres, het water, dat juist de bekoring geeft, er het 



308 STEDE-UITI.ECx. - OUD-AMSTERDAM. 



leven in brengt, met het licht speelt en zoowel diepte als 
afstand oreert. 

Bovendien ligt er in het kringvormig veelhoekig beloop dier 
Amsterdamsche grachten nog een eigen charme, alles komt daardoor 
beter uit, alles keert zich naar u toe, het eentonige, het vermoeiende 
van lange, rechte afstanden wordt daardoor gebroken, men krijgt 
telkens weer een ander, weer een nieuw gezicht, elk huis, elk gracht- 
deel, komt als het ware even naar voren, even naar u toe om bezien 
te worden. Ook het veelzijdig drukke, het bedrijvige leven, dat eene 
gracht kan aanbieden en dikwijls aanbiedt, heeft iets gezelligs, iets 
rustigs zelfs, vergeleken bij het bedrijvige, het drukke straatleven. 
dat al heel spoedig door zijn veel grooter rumoer onrustig en storend 
op u inwerkt. 

Die grachten, al liggen er slechts maar enkele getuigde schepen 
in, zijn door de spelende doorzichten onder haar groote boog- 
bruggen, bijna altijd en bijna overal meer of minder dankbare 
schilderstukken, iets, wat van bijna geen enkele straat of straat- 
gedeelte kan gezegd worden. 

Welnu, dat alles te zamen maakt Amsterdam tot hetgeen 
zij is, tot onze mooiste, tot eene eenige stad zelfs. 

Geen wonder dan ook, dat ieder rechtgeaard Amsterdammer, 
met kracht en klem voor het behoud dier grachten opkomt, en niet 
wil gedoogen, dat het stadsbestuur deze ten offer brengt aan het 
tramverkeer, want met elke gracht die zij dempt, ontneemt zij zich 
zelve een deel van haar sieraad, een deel juist van haar karak- 
teristiek schoon. 



Van de vierde of laatste stedegroep D, met uitleg rivier- of zce- 
waarts, zijn onze beste vertegenwoordigsters, de steden : Dordrecht, 
Enkhuizen en Rotterdam. 

Oud- Dordrecht. 

Dordrecht's eerste bewoners vestigden zich aan de uitmonding 
van het riviertje de Dubbel in de Merwcde, op de daartoe langs dit 
riviertje door hen opgeworpen zuidelijke of Oude dijk, de tegenwoor- 
dige Voorstraat; de noordelijke of Nieuwe dijk. later opgeworpen, 
is nu de Wijnstraat ; het tusschen die beide dijken of straten gelegen 
riviergedeelte diende tot haven en vormde daarmede Dordrecht's 



STEDE-UITLEG. - OUD-DORDRECHT. ~ - OUD-ENKHUIZEN. 309 



begin, dat eerst aangroeide, nadat Graaf Dirk III hier ten jare 1015 
een tolhuis had gesticht. 

Ter weerszijden van die haven, in 1284 verlengd en westwaarts 
doorgetrokken in de Oude Maas, ontwikkelde zich de tolhuisbuurt 
tot stad, zuidwaarts op de aldaar gelegen landerijen, noordwaarts of 
aan de zijde der Merwede, op de aldaar gelegen of zich vormende 
slib- of zandplaten. In die slibgronden werden na de groote verande- 
ring, welke de stad op haar zuidwesteinde bij den grooten vloed in 
het jaar 1281 schijnt te hebben ondergaan, nu achtereenvolgens haar 
Nieuwe Haven in 1410, haar Drapeniershaven in 1609, en haar Ivalk- 
haven in 1654 aangelegd, en de omgeving opgehoogd en achtereen- 
volgens bij de stad aangetrokken en ter bewoning uitgegeven, waar- 
door tusschen de Wijnstraat en de Maas, een terrein van ± 360 M. 
diepte bij ruim 1300 M. lengte aan de rivier werd ontnomen en bij 
de stad gevoegd, die zich aldus langs en in deze heeft uitgelegd. 

Oud-Enkhuizen. 

Evenals Dordrecht zich ten koste der rivier, heeft Enkhuizen 
zich ten koste der zee uitgebreid. 

Aanvankelijk slechts eene kleine visschersbuurt, uit enkele aan 
den vroegeren IJselarm gelegene huizen bestaande, werd, nadat de 
groote zeevloed op 11 Mei 1173 de beschermende duinketen had door- 
gebroken en de Noordzee nu in staat stelde, de bosschige veengronden 
en plassen van lieverlede met het meer Flevo in een groote binnenzee, 
in de Zuiderzee te herschapen, die buurt nu allengs een zeeplaats, 
eene eeuw later reeds, ten jare 12N7, door eene bevaarbare zee van 
5V 2 uur breedte, van de stad Stavoren gescheiden. 

Die zeeplaats werd nu eene handelsplaats tevens, want via 
Enkhuizen ging men alstoen van West- naar Oost-Friesland, 
naar Stavoren, en het was in Enkhuizen, dat de Graaf van 
Holland tijdens zijn vijfjarigen oorlog met de Oost Friezen zijn 
krijgsmacht en oorlogsvloot liet samenkomen en vandaar uit de 
zee overstak. 

Zoo werd Enkhuizen langzamerhand eene plaats van beteekenis. 
die in 1355 stadsrecht kreeg en in 1361 haar eerste havening. binnen 
den hoogen dijk achter de Breedestraat maakte. Omstreeks 1390. nog 
vóór den oorlog met de Oost-Friezen, maakte zij langs haar zuidzijde, 
in het lage voorland dat haar toen van de zee scheidde, een breede 
Nieuwe haven en daarvóór in 14«S1 — 1540 nog eene buitenhaven, 



310 STEDE-UITLEG. - - OUD-ENKHUIZEN. - - OUD-ROTTERDAM. 



waartoe op den zuidoostelijken hoek der stad eerst een groot rijzen- 
hoofd in zee werd gemaakt en de stad aan die zijde tevens werd 
uitgelegd, terwijl ter zelfder tijd, in 1542. bewesten die buitenhaven 
en in verband met deze nog een vierde haven, ter dubbele grootte 
van haar Nieuwe haven van 13 ( )0 werd gegraven, waarvan de uit- 
komende grond diende tot ophooging van de terreinen voor de nieuwe 
stadswijk, welke zich om en bij die havens vormde. (Zie afb. N . 124), 

Een 40 jaar later, in 1560, werd benoorden die vierde haven een 
wierdijk in zee aangelegd, nog een nieuwe visschershaven gemaakt 
en de stad aan die zijde uitgelegd; tien jaar later, in 1567 -'70, legde 
zij rond haar oostzijde een nog broederen wierdijk in zee aan, en 
ontstond haar groote Oosterhaven en vóór het jaar 1650 is er bezuiden 
den zeedijk nog een zevende groote haven, de St.-Pieters- of Nieuwe 
Buijshaven aangelegd en ten deele reeds ombouwd ook. 

Enkhuizen had toen trouwens het tijdperk van haar hoogsten 
bloei bereikt, en was toen na Amsterdam de eerste stad aan de 
Zuiderzee, feitelijk de sleutel dier zee, zij had, behalve een eigen 
haringvloot uit een 500 — 600 buizen bestaande, mede een eigen 
koopvaardijvloot handel drijvend op Oost en West. Met den teruggang 
harer haringvisschcrij en van haar handel, met haar vloot verdween 
echter ook haar bloeitijd, en, sneller, dan ze vóórdien in bevolking- 
en in huizen was toegenomen, nam zij nu in bevolking en in huizen 
weder af, geheele straten zelfs verdwenen er, om te veranderen in 
tuin- of moesgronden en van haar vroegere grootheid getuigen thans 
nog enkel, behalve haar omtrek of afmeting, haar beide kerken en 
haar in bergsteen uitgevoerd deftig raadhuis. 

Oud-Rotterdam. 

Één blik reeds op haar ontwikkclings-plattegrond, afb. N°. 127, 
is voldoende, om te zien, hoe zij steeds langs en aan en vooral in 
de rivier is aan- en uitgelegd. 

Aan die rivier, aan de Maas, dankt zij haar grootte en haar bloei 
tevens. Alles toch wat bezuiden de Hoogstraat, haar eersten of ouden 
Maasdijk ligt, was eertijds water, behoorde tot die rivier, tot de Maas; 
de Blaak en de Leuve, zij waren op het laatst der XV de eeuw nog 
benamingen van de oevergedeelten dier rivier. 

Trouwens eerst vrij laat, eerst in de tweede helft der XIV de eeuw, 
kreeg Rotterdam, na in 1340 stadsrecht te hebben gekregen, eenig 
besef van de toekomst die haar kon wachten, en begon zij haar 



STEDE-UITLEG. - - OUD-ROTTERDAM. 311 

voordeel te doen met de fouten van Delft, dat zich verzette tegen 
Aelbrecht van Beijeren, en dit moest betalen niet enkel met groote 
geldelijke offers, maar tevens met van 1359 tot 1894 eene ontveste, 
eene open stad te zijn, terwijl Rotterdam dien Hertog juist bijzonder 
ter wille was en als hij slecht bij kas was, geldelijk steunde, voor 
die trouwe diensten echter steeds nieuwe voorrechten bedingend en 
verkrijgend. 

Vooral ook wist zij partij te trekken van Del ft 's kortzichtig- 
heid ten opzichte van Del fs haven en niet minder in de tweede 
helft der XVI de eeuw van de ramp van Antwerpen, alstoen 
vooral de kooplieden en de gegoede burgers dier stad tot zich 
trekkend. Zoowel toen als ook in het begin der XlX de eeuw, wist zij 
bij voortduring alle omstandigheden uitstekend ten eigen bate te 
benutten, daarmede het zakelijk bewijs leverend, dat voor de ontwik- 
keling, voor de welvaart en toekomst eener stad, de Handel inderdaad 
de belangrijkste, de beteekenisvolste factor is. 



Algemeene terugblik. 

Onze steden in haar aan- en uitleg ten slotte in haar geheel 
overziende, blijkt, wat den aanleg betreft, dat deze steeds het regel- 
matigst was, waar eenzelfde hoofdfactor bij voortduring den groei, 
eerst van de buurt tot dorp en vervolgens dien van het dorp tot stad 
bepaalde, en om 't even of die hoofdfactor was de rivier, de markt 
of het kasteel. 

Is die hoofdfactor de rivier, dan zien wij, zooals in: Amster- 
d a m , Dordrecht, G orkum, Kampen, N ij m e g e n , U t r e c h t, enz. 
de stad zich bij smalle rivieren langs haar beide en bij breede rivieren 
langs één harer oevers in de lengte uitbreiden en bij betrekkelijk weinig 
diepte door middel van tal van dwarsstraten of stegen overal een 
toegang, tot die rivier, haar bestaansbron zoekend, langs wier kade 
of kaden handel en bedrijf zich dan ook bij voorkeur vestigen. 

Is die hoofdfactor de markt, dan treedt zooals in: Bols war d, 
Delft, Dokkum, Groningen, Haarlem, enz. het marktplein of 
de marktstraat op als het middelpunt der jonge stad, als het centrum, 
waarop haar hoofdwegen en hoofdstraten uitkomen, de plaats, rond 
welke haar kooplieden en kramers, haar nij veren en groot-grondbezitters 
zich bij voorkeur woningen laten bouwen, er niet tegen opziende deze 
ter wille der zaak of van het bedrijf bij herhaling te verbeteren en te 



312 STEDE- AAN- EN -UITLEG IN 't ALGEMEEN. 

herbouwen, zoodat men in welvarende steden rond haar markt, dan 
ook meestal vindt zoo al niet het beste, dan uoch het laatste wat er 
gebouwd is. 

Is die hoofdfactor het kasteel, dan zien wij, zooals in: Gouda, 
's Gravenhage, Kuilenburg, Montfoort, IJselstein, enz. 
onder invloed en leiding van den kasteelheer dikwijls zelf, op wiens 
grond de buurt zich ontwikkelde, den meest regel-, den meest plan- 
matigen aanleg, al geschiedde zulks aanvankelijk misschien niet zoo 
zeer ter wille der buurt zelve als wel in 't belang van de toegangen 
tot en van eene geordende omgeving bij dat kasteel. Die goed over- 
dachte regelmatige aanleg was desniettemin van zeer veel waarde 
voor de jonge stad en zij hield dien meestal dan ook in eere en zette 
dien voort, ook als het kasteel met zijn heer en met zijn bewoners 
reeds lang was verdwenen, het geheele kasteelterrein dan soms in 
haar verderen aan- en uitleg opnemend. 

Het opvallend regelmatigst in aanleg zijn echter veelal de steden, 
die na een grooten brand óf grootendeels werden herbouwd, zooals: 
Groningen, 01 den zaal, Roermond en Steenwijk, óf daarna 
geheel of bijna geheel opnieuw zijn aangelegd, zooals Coevorden, 
Naarden en Nieuw poort, terwijl niet het minst karakteristiek 
zijn de steden bepaaldelijk gesticht, bepaaldelijk aangelegd zooals: 
Batavia, KI burg en Willemstad. 

Wat den uitleg onzer steden betreft, is boven gebleken, dat 
deze bijna altijd het doelmatigst werd opgevat, het meest doordacht 
en het regelmatigst zich aansluitend bij de oude of binnenstad, en het 
ruimst en het breedst tot stand kwam, waar hij in eens voor 
geruimen tijd, voor één of meer eeuwen werd uitgevoerd. 

Hoe kleiner de uitleg was, hoe benauwder hij meestal werd 
opgevat en uitgevoerd, trouwens elke uitleg ter beveiliging, ter opname 
eener vóórstad, sukkelde juist met die voorstad, die men wilde behouden, 
doch die, vaak op 't willekeurigst gevormd en ingedeeld, meestal ter 
verkrijging van een goed stadsgeheel, had moeten w r orden afgebroken 
en opnieuw aangelegd. 

Amsterdam heeft, bijna van meet af den kringvormigen uitleg 
kiezend, daardoor trots herhaalden uitleg, toch een goed, een eenig 
plangeheel zelfs verkregen. 

Hoe wenschelijk en nuttig het was, om, alvorens tot een uitleg 
over te gaan, eerst de behoeften en eischen der stad in haar geheel 



STEDE-AAN- EN -UITLEG IN 't ALGEMEEN. 313 



zoo voor het heden als voor de toekomst te overzien, en daarmede 
dan bij den voorgenomen uitleg ernstig en zorgvol rekening te houden, 
dat toont de uitleg van Kampen in de XV de eeuw, en die van 
Groningen en A msterdam in de XVlI de eeuw. 

Uit laatstgenoemden tijd bezitten wij nog verschillende eigenaar- 
dige uitlegontwerpen, zoo in originale als in gravure, zooals die van 
Haarlem en Utrecht boven reeds besproken, waaronder zekerlijk 
de merkwaardigste dien is van Wren, van den architekt van 
Londen's beroemde hoofd- of St-Paul'skerk, die na den grooten brand 
dier stad in 1666, voorstelde, om over een oppervlak van niet minder 
dan 100 heet., alles, ook dat wat de brand daarin nog gespaard had, 
af te breken en dat geheele stadsgedeelte nu opnieuw volgens zijn ontwerp 
aan te leggen en te bebouwen, een denkbeeld blijkbaar echter, op het 
moment van die groote ramp, te stout van opvatting, en daarom 
helaas niet uitgevoerd. 



De stad als woon- en als handelsplaats is hiermede, ofschoon 
enkel in hare hoofdmomenten, behandeld; dit onderwerp toch is zóó 
rijk aan variëteiten van allerlei aard, dat het ondoenbaar is deze 
alle te behandelen. 

Elke stad toch, heeft haar eigen verleden, heeft haar eigen 
geschiedenis, heeft en had haar eigen ontwikkelings- en bestaans- 
factoren, die, al naar haar meer of min gunstige ligging en naar 
hetgeen zij bij voortduring, vooral onder wisselende omstandigheden, 
daarvan partij wist te trekken, haar voor korteren of langeren tijd 
tot eene plaats, tot een centrum soms van beteekenis hebben gemaakt, 
totdat rampen of oorlogen, teruggang van handel en bedrijf, de ophef- 
fing of waardevermindering van bizondere privilegiën en monopoliën, 
een te kort aan ondernemingsgeest, of het inslapen harer bewoners, 
haar uit den kring der active steden deden overgaan tot dien der 
passive, der slapende, en eindelijk tot dien der dood e steden, 
der „Villes Mortes", of weder tot den dorpstoestand terugbrachten. 

Elk onzer steden had haar tijd van opkomst, haar tijd van volle 
energie, haar bloeitijd, haar moeilijke dagen, haar tijden van terug- 
gang en opbloei, haar tijden ook van indommelen en van gebrek aan 
levenskracht, en al naar elk dezer langer en dieper op haar inwerkte, 
kwam zij tot grooteren bloei of tot snelleren teruggang, kwam zij 
haar zwaren tijd te boven of bezweek zij er onder. 

i. 40 



STEDE-AAN- EX -UITLEG IN T ALGEMEEN. 



En nu, de vraag herhalend, wat was het eigenlijk, dat een grootere 
of kleinere groep samenwonenden, dat de bewoners van een buurt, 
van een dorp of een vlek. drong die buurt, dat dorp of vlek een 
stad te doen worden? 

Op die vraag is het antwoord: de behoefte dier samenwonenden 
aan meerdere, aan een eigen vrijheid, aan andere, aan eigen wetten, 
aan een andere, een eigen rechtspraak, de behoefte vooral ook aan 
meerdere veiligheid, aan meerdere bescherming, aan een ruimeren, 
een eigen bewegingskring voor haar handel of markt. 

Kn die behoeften gevoelden zij toen zóó diep, dat zij zich voor 
de vervulling er van, bij voortduring gaarne de zwaarste offers 
getroostten, zoo noodig zelfs, eigen bezit en eigen leven niet ontziende, 
om het groote doel dat zij wenschten, te bereiken, en, dit bereikt 
hebbende, te verzekeren. 

Daar ging dus aan die stad-wording vóóraf en daar lag dus 
aan dat eerste stad-zijn ten grondslag, een krachtvol, een zelfbewust 
leven ten bate, ten dienste der gemeenschap, een zelfde krachtvol en 
zelfbewust leven als vele dier steden later heeft doen bloeien en groeien 
en heeft groot gemaakt en enkele harer deed besluiten zich voor een 
of meer eeuwen uit te leggen. 

Die zelfde factoren bepalen ook n u nog den groei en den bloei 
van de steden van het heden, hoezeer geen enkele harer meer dat 
beteekent, wat zij vroeger beteekende, meer is, wat zij was. 

Toen bezat elke stad eene mate van zelfstandigheid, als geen 
harer thans meer kent: sommige harer, zooals Groningen met haar 
Ommelanden bijna tot stadsgebied, zooals Amsterdam in haar 
gouden eeuw, zij waren als het ware onafhankelijke republieken, evenals 
voorheen de Italiaansche steden. 

Elke stad zorgde toen zelve voor haar veiligheid, voor haar 
rechtspraak, voor haar onderwijs, voor haar wetten, voor haar be- 
lastingen; zij voerde op eigen gezag oorlog, sloot op eigen gezag 
verdragen of bondgenootschappen, beschermde haar poorters in den 
vreemde, kortom, burger te zijn eener stad van beteekenis, dat was 
eene aanbeveling, een vrijbrief, een feit van gewicht, evenals het 
„Civis Romanus Sum" zulks was in de Romeinsehe oudheid. 

En nu? 

Nu is elke stad een grooter of kleiner Staatsdeeltje, eene gemeente 
geworden, welke de wetten, elders gemaakt, mag uitvoeren en deze 



STEDE-AAN- EN -UITLEG IN T ALGEMEEN. 



315 




Afb. N". 148. De Haven te Harlingen. 

aan haar bewoners moet opleggen, ook al zijn deze soms lijnrecht in 
strijd met de belangen van die bewoners en met de toestanden in 
die gemeente. 

Elke stad is nu een staatsdeeltje geworden, dat op tal van 
hoogst eenvoudige besluiten en regelingen meestal eerst hoogere 
toestemming moet vragen en zich moet voegen en schikken naar alge- 
meene wetten, hoe storend of vernietigend zelfs, deze soms ook voor 
het welzijn van enkele harer mogen zijn. 

Elke stad ziet zich nu belast met een bijna onoverzienbare 
administratieve rompslomp, waarin onze heden daagsche staatszorg bij 
voortduring steeds meer heil schijnt te zoeken, en waaraan deze blijkbaar 
steeds meer gewicht hecht, zoodat onder dat toezicht en onder die 
voogd ij se hap, meer dan het 9 /, onzer steden bijna alle vroegere veer- 
en levenskracht schijnt verloren te hebben en is gaan indommelen lang- 
zamerhand, tevreden werkelijk, als er maar geen bijzondere voorzieningen 
zijn te nemen en de hoofdelijke omslag en de opcenten maar geen ver- 
hooging behoeven te ondergaan en het Rijk alle lasten maar overneemt. 



Steden in den vroegeren zóó breeden en volop actieven zin zijn 
er niet meer. 

De Staat uit en door haar ontstaan, heeft haar taak ten deele 



316 STEDE-AAN- EN UITLEG IN 'T ALGEMEEN. 



overgenomen en haar daarmede tevens haar vroegere beteekenis 
grootendeels ontnomen. 



De Staat, zooals deze nu is, kent feitelijk geen vSteden, kent 
alleen Gemeenten. Tn zijn algemeene wetten haar bestaan, en haar 
dikwijls zoo geheel uiteenloopende welvaartsfactoren , eischen, behoeften 
en levensvoorwaarden bijna volkomen negeerend. 

Ofschoon dit zekerlijk voor 's Lands wetgever het allereenvoudigste 
was, zoo veroorzaakt zulks toch voor het Stedelevcn in het algemeen 
en voor de groote Steden in het bijzonder in tal van opzichten, bij 
de eene meer bij de andere minder, eene belemmering in hare 
natuurlijke ontwikkeling en is voor enkele harer die algemeene wet 
zelfs een bezwaar ter verkrijging van een zoodanig bestuur als zij 
eigenlijk zou behoeven, een bezwaar ook voor haar (inantiewezen en 
niet minder voor het behoud van energie. 

De Steden, voorheen bijna zoovele zelfstandige factoren, zij missen 
nu, Gemeenten zijnde, die vroegere zelfstandigheid bijna geheel en 
al, en hebben in hoofdzaak nog het recht behouden om schulden 
te maken. 



EINDE VAN HET EERSTE DEEL. 




Afb. N". 149. Het Oude Hoofd of Bolwerk bij de Boompjes te Rotterdam. 
Naar eene ets van R. de Hooghe (1694). 

I. Algemeen Inhoudsoverzicht. 

Blz. 

Voorwoord ' 

Inleiding. Beteekcnis van den Handel 

HOOFDSTUK I. 

De Stad in hare wording, als veilige, ommuurde 
Woonplaats, als Veste. 

De Stad in het Germaansche tijdvak 6 

De Stad in het Germaansch-Romeinsche tijdvak. .:.... / 

De Stad in het Frankische tijdvak en tijdens de Noormannen. . 12 

Burchtenbouw 1 () 

De ommuring der Steden 23 



318 ALGEMEEN INHOUDSOVERZICHT. 

Blz. 

Ommuringsrecht 45 

Steden tot straf ontmuurd 50, 115 

Overgebleven ommuringsgedeelten 52 

Dubbele ommuringen 57 

Muurtorens 57 

Mezekouwen 66 

Verandering in de beveiliging, de omvesting der Steden. . . . 68 

Poorten en poortvormen 78 

Behoefte aan veiligheid, allereerste eisch 113 

Het centraal gezag neemt ten deele de veiligheidszorg over, 
enkele steden worden nu gewestelijke vestingen, andere 

ontmuren zich 116 

Belegeringen 121 

HOOFDSTUK II. 

De Stad als Woon- en Handelsplaats in haar aan- en uitleg. 

Rivieren de oudste verkeenvegen 141 

Ontwikkeling van het dorp tot marktplaats 142 

Dorpsvormen 147 

Kasteelsteden 154 

Vormverandering van het dorp na zijn stad wording 1(>() 

Marktsteden en marktpleinen K) ( ) 

Gestichte en herbouwde Steden 189 

Verbeteringen aangebracht in den oorspronkelijken aanleg of 

toestand der steden 215 

Havensteden 220 

Binnengrachten 250 

Straten 255 

Pleinen 268 

Bruggen 270 

Uitleg der Steden 278 

Terugblik over den aan- en uitleg onzer Steden 311 



ALPHABETISCH ONDERWERPSOYKk'/ICJIT. 



319 



II. Alphabetiseh onderwerpsoverzieht. 





Blz. 


Aanleg van dorp en stad 


146 


Bastions ... .... 


71 


Belegeringen 


. 122 


Belegeringsafbeeldingcn . . 


. 1:54 


Belegeringswerktuigen . . 


. 128 



Bestrating 257 

Binnengrachten 250 

Branden 208 

Bruggen 270 

Bui ten poorters 288 

Burchten 16 

Buurt dorp wordende 141 

Buurt wordt marktplaats . . . 141 

Carolingische tijd 18 

Daken met stroo gedekt . . . 145 

Dokken (scheeps-) 247 

Dorpsvormen 147 

Kasteeldorp 153 

Kom- en Kringdorp .... 149 

Kruiswegdorp 150 

Rivierdorp 147 

Streek- of langsdorp . . . 151 

Verspreide dorp 151 

Dorp stad wordende 166 

Dwingers 71 

Frankische tijd 12 

Germaansche tijd 6 

Germaansch-Romeinsche tijd . . 7 

Grachten (stads) 23 

Binnengrachten 250 

Gedempt 270 

Overbrugd 27() 

Vestinggrachten . ... 252 

Handel in haar bcteekenis ... 1 

Oorzaak van stedenbloei . . 141 



Blz. 

Haven als welvaartsfactor . . . 248 

Haven (wereld) 236 

Havensteden 220 

Havenvorm (oudste) 228 

Huizenbouw (vroegere) . . . 257 

Kastceldorp 153 

Kasteclsteden 157 

Kelderingangen 257 

Kom- en Kringdorp 149 

Kringvormige stedenuitleg . . . 301 

Luifels 257 

Markt als welvaartsfactor . . . 248 

Marktplaats 148 

Marktplein 178, 181 

Marksteden 161) 

Mezekouwen 66 

Muurtorens 57 



Noorman nentijd 



1:; 



Omgrachting der steden . . 28 

Ommuring der steden .... 28 

Ommuring (dubbele) 57 

Ommuringsrecht 45 

Ommuringsvorm 167 

Omwalling 70 

Ontmuring 50, 115, 120 

Ontvesting 50, 115, 120 

Overbouw der huizen 257 

Peper (straten) 265 

Plattegronden der steden (zie af b. 
overzicht). 

Pleinen 268 

Poorten 78 

Poortvorm (oudste) 78 

Poort met hoektorens ... 84 

Poort in kasteel vorm . . . *.»4 



320 



Al l'll ABETISCH ONDER WERPSOVERZICHT. 



Blz. 

Poort als waldoorgang .... 102 

Waterpoort 108 

Polkasten 257 

Rivier als verkeersweg' ... 142 

Rivierdorp 147 

Rivieroverbrugging 270 

Rivierstad 182 

Rondeelen 68, 102 

Rozemarijn (straten) 265 

Stadsrecht 146 

Stadsvrije 271) 

Stedenaanleg 311 

Stedebranden 208 

Steden (haven) 220 

Stedenhcrbouw 181) 

Steden in aanleg verbeterd . . 215 

Stedenkerkhof (een) 203 

Steden (markt) 169 

Steden ontmuurd . 50, 115, 120 

Stedestichtingen ... ... 190 

Stedenuitleg 278 

Steden (vesting) 118 

Steden zonder marktplein . 182 

Stoepen 257 

Straten 255 

Straatbreedten 259 

Straatnamen 261 

Straten ongeplaveid 256 

Straten overbouwd 258 

Straten (Peper en Rozemarijn) . 265 



Blz. 

Straat ten dienste der aanwonenden 257 
Straat verbreed ten koste der aan- 
wonenden 266 

Straten zonder rijtuigverkeer . . 256 

Uitleg (algemeene terugblik) . . 311 
Uitleg der steden .... 278, 283 
Uitleg door aantrekking der vóór- 
steden 283 

Uitleg (kringvormige) 301 

Uitleg in rivier of zee .... 308 

Uitleg (merkwaardige stede-) 292, 305 

Veiligheid de hoofdfactor . . . 113 
Verbetering in den aanleg der 

steden 215 

Verdedigingswerken (wijziging in 

de) 71 

Verkeersfactoren 250 

Verkeerswegen (rivieren als) . . 142 

Vestingen 118 

Vestingen opgeheven 119 

Vestinggrachten worden binnen- 
grachten 252 

Vóórsteden . 283 

Vrijmarkten 169 

Vuurgeschut 132 

Waterpoorten 108 

Welvaartsfactoren 248 

Woonbuurtvormen 166 



III. Plaatselijk inhoudsoverzicht. 



Blz. 

A ardenburg 203 

Aken 

dubbele ommuring .... 30 

kringvormige aan- en uitleg . 303 

Alkmaar 

Kaasmarkt 188 

ontmuurd 51, 116 

smalle straten 259 



Blz 



A m ersfoort 

kringvormige aan- en uitleg 301 

Koppelpoort 109 

marktplein 175, 181 

ommuring 28 

dubbele ommuring .... 30 

ontmuurd 28, 115 

plattcgr. in vogelvl. v. A°. 1580 29 



PLAATSELIJK INHOUDSOVERZICHT, 



321 



Blz. 

253, 307 
307 
224 
303 

185, 219 
41, 49, 57, 63 



41 

7:5 

97 
97 



A m s t e r d a m 

binnenbrachten 

eenig mooie stad . 

als havenplaats 

kringvormige uitleg 

als marktplaats 

ommuring . . 

plattegrond in vogelvlucht 
van A°. 1536 

plattegrond (historische) . . 

poorten: oude Sint-Anthonis- 
poort 

oude Haarlemmerpoort . . 

Muyderpoort 106 

straatbreedten 259 

verdedigingswerken vernieuwd 7:> 

uitleg in de XVII de eeuw . 303 
Arncmuidcn 

gesticht 190 

gezicht op de stad .... l'.ll 
Arnhem 

marktplein 180 

markt vergroot 219 

poort met rondeel .... 6 ( .) 
Aspercn 

plattegrond in de XVI de eeuw 42 

kasteelstad 159 

Axel 204 

B a t a v i a 

gesticht. Plattegrond in vogel- 
vlucht van A° 1681 . . . 206 
Bergen op Zoom 

groote brand 210 

ommuurd 49 

Biervliet 204 

Blokzijl 

als havenplaats. Plattegrond 

van A°. 1755 245 

Breda 

oudste ommuringsplan . . . 

muurtorens 

nieuwe verdedigingswerken . 
Btedevoort 

Plattegrond in vogelvlucht 
van A°. 1600 

I. 



27 
63 

7:'. 



12 



Blz. 

B rouwershaven 

gesticht 192 

B ru gge 

bruggen 277 

gevecht bij en gezicht op de 

stad in de XIV de eeuw . . 136 

kringvormige aan- en uitleg. 303 

Bunschoten 

ontvest 51 

Coev orden 

herbouwd als vestingstad . 215 
plattegrond van na den her- 
bouw 213 

Culenbor g 

kasteelstad 160 

plattegrond in vogelvlucht 

van + A°. 1650. . . .78, 160 

uitleg 2D1 

Delft 

belegerd 133 

binnengrachten 251 

brand (groote) 211 

bruggen 274 

marktplein 177 

ontvest 50, 115 

plattegrond in vogelvlucht van 

+ A° 1580 177 

ged. van den grooten platte- 
grond in vogelvlucht van 

A°. 1675 177 

Rotterdamsche poort . . . 97 

stadsvrije vergroot .... 281 

straten 25 ( .i 

Delftshaven 242 

Deventer 

Bergpoort 82 

indeeling verbeterd .... 215 

muurtorens ........ 63 

ommuring 38, 54 

plattegrond in vogelvlucht van 

+ A°. 1580 38 

straten 259 

tijdens de Noormannen. . . 13 

IJselbrug 274 

Domburg 204 

4' 



322 



PLAATSELIJK INHOUDSOVERZICHT. 



Blz. 

Dordrecht 

belegerd 121 

buitenpoorters 283 

Groote Hooltpoort .... 106 

havenstad 226 

omgrachting (vergunning tot) 46 

uitleg 309 

vrijmarkt 172 

Vuijlpoort (buiten) .... 104 

Docku m 

ontvest . . 116 

E 1 b u r g 

herbouwd en verplaatst . . 195 

regelmatige plattegrond . 197 

E nkhuizen 

buitenpoorters 283 

handelsplaats 309 

havenstad 232, 310 

haventoren 69 

plattegr. in vogelvl. v. A°. 1580 233 

stadsvrije vergroot .... 280 

verval 310 

uitleg 309 

Enschede 

wordt eene veste stede. . . 49 

groote brand 218 

Geertruidenberg 

belegerd 122 

buitenpoorters ... . . 283 

vesting 119 

Goes 

krijgt vergunning zich te om- 
vesten 47 

Gorinchem 

bemuurd 50 

kasteelstad 1(52 

plattegrond in vogelvlucht van 

+ A°. 1650 163 

Gouda 

grachtstad 251 

havenstad 225 

kasteelstad 178 

marktplein 178 

plattegrond in vogelvlucht van 

A°. 1585 179 



Blz. 

G r a v e 

omvest . . 49 

belegerd in 1674 134 

's G r a v e n h a g e 

kasteel plaats 156 

markt aangelegd 219 

pleinen 269 

Groningen 

bemuurd 50 

binnen" Apoort 82, 115. 

Botlringe boogbrug .... 276 

brand (groote) 209 

ged. van den grooten platte- 
grond in vogelvlucht van 

A°. 1643 174 

gunstige ligging 141 

havenplaats 226 

Heerepoort 104 

historische plattegrond . . 72 

marktplaats 174 

merkwaardige uitleg . . 71, 292 

muurtorens 63 

nieuwe verdedigingswer- 
ken 71, 292 

ontmuurd 51 

Poelepoort 87 

tijdens de Noormannen. . 13 

vesting opgeheven .... 119 

vóórsteden 293 

1 1 a ar Ie m 

Amsterdamsche poort . . . 9J 

buitenpoorters 283 

kasleelstad 155 

marktplein 155 

plattegr. in vogelvl. v. A°. 1610 155 

stadvrije vergroot .... 279 

uitlegplanncn 295 

H a rd er wij k 

ommuurd (>(> 

poorten 81 

II e 1 1 e v o e t s 1 u i s 

dokplaats 247 

Heukelum 

kasteelstad 159 

plattegrond van ± A". 1550 . 43 



PLAATSELIJK INHOUDSOVERZICHT. 



323 



blz. 
's Hertog enbosch 

gesticht 189 

ommuurd 45 

■oudste plattegrond .... ;!5 
Hoorn 

havenplaats 234 

haventorcn 62 

Koepoort 82 

plattegrond in vogelvlucht van 

± A° 1650 236 

Kampen 

Cellebroederspoort .... 88 

markt 186 

muurtorens 80 

ommuurd 39 

plattegr. in vogelvl. v. A°. 1598. 187 

uitleg 300 

Veerpoort 79 

IJselbrug 273 

Kuilen b u r g z ie Culenbo r g . 

Leerdam 

kasteelstad 159 

Lee u \va rd e n 

brug en binnengracht . . . 27f> 

Leiden 

bruggen 275 

burcht 16 

markt 18.'5 

plattegrond in vogelvlucht van 

A°. 1600 184 

uitleg 291 

Londen 

grootc brand 208 

plan van uitleg 318 

L Li beek 

marktplein verkleind . . . 175 

L u i k 

ontmuurd 116 

SintMaartensdij k 

kasteelstad 164 

Maastricht 

bestaande ommuringsgedeelten 5."> 

Heipoort 84 

historische plattegrond ... 8 

Maasbrug 27 L 



Blz. 

Maastricht 

marktplein 182 

muurtorens 60 

ommuring 23 

rondeelen 68 

stad in Romeinschen tijd . . 7 

uitleg 300 

vesting opgeheven ... 117 

Middelburg 

burcht 16 

havenstad 22S 

plattegrond in vogelvlucht van 

± A°. 1598 24 

uitleg (kringvormige) 149, 302 

Middelburg in Vlaanderen 

gesticht 198 

Montpazier 

gesticht, plattegr. van A°. 1284 193 

M o n t f o o r t 

kasteelstad 157 

marktplein 177 

plattegr. in vogelvl. v. A°. 1650 75 

Naa rd e n 

herbouwd 194 

ontmuurd 116 

vesting gebleven 119 

New-York (Nieuw-Amsterdam) 205 

N i e u w poort 

gebouwd 189 

N ij m e g e n 

burcht 26 

in 't Germaanschc tijdvak . 7 
in 't Germaansch-Romeinsche 

tijdvak 10 

marktplein 175 

nieuwe verdedigingswerken . 73 

ommuurd 23 

plattegr. in vogelvl. v. A°. 1575 24 

plein 268 

Oldcnzaa 1 

aan- en uitleg kringvormig 149, 301 

groote brand 210 

ontmuurd 302 

plattegrond van A°. 1626 . . 31 

vrijmarkt 172 . 



324 



PLAATSELIJK INHOUDSOVERZICHT. 



Blz. 

Oostburg 204 

Ootmarsum 

vergunning tot omvesting . 47 

ontmuurd 116 

Palma Nova 

de vestingstad 214 

Pa rij s 

zich uitbreidend 181 

Rhenen 

belegerd in 1499 136 

ommuring 23, 33, 55 

Roermond 

groote brand 211 

Rothenbu rg a. Taubei . 76 
Rotterdam 

bruggen 274 

doet haar voordeel met 

Del ft 's kortzichtigheid. . :!11 

havenstad 236 

historische plattegrond. . . 238 

markt 186 

plattegrond in vogelvlucht van 

A°. 1675 237 

stadsvrije vergroot .... 282 

uitleg 310 

vergunning zich te omvesten 46 
S c h i e d a m 

markt vrijheid verleend . . . 170 
S n ee k 

binnengrachten 251 

Waterpoort 110, 278 

Steen w ij k 

belegerd in 1592 122 

groote brand 211 

Tiel 

tijdens de Noormannen . . 13 
Utrecht 

binnengrachten 251 

bruggen 275 

haven 182 

in de XlIIe eeuw ... . 287 

in Frankische n tijd .... 12 

markt 183 

muurtorens 60 

ommuurd 36, 53 



Blz. 
U t r e c h t 

plattegrond in vogelvlucht van 

A°. 1598 37 

tijdens de Noormannen 13 

Tolsteechpoort 97 

uitlegplannen 288 

verbetering in indeeling . . 216 

Weertpoort 97 

Veere 

Warwijksche poort .... 97 
V 1 i s s i n g e n 

havenstad 231 

haven (gevangen) toren . . 62 
Weesp 

omvest 282 

stadsvrije vergroot .... 282 

West ka pel Ie 204 

Wil] e m stad 

gesticht 200 

havenpoort 112 

plattegrond in de XVII de eeuw 200 
Winchester 

vrijmarkt 172 

W ij k b ij Duurst e cl e 

muurtorens 64 

ommuringsplan ..... 65 

tijdens de Noormannen . . 14 
W o u d r i c h e m 

rivierstad 76 

[J s e l m o n d e 

Kasteel belegerd in 1070 . . 122 
IJ s e 1 s t e i n 

ontvest 51, 116 

verbrand en herbouwd . 212 
Zier i kzee 

belegerd in 1)>04 .... 124 

Havenpoort 109 

Nobelpoort 87 

Zutphen 

ommuring 54, 64 

plan van uitleg 40, 290 

Ruïne over de Heikel . . . 274 

IJselbrug 54 

Zwolle 

bruggen 271 



OVERZICHT DER AFBEELDINGEN. 



325 



Blz. 

Zwolle 

Camperpoort Dl 

Dieserpoort 91 

Rhoenpoort 106 

Sasserpoort 98 



Blz. 

Zwolle 

stadsrecht verleend .... 33 
vestinggracht wordt binnen- 
gracht 252 

uitleg 301 



IV. Overzicht der Afbeeldingen. 



N°. 
Alkmaar 

De Kaasmarkt in 1675 ... 108 
Amersfoort 

De Koppclpoort .... 76, 77 

Gezicht op de Stad ± A°. 1580 14 

Oude huizen 137 

Plattegrond van ± A°. 1580 13 
Amsterdam 

Aanzicht van de IJ-zijde 

+ A° 1600 118 

Het IJ en de nieuwe Stads 
Herberg 146 

Het IJ en de oude Stads Her- 
berg 144 

Historische plattegrond . . 41 

Oude Haarlemmerpoort . 66 

Oude Sint Anthonispoort . . 65 

Plattegrond in vogelvlucht 
van 1536 21 

Ringmuur met opgang en 
poort in A°. 1540 .... 29 
Arnemuiden 

Gezicht op de Stad ± A° 1650 109 
Arnhem 

Poort met rondeel .... 38 
Aspercn 

Plattegrond van + A°. 1550 24 
A u b a n t o n 

Belegering in de XIV de eeuw 85 
B a t a v i a 

Plattegrond in vogelvlucht 

van A°. 1681 113 

B 1 o k z ij 1 

Plattegrond van A°. 1755 . . 133 



N c . 
12 



B r e d a 

Plattegrond van A°. 1350 . 

Bredevoort 

Plattegrond in vogelvlucht van 

± A°. 1600 22 

Bru gg c 

Strijd bij die Stad in de XIV de 

eeuw 93) 

Coev orden 

Plattegrond na A°. 1607 . . 114 

Culenborg 

Plattegrond in vogelvlucht van 

+ A°. 1650 47 

Poort naar C. Springer. 

± A°. 1865 . . . Frontisp. f 
Delft 

De Schiedamsche poort . . 67 
Ged. van het groote plan in 

vogelvlucht der Stad van 

A°. 1675 102 

Oude huizen 135 

Plattegrond in vogelvlucht van 

± A°. 1580 101 

Delftshaven 

Gezicht op die plaats ± A°. 1600 131 
Deventer 

Huis met houten voorgevel . 138 
Jongste Bergpoort .... 70 
Middengedeelte van het groot 

aspect van A° 1615 ... 27 

Oude Bergpoort 51 

Plattegrond in vogelvlucht van 

+ A°. 1580 19 



326 



OVERZICHT DEli AFBERT.DL\(;EX. 



N°. 

Dord r e c h t 

Belegering van A°. 1418 op- 
gebroken 83 

Buiten Vuijlpoort in 1649. 71 

Groote Hooftpoort in 1672 73 

E 1 b u r g 

Gezicht op de Stad ± A°. 1600 42 

Plattegrond vóór 1579 . . . 111 
En kh ui ze n 

Plattegrond in vogelvlucht van 

± A°. 1580 124 

Geertrui d e n b e r g 

Belegerd in 157,") 84 

Gorinehem 

Plattegrond in vogelvlucht van 

+ A°. L650 98 

Goud a 

Plattegrond in vogelvlucht van 

A°. 1585 103 

G r a v e 

Belegerd in 1674 90 

's Gra ve n hage 

Het Voorhout .... 140, 147 
G roni n g e n 

A-poort 52 

Ged. van den plattegrond in 
vogelvlucht van A°. 1643 . 100 

Historische plattegrond . . 40 

Poclepoort 55 

1 1 a arlem 

Amsterdamsche Poort . . . 62 

Plattegrond in vogelvlucht 
einde XVII de eeuw . . . 97 

Plattegrond in vogelvlucht van 

+ A°. 1600 63 

Ha rd erw ij k 

Gezichten op de Stad van + 

A°. 1580 35, 36 

H a r 1 i n g e n 

Gezicht op de haven . . . 148 
Ha ss cl l 

Gezicht op de Stad + A°. 1600 43 
Hellevoetsluis 

Plattegrond na 1696 .... KM 



N°. 
'sHertogenbos c h 

Oude huizen 136 

Oudste plattegrond in vogelvl. 17 

H e u k e 1 u m 

Plattegrond van + A°. 1550 23 

Hoorn 

l)c Koepoort 49, 50 

Gezicht op de Stad .... 125 
Plattegrond in vogelvlucht van 
± A°. 1650 126 

Hulst 

Belegerd in 1645 39 

K a mpen 

Cellebroederspoort .... 56 
Plattegr. in vogelvl. v. A°. 1598 107 
Veer- of Koornmarktpoort 48 

Vroegere IJselbrug .... 142 

Le e rd a m 

Gedeeltelijke plattegrond van 
+ A°. 1550 24 

Lccu w a r d e n 

Gezicht in de Stad A°. 1664. 143 

Leiden 

De Burcht 5, 6, 7 

Plattegrond in vogelvlucht van 
A°. 1600 104 

Sint M a a r t e n s d ij k 

Plattegrond van A°. 1624 . . 99 

Ai a a s t r i c h t 

De Helpoort 53 

De Maasbrug 141 

Gedeelte ringmuur .... 26 
Historische Plattegrond . . 3 

Muurtoren '■>'•'> 

Rondeelen in de ommuring . ;)7 

Al iddelb u rg 

Gezicht op de haven in den 

bloeitijd 121 

Gezicht op de Stad van + 

A°. 1650 120 

Plattegrond in vogelvlucht van 
+ A°. 1594 9 

AI on t foo r t 

Plattegrond in vogelvlucht van 
A°. 1650 44 



OVERZICHT DER AFBEELDINGEN. 



327 



N°. 

M o n t p a z i e r 

Plattegrond van A°. 1284. . 110 
N ij mcg'cn 

Burcht 11 

Kronenburger toren .... 30 
Plattegrond in vogelvlucht van 

+ A°. 1575 10 

Oldenza a 1 

Plattegrond in vogelvlucht van 

± A°. 1626 15 

P a 1 m a N o v a 

Plattegrond van A°. 1602. . 115 
R h e n e n 

Belegerd in 1499 . . Frontisp. II 
Gezicht op de Stad 4 A c 1650 106 
Rotte rd a m 

HetoudeHoofd bij deBoompje s 

in 1694 149 

Plattegrond in vogelvlucht van 

A°. 1675 127 

Historische plattegrond . . 128 

Markt in 1694 105 

S n e e k 

De Waterpoort 78 

Stccnw ij k 

Belegerd in 1592 83 

Ti el 

Gezicht op de Stad + A°. 1650 96 
Utrecht 

2 aanzichten en plattegrond 
in vogelvlucht van de Stad 

van A°. 1598 18 

De Tolsteechpoort ± A° 1600 69 
De Wecrtpoort + A°. 1600 . 68 
Gezicht binnen de Stad in 

de XV de eeuw 139 

Gezicht op de ommuring + 

A°. 1600 80 

Plan en uitleg der Stad van 

A°. 1670 145 

Veere 

Warwijksche poort A°. 1598. 64 
Gezicht op de Stad + A°. 1650 4(\ 



N°. 

Y laardingen 

Gezicht op de Stad ± A°. 1665 130 

Vlissingen 

Gezicht op de Stad ± A°. 1650 123 

Willemstad 

Plattegrond 112 

Gezicht op de Stad in 1793 . 79 

Woudrichem 

Gezicht op de Stad A°. 1550. 45 

W ij k b ij Duurst e d e 

Ommuringsplan .'II 

Z i e r i k z e e 

Gezicht op de Stad ± A° 1650 75 

Havenpoort 74 

Nobel poort 54 

Zutphcn 

Plan van uitleg in vogelvlucht 

gezien 20 

Waterpoort of ruïne over de 
Berkel 28 

Zwolle 

Camperpoort ± A°. 1630 . 57, 58 
Dieserpoort ± A°. 1630 59, 60, 61 
Muurtorens + A°. 1630 . . 31 
Plattegrond in vogelvlucht van 

+ A°. 1580 16 

Rhoen poort ± A°. 1630 . . 72 
Swanetoren + 1630 .... 32 

DIVERSEN. 

Belegeringswerktuigen .... 86 

Een Boogschutter 25 

Kolven iers 91, 92 

Lansknechten 87, 88 

Een Legerkamp 94 

Een Legertent 81 

Ruiter 2 

Een Ruitergevecht 8 

XVII de eeuwsche schepen 116, 117, 119, 

122, 129, 132 

Stadsrechtkaart 1 

Vaartuig (viking) der Noormannen 4 
Vuurgeschut uit vroegeren tijd 89, 95 



Zlo'bLW'5 



)J^&K^£2 




3 3125 00761 £580 



IMÈSl 



"r 4- 4 4 

Hf f i 
4 4 4 
» 4 4 "f 



OÜD- 
NEDERLANDSC; 
STEDEN 

DOOR 

Dr. H.BRÜGMAi v 

EN 

C.H. PETERS 



4 4 4 

444 

r 4- 4 



NEDBRLANDSC! 
STEDENBOUW 



— i * 



4 4 






LELDEN. 
AKSffTHOFF'S OTTGrM'